In de ban van het ding

‘Vederlicht, soms tot vervelens toe, rijgen de anekdotes en vraagstukken zich aaneen.’ Met een pluizig bolletje rekt Hanna Bervoets wederom de grenzen van de literatuur op en weet uiteindelijk te ontroeren.

Wat zoeken mensen bij elkaar? Wat is verliefdheid? Valt aantrekkingskracht te sturen? Het zijn de vragen die centraal staan in de nieuwe roman van Hanna Bervoets, de schrijfster die het inmiddels tot haar kunst mag rekenen dat ze als een literair laborante experimenten uithaalt met haar personages. Eerder sloot ze mensen bij elkaar op (Alles wat er was), vond ze een pil uit waarmee verliefden kunnen worden genezen (Efter), en liet ze voor de goede zaak apen met mensen kruisen (Ivanov). Altijd is de ondertoon grenzeloos nieuwsgierig, en het oppervlak glad, en transparant, ook al is ze bedreven in het fragmentarisch of verbrokkeld verstrekken van informatie. Als Bervoets íets lijkt te willen bewerkstelligen met haar literatuur is het het kantelen van een geijkt wereldbeeld. En dat doet ze op een vreemd niet-literaire manier nogal duidelijk. Wat je ook zou kunnen zeggen is dat ze de grenzen van de literatuur oprekt. Zo las ik nog niet eerder een roman die wordt voorafgegaan door een leesaanwijzing van de schrijver.

Medium hanna bervoets

‘Was de liefde een dierenrijk, dan was genegenheid een van haar meest intrigerende soorten’, schrijft ze op de binnenflap van haar boek. ‘Fuzzie gaat over die genegenheid. Wat is affectie, hoe ontstaat het, waarom hebben we het nodig?’ Ze filosofeert nog even door over het begrip wederkerigheid, en projectie. Dat de mens beter is in missen dan in houden van. Dat het erom lijkt te gaan om ons reservoir van genegenheid te kunnen projecteren in iemand, of iets. En of de consequentie hiervan dan niet zou zijn dat we toekunnen met een pluizig, wit bolletje als liefdespartner. ‘Dat wil ik met dit boek uitzoeken.’

Hiertoe staat in het eerste hoofdstuk de postbode bij Maisie op de stoep. Hij brengt haar een doos met daarin een klein, pluizig bolletje. Afzender onbekend. De namen van mogelijke gulle gevers gaan door Maisie’s hoofd. Bovenaan die van Florence, met wie ze kennelijk net een ongelukkige liefdesrelatie achter de rug heeft. Opeens blijkt het ding te kunnen praten, laat het weten blij te zijn door Maisie gekozen te zijn.

En zo vergaat het in het vervolg van het boek meer personages. Daar is Florence zelf, ‘product designer’, en uit dien hoofde waarschijnlijk de genius achter de pratende bolletjes. Zij probeert haar liefdesverdriet om Maisie te dempen met andere meisjes, maar dat lukt haar niet bepaald. En er is Stephan, ook al niet echt gelukkig in de liefde, op zoek naar hogere doelen. Een pluizig bolletje valt uit de broekzak van zijn geliefde, die de nacht heeft doorgebracht bij Florence. Diek is zijn vrouw verloren en is sindsdien een fervent internetdater. Zo gauw een van die nieuwe vrouwen serieus werk van hem dreigt te maken, krijgt hij het benauwd en haakt af. Diek zelf is overigens niet de eigenaar van een pluizig bolletje. Deze bevindt zich in de bek van zijn hond Maxie, en heeft op die manier toch een indirecte werking op hem. En zo komen er via-via nog wat ‘slachtoffers’ in zicht, types die om een of andere reden wel een zetje kunnen gebruiken.

Fuzzie is een parabel, of een sprookje. In ieder geval een verhaal met een begin en een einde, ten dienste van een moraal. Het pluizige bolletje heeft een betoverende werking: het stelt de juiste vragen op het juiste moment, het maakt mensen ontvankelijk, van zichzelf bewust, het zet ze op een spoor. Op enig moment verwijst Bervoets naar de boodschappen die een zeker theemerk vermeldt op de labels van haar theezakjes. ‘Voor wie te veel verlangt is teleurstelling een tweede natuur’, zou er bijvoorbeeld een keer op zo’n label hebben gestaan. ‘En het zal best hoor, het zal allemaal best, maar wie nooit meer teleurgesteld wil raken moet in de eerste plaats misschien geen veel te dure theezakjes meer aanschaffen, vond Maisie.’

Het is grappig om dit te vermelden, en ook een manier om kritiek voor te zijn, want de richtlijnen die het bolletje geeft zouden ook zomaar bij zo’n duur theezakje passen. Wat dat betreft voelt alles wat Bervoets in deze roman te berde brengt heel nabij. Oké, zo’n pratend bolletje is vreemd, en in principe ondenkbaar, maar hier wordt het ondenkbare zonder veel gedoe heel normaal gemaakt. En dat is knap.

Er is wel meer aan deze roman wat ik knap vind, en daarmee ook een beetje clean. Kunstig. Zoals Bervoets haar wezens (mens en dier) afhankelijk maakt van een artefact doet denken aan het angstwekkende visioen dat Spike Jonze schetst in zijn film Her. De uitwerking is weliswaar minder radicaal – in Her is de kunstmatige liefde allesvervullend, in Fuzzie worden de mensen er juist toe opgewekt de liefde in de echte wereld te vinden – maar het uitgangspunt van de eenzame ziel die om welke reden dan ook niet in staat is contact te maken met zijn omgeving is vergelijkbaar.

De belangrijkste verhaallijn in de roman is die van de beëindigde relatie tussen Maisie en Florence. Als de roman begint is die relatie al over, en gedurende het verloop van het verhaal wordt ietsje meer duidelijk van het hoe en waarom. Wat vooral duidelijk wordt, is dat Maisie haar leven door leeft waar Florence is blijven hangen in liefdesverdriet. De suggestie is dat het pluizige gevalletje in honderdvoud is gemaakt door Florence, en dat het feit dat Maisie er eentje op zak draagt haar manipuleerbaar maakt.

‘Je achterhoofd licht op, de felheid van het schijnsel verraadt in welke mate je geliefd wordt’

‘Hé kleine, ben je daar weer?’ zegt het, als Florence weer eens in het geheim aan de overkant van Maisie’s huis staat. En het zegt: ‘Ik heb je gemist.’

Florence vraagt zich af of Maisie nu ook haar bolletje bij haar oor houdt, probeert zich voor te stellen wat ze hoort wanneer ze dit hoort, welke zinnen ze goed vindt, welke woorden ze zelf niet had gekozen, wanneer ze moet glimlachen en wanneer ze verbaasd is, of verrast.

‘Maisie, kleine, mooie Maisie in haar net te grote pyjamabroek, midden in de woonkamer: met haar ene hand houdt ze haar broek op, in haar andere hand ligt het bolletje, ze houdt het zo dichtbij dat zijn zachte haartjes haar wang raken. Kun je iemand missen die je nooit meer zult zien, vraagt het. Of is het missen dan geen missen maar rouwverwerking? En Maisie sluit haar ogen zoals Florence gedaan heeft. En ze luistert, ze luisteren samen, tegelijkertijd, ieder op hun eigen plek luisteren ze stilletjes naar wat het bolletje zegt: laat me je een verhaal vertellen.’

En inderdaad: aan de andere kant van de lijn luistert Maisie naar een All You Need Is Love-achtige geschiedenis van geliefden die alleen maar op afstand van elkaar blijken te kunnen houden, en wordt alleen al rustig van het geluid dat het bolletje voortbrengt, ‘het doet haar hartslag vertragen, maakt dat ze kan slapen: er is iemand bij haar’.

De raamvertelling van de ongelukkige liefdesrelatie genereert via het levenswijze bolletje allerlei minigeschiedenissen en kleine overpeinzingen. Over het principe van wederkerigheid bijvoorbeeld (‘Is dat niet wat iedereen wil: het geluk brengen in plaats van het zitten opwachten?’), en over de hoogmoed van de kleine zeemeermin, in het gelijknamige sprookje van Andersen. ‘Toen de prins achter haar aanzat, waande ze zich even een mythisch zeewezen…’ En ook opent het speelse visioenen, bijvoorbeeld op de zichtbaarheid van liefde. ‘Je achterhoofd licht op, de felheid van het schijnsel verraadt in welke mate je geliefd wordt.’

Vederlicht, soms tot vervelens toe, rijgen de anekdotes en vraagstukken zich aaneen, bijeengehouden door die vragende stem van het pluizige gevalletje. ‘Je bent wie anderen zien, behalve wanneer je alleen bent, dan moet je zelf bepalen of je een jongen of man, een meisje of vrouw bent – is dat waarom je graag in je eentje bent?’ Pijnlijker wordt het tegen de tijd dat Florence zich niet langer kan beheersen en een hereniging met de echte Maisie afdwingt. Het is ook de pijnlijkheid die Fuzzie inmiddels goed kan gebruiken. Twee ex-geliefden tegenover elkaar, met een tafel ertussen. ‘Hoe is het nou echt met je?’

Of een schrijver echt iets kan uitzoeken door een roman te schrijven, is een valide vraag op zich. Bervoets’ verteltoon is helder, in zijn onderzoekendheid altijd monter, en in zijn onverwoestbaarheid soms een beetje saai. Pas tegen het einde van haar roman werd mij gewaar wat ik had gelezen, en raakte ik alsnog, met terugwerkende kracht, ontroerd. Zowel vanwege het feit dat er zoveel omtrekkende bewegingen waren gemaakt, als vanwege datgene waar die op af waren gestevend. Het bolletje raakt uitgewerkt, de schrijfster moet het overnemen.

‘Dus daar sta je dan, met je liefde onder de arm.

En daar staat de ander, met haar liefde onder de arm.’

Hoe je het ook wendt of keert in de liefde, op een dag komt het erop aan. Om in de vragende sfeer van Fuzzie te blijven: kun je zoveel van iemand houden dat je haar, of hem, een nieuwe liefde gunt? Daar schrijft Bervoets mooie dingen over.