In de boheemse wouden

Josef Holub, De rode Nepomuk. Vertaald door Ingeborg Lesener, uitg. Gottmer, 184 blz., 324,90
De rode Nepomuk van de hier onbekende Duitse auteur Josef Holub speelt zich af in Bohemen. Het is 1939 en qua ingewikkeldheid doet de samenleving er denken aan die in voormalig Joegoslavië. Er is een grote Duitse bevolkingsgroep die op gespannen voet leeft met de Tsjechen, en Hitler en de zijnen dringen op vanuit Beieren. Het wordt steeds moeilijker te weten aan welke kant je collega’s en buren morgen zullen staan en wie je nog kunt vertrouwen.

Tegen deze achtergrond wordt het beeld opgeroepen van een intense, maar kortstondige, vriendschap. De verteller Jozef is twaalf jaar en Duitser, zijn hartsvriend is Tsjech. In de uitgestrekte Boheemse wouden sluiten ze zich af voor de grimmige realiteit van zich in steeds vijandiger kampen terugtrekkende volwassenen. Ze leven zich uit in kinderspel en kwajongensstreken, banjeren door de rivier en laten de ene lome dag na de andere door hun vingers glippen: ‘We mogen God wel dankbaar zijn dat Hij aan vakantie heeft gedacht en dat Hij die niet in november laat vallen, maar in de fijnste tijd van de zomer.’
Met het verstrijken van de vakantie echter dringt langzaam maar zeker de buitenwereld dit volmaakte jongensbestaan binnen. Het tweetal vindt een door nazi-onruststokers gestolen machinegeweer, dat de volwassen gemoederen zeer verhit. De verdrijving uit het paradijs is even onafwendbaar als de totale 'bekering’ tot Hitler. Het wordt de vrienden onmogelijk gemaakt elkaar nog te zien, maar Jozef houdt zijn hoop gevestigd op het standbeeld van Nepomuk, de heilige die een zomer lang over zijn geluk waakte. Het is prachtig hoe de auteur de restanten magisch denken van de hoofdpersoon verbindt met het katholieke geloof, dat op zijn beurt weer gekleurd is door bijgeloof, wortelend in de alom aanwezige natuur.
Ook voor de structurering van het verhaal speelt de natuur een belangrijke rol. Het ontrolt zich strikt chronologisch tussen het smelten van het ijs in de rivier (schotsje springen) en de eerste vorst, en als lezer zie en ruik je alles wat er in de loop der seizoenen in knop en bloei staat. Het oog voor de natuur past bij het levensritme van de vooroorlogse plattelandsgemeenschap en bij de vriendschapsidylle die vooral bij de gratie van het buiten zijn bestaat. Als moderne jeugdboekenlezer verwacht je min of meer enige homo-erotische activiteit of minstens de suggestie daarvan, maar er is alleen sprake van sensualiteit in het beleven van water, zon, hollen, stoeien en dolle pret. 'Wat een hallelujadag!’, vat Jozef het bondig samen.
De rode Nepomuk is zorgvuldig en met gevoel voor humor geschreven. Het verhaal biedt een mooie afwisseling van spanning via de toenemende oorlogsdreiging en rust in de beschrijving van een landelijke, voorbije samenleving. Een toelichting op de historische situatie was niet overbodig geweest. Nu krijg je via de personages af en toe een flard informatie. Literair is dat knap gedaan, maar voor jeugdige lezers van nu lijkt het me onvoldoende, met het risico dat ze afhaken.