In de ban van het bier

ENTEBBE - Het is vrijdagochtend tien uur en juist opent Daudi Sserufusa zijn eerste flesje Bell Beer van vandaag. Het werd hem aangeboden door een trotse buurman die zegt dat Sserufusa een heilige geworden is. ‘Daudi betekent David, een bijbelse naam’, zegt hij. ‘Nooit wisten we hier in Kitoro waarom zijn vader hem zo genoemd heeft, maar nu weten we het: God beschermt Daudi en met hem in onze nabijheid zijn we veilig. De rest van zijn leven krijgt hij van ons gratis bier.’

Eén zitbank, twee gemakkelijke leunstoelen, een laag tafeltje en een kleine bar; dit alles in een kamertje van slechts enkele vierkante meters. De Last-Card Bar in Kitoro, een armoedig buitenwijkje van de verder vrij rijke stad Entebbe, heeft maar weinig ruimte nodig. Aan de muur in het huiskamercafé hangt de poster die de afgelopen maanden in elk café in iedere uithoek van Oeganda te vinden was. In fel geel en rood: ‘Verzamel alle kroonkurken van Bell Beer en maak met de woorden onder de dop de slagzin “Great Night Good Morning”. Stuur de doppen op naar het hoofdkantoor in Kampala, en maak kans op een Landrover Freelander ter waarde van 73 miljoen shilling!’ (110 duizend gulden). De actie heeft onder de stevig drinkende Oegandezen heel wat losgemaakt. Niet alleen de posters in het land, ook dagelijkse advertenties in The Monitor en in concurrent The New Vision moesten het loterijgekke Oeganda - een maand na de prijsverhoging van Bell - helemaal in de ban krijgen van het bier. En dat is gelukt. Tot in de kleinste gehuchten op het platteland ontstond een wilde ruilhandel: 'Heb jij “Night” voor mij, heb ik “Morning” voor jou.’ Oegandezen stuurden soms wel veertig setjes met doppen naar Kampala toe, kopte The Monitor halverwege de actie. En dat zal wel kloppen, want voor dit bericht hoefden de verslaggevers niet de straat op: ook ter redactie werd driftig gespaard. Iedereen in Oeganda was er de laatste maanden druk mee, iedereen smachtte naar die ene terreinwagen. TWAALF SETJES bierdoppen stuurde Daudi Sserufusa (46) in. Slechts twaalf setjes, want geld voor nog meer postzegels kreeg hij van zijn tante niet. Toch mocht hij drie weken geleden naar Kampala om de auto in ontvangst te nemen. Een arme man was rijk geworden. Met het drinken van bier. Ademloos luisteren Sserufusa’s vrienden en voormalige collega’s buiten, onder het afdakje bij het café van Sserufusa’s tante, naar zijn verhaal. Ze kennen het inmiddels wel, maar de hoofdpersoon is voor de arme mensen van Kitoro een soort ideaalbeeld geworden. De succes story verveelt niet. De nieuwe heilige zit binnen in een van de comfortabele stoelen. Door een wit rietje slurpt hij de vroege ochtend-Bell naar binnen. Honger heeft hij al weken niet meer: hij drinkt Bell, niets dan Bell, sinds op zondagavond 14 februari een vriend het grote nieuws kwam vertellen. 'Ik zat hier in het café, zomaar wat te drinken. Rond elf uur liep ik naar huis. Tien minuten thuis stond een vriend uit het café opgewonden naast m'n bed. Hij beweerde dat ik de Freelander gewonnen had. Ik weer terug naar het café. Stond daar een televisieploeg van CBS! Een andere vriend die wist dat ik geen nette kleren had, stond al klaar met een jasje en een goed overhemd: op televisie moet je er netjes uitzien.’ SSERUFUSA is opgevoed door zijn tante. 'Mijn moeder overleed toen ik nog een jong kind was. Ik naar tante. Haar bar had ze toen nog niet, dus school zat er niet in. Jarenlang hebben we geleefd van de opbrengst van de boerderij. Acht bananenbomen, twee geiten en ongeveer tien kippen hadden we. Een vetpot was het niet, maar we hadden het best goed.’ Toen tante het café begon werd alles beter - maar echt zelfstandig wilde Sserufusa niet worden. Nu ja, hij trouwde twee vrouwen tegelijk en verwekte negen kinderen binnen een paar jaar, maar een inkomen had hij niet. Het schoolgeld van de kinderen werd uit de opbrengst van tante’s café betaald. Totdat tante het zat was. Er moest gewerkt. Sserufusa’s kinderen hadden inmiddels goede banen in het bedrijfsleven en bij de overheid, maar papa zelf teerde nog steeds op zijn tante. Een degelijke zwarte herenfiets met op de bagagedrager een rood kussentje voor passagiers moest uitkomst bieden. Hij kreeg het voertuig drie jaar geleden van tante: Sserufusa zou boda-boda, fietstaxiberijder, worden. Sserufusa: 'Wat had ik daar een hekel aan, fietsen. De hele dag ploeteren, je in het zweet rijden voor anderen en dan aan het eind van de dag thuiskomen met twee-, drieduizend shilling, minder dan twee dollar! Op een regenachtige dag als vandaag was er natuurlijk helemaal geen handel. Niemand was zo gek achter op een fiets door de rode modder te rijden. Je broek zou wel eens vies kunnen worden.’ Buiten knikken zijn voormalige collega’s instemmend: het leven van een boda-bodaman is geen pretje. Sserufusa vervolgt zijn verhaal. 'Ik woonde in een klein huisje, achter het café. Of eigenlijk: ik woon er nog steeds, maar het voelt nu een stuk minder klein. Bananen kreeg ik van vrienden, water haalde ik uit het Victoriameer. Van het beetje geld dat ik uit de boda-boda haalde kocht ik bier, hier bij tante.’ Lezen en schrijven kan Sserufusa niet, tante hielp hem met het invullen van het wedstrijdformulier. Het nieuws over de auto geloofde hij nauwelijks, vertelde hij aan Monitor-journalisten op de dag dat hij in Kampala de autosleutels kreeg. Het bracht hem in 'extase’. Sserufusa: 'Hier moet echt God aan het werk geweest zijn. Normaal gesproken zou zo'n prijs toch naar een of andere corrupte ambtenaar in Kampala gaan? Nu kreeg ik hem. En ik heb niet eens een rijbewijs!’ In alle kranten verscheen zijn portret: de kleine Sserufusa breed glimlachend naast de enorme, rode, glimmende terreinwagen. 'Poor boda-bodaman wint Freelander’, kopte The Monitor. KAMPALA, een dag eerder - In de behaaglijke koelte van de airconditioning van het Sheraton Hotel, hartje Kampala, zitten ruim tweehonderd chique meneren en mevrouwen te praten over de armoede van Oeganda. De jaarlijkse presentatie van het Uganda Human Development Report van het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) wordt weer goed bezocht. Parlementsleden, ministers, ambassadeurs, zakenmensen en medewerkers van ontwikkelingsorganisaties: allen trokken ze hun beste kleren aan om in deze veilige stadsomgeving te praten over de problemen van de Oegandezen die op het platteland wonen, negentig procent van de bevolking. Na bijna een uur wachten op de vice-president, die het eerste exemplaar van het rapport aangeboden moet krijgen, gaat UNDP-afgevaardigde professor Thomas Babatunde van start. De UNDP-rapporten zijn in het leven geroepen om de discussie over armoede op gang te brengen, zegt hij. 'De kloof tussen het noorden en het zuiden is in Oeganda nog altijd enorm groot.’ Babatunde laat via de overheadprojector wat statistiekjes zien. 'Zie hier, op de Human Poverty Index scoort het noorden op alle fronten minder goed dan de rest van het land.’ Het district Kampala, waar Daudi Sserufusa woont, scoort overal het best: vrijwel iedereen heeft toegang tot medische voorzieningen, de ongeletterdheid is miniem en 'slechts’ zeventig procent van de mensen sterft voor het veertigste levensjaar. Het platteland van het noorden, volgens Babatunde door de Oegandese regering maar al te vaak vergeten, scoort duidelijk het slechtst: nauwelijks de helft kan lezen en schrijven en maar liefst driekwart van de mensen heeft daar geen toegang tot medische voorzieningen. En dan komt de klapper: meer dan de helft van de Oegandezen moet rondkomen van minder dan één dollar per dag, vertelt de professor. Monitor-journalisten die de relatieve rijkdom van Kampala gewend zijn en bekend zijn met de jaarlijkse economische groei van maar liefst zes procent, vallen van hun stoel van verbazing. Een sombere Sserufusa, vlak na de bijeenkomst, als de vice-president al weer is vertrokken: 'Oeganda is geliefd bij investeerders, Oeganda is het troetelkindje van de donorlanden van de Wereldbank, maar de echte Oegandees heeft daar nog altijd maar bar weinig van gemerkt. Okee, er lijkt hier in Kampala een soort middenklasse te ontstaan, maar op het platteland? En waar blijft al dat geld? Het loopt weg door corruptie in de regering en wordt uitgegeven aan kostbare militaire operaties.’ In het cafeetje van zijn tante spreekt Sserufusa constant in de verleden tijd: het arme leven heeft hij nu echt achter zich gelaten. Maar in werkelijkheid is er nog niets veranderd: hij woont nog steeds in het krot achter het café, hij krijgt nog steeds zijn bananen van anderen en een net jasje heeft hij nog immer niet. De fiets heeft hij aan zijn kinderen gegeven, op het moment drinkt hij vooral bier. Totdat de auto verkocht is. Sserufusa: 'Mijn zoon heeft een rijbewijs en verstand van auto’s. Hij probeert nu mijn Freelander te verkopen, voor 55 miljoen. Dagelijks gaat hij naar Kampala. Misschien dat een van die corrupte ambtenaren wel geld genoeg heeft om mijn auto te kopen.’ Vooralsnog staat de wagen op een 'heel geheime plaats’ ergens in Entebbe: er mag geen krasje op komen. Twee keer per dag, ’s ochtends en ’s avonds voor het slapen gaan, kijkt Sserufusa hoe het met de auto is. Of alles nog veilig is. Hij bewondert zijn trofee en wandelt dan naar de bar van tante waar zijn vrienden hem weer op bier trakteren. 'Als ik het geld heb gaat er hier een hoop veranderen: ik zal hier in Kitoro een huis laten bouwen waar ik met allebei mijn vrouwen en al mijn kinderen in kan wonen. Ook wil ik mijn rijbewijs gaan halen en dan een klein transportautootje kopen. Ik moet alle bananen van Kitoro in de toekomst in de stad kunnen bezorgen’, glimlacht hij met rode oogjes, veroorzaakt door de derde Bell van deze ochtend. OP DE HOEK van het straatje waar Sserufusa woont staat een groepje gemotoriseerde boda-boda’s klaar om nieuwe passagiers mee te nemen. Maar het is weer zo'n dag met slecht weer, dus de inwoners van Entebbe gaan liever lopen of met het taxibusje. 'Can we go?’ zijn de enige woorden Engels die de boda-boda’s de hele dag in koor roepen. Allemaal wonen ze in beroerde huisjes, allemaal moeten ze van hooguit één dollar per dag rondkomen. Maar met Daudi Sserufusa in de nabijheid kan hun niks overkomen. Althans, dat zegt Sserufusa zelf.