Jeroen Olyslaegers, Winst

In de beeldschermwereld

Meer dan tien jaar terug lanceerde de Britse criticus James Wood de term ‘hysterisch realisme’, over het uitzinnige proza van auteurs als Zadie Smith, Salman Rushdie en Don Delillo die in hun ambitieuze romans, overvloedig met plot, detail, informatie en spanning, de hele ­socio­logische, economische, culturele wereld in alle ­onwaarschijnlijkheden aan elkaar schreven.

Medium 9789085423690

Romans, volgens Wood, die je duizend dingen vertelden over de wereld, maar niets over het leven; romans die zoveel vertellen omdat de auteurs eigenlijk niets wezenlijks te melden hebben. Ze gebruiken hun literatuur niet om de wereld te tonen, maar om die te verbloemen.

Ik moest hieraan denken bij het lezen van Winst, de nieuwe roman van de Vlaamse schrijver Jeroen Olyslaegers. Niet dat Olyslaegers aan de criteria van Wood voldoet, maar ergens sluit het aan. Op de achterflap wordt gezegd dat Winst deel uitmaakt ‘van een drieluik over onze ontspoorde tijd’. En inderdaad, in de roman probeert Olyslaegers duizend-en-één dingen over onze tijd (‘onze ontspoorde tijd’) te zeggen, over privacy, of sociale media, over realiteit en zelfbedrog, maar het enige waar het uiteindelijk iets echts over zegt is over zichzelf. Olyslaegers lijkt niet zo zeer geïnteresseerd in onze tijd, alleen in de ontsporing daarvan. Niet literatuur, maar cynisme als uitvlucht.

Dat cynisme zit ’m in de terzijdes, de adjectieven, de observaties van de auteur, hier vertegenwoordigd door hoofdpersonage Donald. Donald is kunstmakelaar, die gevraagd wordt de kunstenaars die hij jaren terug zonder heel veel succes propagandeerde, ‘De Netwerkgeneratie’, opnieuw in te zetten voor een tentoonstelling in Berlijn. Mede mogelijk gemaakt door de Visa Gold Card van de schimmige diamantair Pluim, die met de tentoonstelling Europa wil wakker schudden. Hoewel de roman genoeg menselijke, romantische momenten kent, lijkt het vaak enkel een vehikel voor Olyslaegers om een wereldbeeld kwijt te kunnen. En Donald is daar een lekker vehikel voor, kunstzinnig genoeg om intellectueel te doen, commercieel genoeg om met illusies korte metten te maken.

Winst is geschreven in de opgejaagde, stoere, aforistische stijl die eerder past bij een reclamebobo dan bij een kunsthandelaar – al moet gezegd worden dat voor Donald die twee beroepen eigenlijk inwisselbaar zijn. Beiden verkopen illusies. ‘De echte vijand is zelfbedrog. De enige remedie is zelfkennis.’ Het is de taal van iemand die zichzelf overschreeuwt, die veel lijkt te willen zeggen, maar uiteindelijk de diepgang mist; iets wat erg goed bij Donald past. Maar toch krijg je het idee dat Olyslaegers die stijl heeft geïnternaliseerd en ook toepast wanneer dat niet hoeft, of niet moet. Hij blijft overschreeuwen. Het zijn zinnen als ‘De net afgewerkte pakken hangen als beloftes op succes om ons heen’ die aanvankelijk cool klinken, zelfvoldaan, wereldwijs, maar enig kritisch nadenken nauwelijks doorstaan. Want, zoals Olyslaegers nota bene een paar zinnen verderop opmerkt als hij een op maat gemaakt pak met een harnas of afschrikmiddel vergelijkt, een goed pak hangt niet. Een slecht pak hangt. Van een goed pak ga je rechterop lopen, een goed pak heeft rechte, ongekreukte lijnen; de belofte van succes is een aureool, zacht en ondefinieerbaar. (Grappig om te bedenken dat die zin andersom wel zou werken: ‘De belofte van succes hangt als net afgewerkt pak om ons heen’ – omdat je dan iets concreets (een nieuw pak) gebruikt om iets te zeggen over iets abstracts (de belofte van succes); je maakt van iets vaags iets beeldends; nu maak je van iets beeldends iets vaags.)

Maar de aandrijvende kracht van Winst is niet de stijl, maar de niet-aflatende harde opmerkingen, en het fijne van een boek als Winst is dat het je uitdaagt je eigen ideeën daar tegenover te stellen. Donald emmert veel over Het Netwerk (het niet bij naam genoemde Facebook), dat hij als kunsthandelaar als geen ander weet te bespelen. Hij heeft duizenden volgers; als hij een foto van een broodje kip plaatst vinden 875 mensen dit binnen een uur ‘leuk’. Olyslaegers schrijft: ‘Hier leek iedereen geëngageerd, iedereen op zijn hoede of minstens begaan. Maar nooit stolde die woede tot een protestbeweging buiten de ontelbare bits en bytes in dat ontelbare aantal laptops.’ Goed punt. Mee eens. Maar dan noemt hij het elders ‘een beeldschermwereld die geschapen was door een multinational en misbruikt door veiligheidsdiensten en andere multinationals’ – waardoor je denkt, Facebook werd toch niet geschapen door een multinational, maar door een paar studentjes met een laptop; het werd pas later een multinational omdat alle miljard gebruikers rond de wereld dat wilden, ervan profiteerden – is Facebook niet letterlijk een empire by invitation? En is het ‘misbruik’ dat veiligheidsdiensten daar op hun beurt van profiteren, of komt dat gewoon doordat 99 procent van de gebruikers te lui is om hun veiligheidsinstellingen aan te passen?

Zijn zulke opmerkingen oprecht cynisme, of lui gedacht cynisme? Is het een overtuiging of een literair maniertje? En moet je deze vragen over Donald stellen, of over Olyslaegers?