De inhaalspurt van eerstegeneratiestudenten

In de buitenbaan

Studenten wier ouders zelf niet naar de hogeschool of universiteit gingen, hebben het vaak zwaarder dan studenten uit een academisch nest. Een achterstand, een lager zelfbeeld, een loyaliteitsconflict met thuis. Hoe kunnen opleidingen hun tegemoetkomen?

‘Weet je wat het is: ik wil m’n ouders niet beledigen.’ Pim zit in de woonkamer van zijn Utrechtse studentenhuis, een glas water staat voor hem op tafel. ‘Ik denk er weleens over na: hoe zou het zijn geweest als m’n ouders wél een opleiding hadden afgerond? Hoe anders zou mijn leven dan zijn geweest?’ Hij neemt een slok, aarzelt even: ‘Over zo’n gedachte voel ik me vervolgens schuldig. En je hebt er helemaal niets aan.’

Pim (29) is een ‘eerstegeneratiestudent’ – zijn ouders hebben niet gestudeerd aan een hogeschool of universiteit. Ze zijn na de middelbare school direct gaan werken, zoals dat in hun Brabantse dorp de gewoonte was. ‘Toen ik na de middelbare wel ging studeren, werd dat in mijn omgeving vreemd gevonden. Ik was het buitenbeentje van de familie, ooms en tantes noemden mij “de professor”. Ze hadden geen idee wat ik deed. Leg het maar eens uit aan iemand die alleen de lagere technische school heeft gedaan.’

Als student informatiekunde moet Pim veel zelf zien te ontdekken. Hij wordt lid van een studentenvereniging en gaat op kamers. In de eerste maanden komt hij nauwelijks meer bij zijn ouders over de vloer. ‘We kwamen steeds verder van elkaar af te staan. Hun wereld is zo anders geworden dan die van mij.’ De spaarzame keren dat hij bij zijn ouders thuis is, stokt het gesprek al snel. ‘Waar moet je het over hebben, als alle beleefdheden zijn uitgewisseld?’

Als de vereniging een ouderdag organiseert, zorgt Pim ervoor dat zijn eigen ouders daar niet bij zijn. ‘Dat is niets voor hen. Ik wilde voorkomen dat m’n ouders op hun tenen moesten lopen. Dat zou voor niemand leuk zijn. Ook niet voor mezelf.’

Net als meer eerstegeneratiestudenten kampt Pim met psychosociale problemen. Hij gaat naar een psycholoog om zijn ‘ontwijkende persoonlijkheidsstoornis’ te verhelpen. Overgevoeligheid voor afwijzing of kritiek, een laag zelfbeeld, verlegenheid of bang zijn voor sociale situaties, wantrouwen naar andere mensen, gevoelens van minderwaardigheid – de opsomming is lang en indringend, al is hij er zelf stoïcijns onder. Of de problemen door de relatie met zijn ouders zijn ontstaan, daaraan twijfelt hij niet. ‘Ik vertel mijn ouders niet waar ik het met mijn psycholoog over heb. Dan weten zij ook wel waar die problemen vandaan komen.’

Luister naar De Groene
In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Damy Baumhöer over de achterstand van eerstegeneratiestudenten en andere problemen waar ze tegenaan lopen.
Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

In de literatuur is de underdogpositie van de eerstegeneratiestudent een bekend thema. Zo concentreert De tandeloze tijd, de romancyclus van A.F.Th. van der Heijden, zich rond het leven van Albert Egberts, net als Van der Heijden zelf een arbeiderszoon die in Geldrop opgroeit, studeert in Nijmegen en uiteindelijk in de grote stad terechtkomt. ‘Waar was iemand zijn hele leven mee bezig? Schuld te ontkennen, zich de schande van het lijf te wassen’, schrijft Van der Heijden in het eerste deel, Vallende ouders (1983). ‘Maar in wezen vocht iedereen tegen de schande die het leven sowieso aankleefde.’ Het hoofdpersonage leidt een bestaan van vallen en opstaan, lichtte Van der Heijden toe in Het marathoninterview van de vpro. ‘Albert Egberts is een working class hero.’

Lange tijd bleek het Nederlandse onderwijssysteem niet in staat arbeiderskinderen gelijke kansen te bieden. Ze stopten vaak voortijdig met school om op jonge leeftijd te gaan werken, terwijl kinderen van hoger opgeleide ouders na de hbs of het gymnasium naar de universiteit trokken. Negen keer is geprobeerd het onderwijssysteem te hervormen en negen keer sneuvelde de poging voortijdig. De invoering van de Mammoetwet in 1968 moest de verspilling van talent voorkomen door het onderwijs flexibeler te maken en de leerplichtleeftijd te verhogen. Mulo en hbs maakten plaats voor mavo, havo en vwo; overstappen van het ene naar het andere niveau werd makkelijker. De democratisering van het onderwijs moest ervoor zorgen dat ook de slagerszoon of -dochter naar de universiteit kon. En dat werkte: het totale studentenaantal verdrievoudigde ten opzichte van de decennia ervoor.

Jan Brands tekent in Die hoeft nooit meer iets te leren (1992) de moeilijkheden op waar eerstegeneratiestudenten van toen tegenaan liepen. ‘Kinderen die laaggeschoolde ouders hebben en doorleren, zetten een opmerkelijke stap’, schrijft Brands. ‘Zij stijgen weliswaar op de maatschappelijke ladder, maar ontstijgen daarmee tegelijkertijd hun ouderlijk milieu.’ Brands stelt: ‘Hun leven wordt getekend door een wereld van verschil.’

Vandaag de dag is naar schatting vier op de tien Nederlandse studenten pionier in het hoger onderwijs, ongeveer driehonderdduizend in getal. Het percentage eerstegeneratiestudenten neemt af, omdat steeds minder mensen laagopgeleid zijn, concludeert ResearchNed in opdracht van het ministerie van Onderwijs. De problemen waar eerstegeneratiestudenten tegenaan lopen zijn in de afgelopen decennia niet veel veranderd en kennen vele gezichten; het gevoel er alleen voor te staan, een moeizame band met de ouders en faalangst komen geregeld voor. Eerstegeneratiestudenten kennen de universitaire conventies minder goed en vragen zich af of ze in het hoger onderwijs wel op hun plek zijn. Dat is niet zonder reden: economisch vakblad ESB berekende dat de kans om naar de havo of het vwo te gaan voor kinderen van lager of niet opgeleide ouders rond de 25 procent blijft steken, net iets hoger dan eind jaren zestig, ten tijde van de invoering van de Mammoetwet. Kinderen van hoger opgeleide ouders hebben nog steeds een kans van zo’n zeventig procent op een havo- of vwo-vervolg.

Gericht beleid om eerstegeneratiestudenten te ondersteunen bleef lang uit, terwijl minister Ingrid van Engelshoven vorig jaar nog in een brief aan de Tweede Kamer schreef dat aandacht voor studentenwelzijn ‘een belangrijke voorwaarde is voor een succesvol studieverloop en een essentiële waarde voor inclusief hoger onderwijs’. Zeker na de invoering van het bindend studieadvies en het leenstelsel – maatregelen die eerstegeneratiestudenten extra hard raken – lijkt dat van groot belang. Er is meer nodig om de hogeschool en universiteit ook voor eerstegeneratiestudenten toegankelijk te maken. Maar wat?

‘Ik ben bang om dom over te komen’, zegt geneeskundestudent Lisette (22) in de Universiteitsbibliotheek van Leiden. ‘Dat ik een vraag stel over iets wat voor andere studenten logisch is.’ Ze kijkt op tegen haar docenten, zegt ze, in werkgroepdiscussies blijft ze liever stil. ‘Ik ben als enige van mijn hele familie gaan studeren. Hoe is dat mogelijk?’ Lisette heeft last van het imposter syndrome, het bedriegerssyndroom; ze vreest door de mand te vallen, ‘dat iemand op een gegeven moment zegt: nu is het genoeg geweest, je bent niet goed genoeg voor een wetenschappelijke opleiding. De gedachte spookt door m’n hoofd – ooit zal blijken dat ik hier helemaal niet hoor.’

‘Ik heb weinig met die studentikoze types’, zegt Amna. ‘Ik ben het enige hoofddoekje, om het zo te zeggen. Dan voel ik me niet op m’n plek’

Lisette groeide op in een Zeeuws dorp en vertrok na de middelbare school naar Leiden. Vanwege de reistijd, maar vooral om het ouderlijk huis te kunnen verlaten. Haar ouders zijn streng gereformeerd; zij heeft zich juist bij de kerk uitgeschreven. ‘Het geloof voelt verkeerd. Iets als een erfzonde, dat ging er bij mij niet meer in.’ Aan het begin van haar studie kende Lisette veel onzekerheden. ‘Over de omgang met docenten en hoogleraren, over hoe je moet studeren, hoe een studentenleven eruitziet. Ik wist van niets.’ Bij haar ouders kan ze niet terecht. Ze wisten tot vorig jaar niet wat het verschil was tussen een bachelor en een master. ‘Dat heb ik ze pas kunnen uitleggen toen ik m’n diploma kreeg’, zegt Lisette wat beschaamd.

Ze probeert nog een keer per maand naar ze toe te gaan, al gaat dat niet van harte. ‘Ik merk dat ik niet goed met ze kan praten. Ik heb het idee dat ik dan pretentieus overkom, maar ik wil niet dat ze denken dat ik me slimmer of beter waan. Je moet constant balanceren. Voer dan nog maar eens een goed gesprek.’

We hebben lange tijd voor deze problemen weggekeken, zegt sociaal pedagoog Mick Matthys, die in 2010 promoveerde op de problematiek van eerstegeneratiestudenten. ‘En dat is misschien ook wel logisch, want je ziet aan de buitenkant niet wat iemands verhaal is.’ Toch hebben deze studenten stuk voor stuk van ver moeten komen. Ze hebben zich van hun ouders moeten ontworstelen, zegt Matthys. ‘Dan krijg je te maken met een loyaliteitsconflict: ben ik loyaal aan mijn ouders of aan mijn nieuwe omgeving? Dat is een lastige positie.’ Zelf is hij ook een ‘sociale stijger’; zijn vader was stratenmaker. Het leverde gefronste wenkbrauwen op toen hij in het Vlaamse Leuven sociale pedagogiek wilde studeren. Dokter of advocaat is een beroep, maar wat levert sociale pedagogiek op? vroegen Matthys’ ouders zich af. Daardoor kiezen eerstegeneratiestudenten vaker voor ‘succesopleidingen’ als rechten, geneeskunde of bedrijfskunde en opteren ze minder vaak voor studies met selectie, legt Matthys uit.

Ze dragen het milieu waarin ze zijn opgegroeid altijd met zich mee, ook als ze na hun studie gaan werken; het arbeidsethos van hun ouders, maar ook wantrouwen ten opzichte van leidinggevenden en de neiging zichzelf weg te cijferen ten faveure van collega’s. ‘Eerstegeneratiestudenten stappen minder snel naar voren’, zegt Matthys. ‘De achterstand die ze hebben, blijft altijd een rol spelen.’

‘Kijk’, zegt studente Amna Mirza op een koude winterdag. ‘Daar ging ik naar de middelbare school. Je bent er zo.’ Ze loopt over het plein van de Vrije Universiteit (VU) in het Amsterdamse Buitenveldert. Amna (21) woont hier in de buurt, bij haar ouders, die vanuit Pakistan naar Nederland zijn geëmigreerd. ‘Toen ik ging studeren wilde ik dicht bij huis blijven. Dat vonden m’n ouders ook fijn, dan kon ik gewoon thuis blijven wonen.’ Amna wil haar ouders trots maken, ‘iets voor ze terugdoen’. ‘Ik vind het belangrijk om in een rechte lijn omhoog te gaan.’ Ze trekt de lijn met haar vinger in de lucht. ‘Dat ik een diploma haal en dat aan m’n ouders kan geven.’

Na vier jaar te hebben gestudeerd komt het bachelordiploma er nu echt aan. Een jaartje vertraging vinden haar ouders niet erg. ‘Ze vertrouwen erop dat ik m’n best doe’, zegt Amna. ‘Maar we hebben het zelden inhoudelijk over studie, stage of werk. Mijn ouders kúnnen me niet helpen, hoe graag ze ook zouden willen.’ Amna’s moeder spreekt nauwelijks Nederlands, haar vader beheerst het Nederlands wel, maar is als taxichauffeur niet goed toegerust om zijn dochter in de academische omgeving de weg te wijzen. Dat neemt niet weg, zegt Amna, dat haar ouders altijd voor haar klaarstaan. ‘Het is voor hen alleen lastiger om te begrijpen waar ik tegenaan loop. Hoe leg je aan je ouders uit dat het moeilijk is om een goed wetenschappelijk artikel te vinden? Op zulke momenten weet ik niet waar ik moet beginnen met uitleggen.’

Colleges thuis voorbereiden? Dat hadden haar ouders niet gezegd. ‘Anderen vonden dat heel normaal.’ Gedurende de eerste maanden van haar studie ging ze vooral met oud-klasgenoten van de middelbare school om. De meesten waren ook aan de VU gaan studeren en Amna voelde zich comfortabel in het gezelschap van andere eerstegeneratiestudenten. Later probeerde ze ook aansluiting te vinden bij andere studenten. Dat was niet makkelijk. ‘Ik heb weinig met van die studentikoze types. We verschillen enorm. In de kroeg hangen is bijvoorbeeld niets voor mij. Ik ben het enige hoofddoekje, om het zo te zeggen. Dan voel ik me niet op m’n plek.’

‘Eerstegeneratiestudenten met een migratieachtergrond zijn dubbel ondervertegenwoordigd’, vertelt Gusta Tavecchio. Ze promoveert dit voorjaar als pedagoog op inclusiviteitsprogramma’s van hoger-onderwijsinstellingen. Voor studenten met een migratieachtergrond geldt dat ze nog altijd minder goed in- en doorstromen in het Nederlandse onderwijssysteem. Ze hebben met extra complicaties te maken, bijvoorbeeld door discriminatie. Kinderen met een migratieachtergrond krijgen op de basisschool vaker een vmbo-advies dan witte Nederlandse kinderen, bleek in 2018 nog uit een oeso-rapport. Tavecchio: ‘De achterstand die studenten met een migratieachtergrond als nieuwkomer ervaren, komt boven op de belemmerende factoren die voor andere eerstegeneratiestudenten gelden.’

Tot voor kort wisten we niet precies hoe het met het studiesucces van eerstegeneratiestudenten is gesteld. ‘We hebben lang de veronderstelling gehad dat het voor de cijfers en slagingspercentages uitmaakt of je ouders gestudeerd hebben of niet, maar daar hebben we eerder geen empirisch onderzoek naar gedaan’, vertelt Maurice Crul, hoogleraar diversiteit en onderwijs aan de VU. In een nieuw enquêteonderzoek onder academische VU-studenten van Nederlandse afkomst zijn geen significante verschillen te zien tussen eerstegeneratiestudenten en studenten van wie de ouders wel naar de universiteit zijn gegaan. Crul benadrukt dat het hier alleen om studenten van Nederlandse afkomst gaat. ‘Binnen die groep presteren eerstegeneratiestudenten even goed als kinderen van hoger opgeleide ouders’, is zijn conclusie.

Hoe dat kan? ‘Eerstegeneratiestudenten lopen in de buitenbaan. Ze hebben het zélf voor elkaar gekregen’, is de uitleg van Mick Matthys. ‘Thuis heerst niet het intellectuele klimaat dat andere studenten wel kennen’, stelt Matthys. ‘Dat moeten ze compenseren.’

De Franse socioloog Pierre Bourdieu (1930-2002) schreef in zijn magnum opus La distinction (1979) al dat kinderen van hoger opgeleide ouders rond hun twintigste academisch beter onderlegd zijn dan studenten die niet de vruchten hebben kunnen plukken van een gestudeerd nest. Het ontbreekt de laatste groep aan het benodigde sociale, culturele en academische kapitaal om een goede start te kunnen maken aan de universiteit, redeneerde Bourdieu. ‘Ze moeten er harder voor werken’, legt Matthys uit. De problemen gaan volgens hem niet om cijfers, maar om gelijke kansen. Eerstegeneratiestudenten volgen bijvoorbeeld minder vaak een honours-programma dan studenten van hoger opgeleide ouders. Alleen naar studieresultaten kijken vindt hij een beperkte benadering.

Eerstegeneratiestudenten ervaren meer geldproblemen dan studenten met hoger opgeleide ouders. Ze lenen en hebben bijbanen

De respondenten die Matthys in zijn proefschrift Doorzetters (2010) portretteerde kijken veelal terug op een geslaagde carrière – in de politiek, als chirurg of als hoogleraar. Waar Bourdieu met zijn kapitaaltheorie heeft laten zien hoe het kan dat kinderen uit een arbeidersmilieu vaak in dezelfde sociaal-economische klasse blijven steken, ontwikkelde Matthys een theorie over sociale stijgers. Door specifieke persoonlijkheidskenmerken als doorzettings-, relativerings- en reflectievermogen in te zetten, kortweg identiteitskapitaal, kunnen studenten het tekort aan andere soorten kapitaal overbruggen, is de redenering. Identiteitskapitaal, een term die in de jaren negentig werd gemunt door de Canadese socioloog James E. Côté, is het ‘werkkapitaal van sociale stijgers’, zegt Matthys.

Volgens Crul hebben de gelijke studieprestaties met selectie te maken; de beste en meest gemotiveerde studenten blijven over. ‘Als je ouders niet hebben gestudeerd, heb je door meer hoepels moeten springen om überhaupt te mogen studeren. Veel andere kinderen uit een lager sociaal milieu zijn al afgevallen, terwijl gestudeerde ouders hun kinderen wel door het vwo heen slepen.’ Crul heeft de cijfers aan zijn zijde: op dit moment komt bijna de helft van de kinderen van lager of niet opgeleide ouders op het mbo terecht.

‘Ons systeem werkt ongelijkheid in de hand’, stelt Gusta Tavecchio. Arbeiderskinderen of kinderen met een migratieachtergrond hebben volgens haar al op de basisschool begeleiding nodig. ‘Niet iedereen heeft een mondige ouder die voor een havo- of vwo-advies zorgt. We bepalen op twaalfjarige leeftijd voor een groot deel de toekomst van onze kinderen.’ Als eerstegeneratiestudenten uiteindelijk hun academische bul behalen, bewijzen ze zich als echte overlevers, vindt Tavecchio. Het is zaak ze in het hoger onderwijs aan boord te houden. Want even goede prestaties of niet, het is belangrijk om studenten het gevoel te geven dat ze erbij horen. In het hoger onderwijs heerste lang de gedachte dat studenten hun tekortkomingen moesten zien weg te werken. ‘Maar’, zo zegt Tavecchio, ‘integratie komt van twee kanten: de onderwijsinstelling moet ervoor zorgen dat er een klimaat heerst waarin plek is voor álle studenten, niet alleen de studenten van wie de wieg op de juist plek heeft gestaan.’

Hoe the fuck vind ik geluk?! luidt de titel van Thijs Lindhouts keynote tijdens Tune In, het aansluitingsprogramma van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) dat afgelopen zomer voor het eerst plaatsvond. Het moet eerstegeneratiestudenten ‘een zachte landing’ geven, ‘een vliegende start’, vertelt Fiona Veraa, onderzoeker van het lectoraat kansrijke schoolloopbanen in een diverse stad. Ze kijkt de zaal rond. ‘Een tipje van de sluier: ons programma werkt.’

In de zaal op de achtste verdieping van het Kohnstammhuis in Amsterdam zitten voornamelijk mensen die beroepshalve geïnteresseerd zijn in de resultaten van het brugprogramma – docenten en beleidsmedewerkers van de hogeschool. Studenten zijn op één hand te tellen. Dat was afgelopen zomer anders, toen 65 aankomend eerstejaars deelnamen aan de eerste editie van Tune In. ‘Je kunt er in de zomervakantie ook voor kiezen naar het strand te gaan. Dat deden deze studenten niet’, zegt Veraa. ‘Daaruit blijkt hun ambitie. We spreken ze niet aan op hun tekortkomingen, maar op hun talenten, op wat zij kunnen bijdragen.’

In 2010 was de VU de eerste hoger-onderwijsinstelling die ervoor koos een aansluitingsprogramma voor eerstegeneratiestudenten te ontwerpen, eerst gefinancierd met eigen middelen, later met steun vanuit de overheid. De Rotterdamse Erasmus Universiteit volgde in 2013, de Universiteit Leiden in 2017. Gusta Tavecchio was betrokken bij de eerste editie van de VU Summer Course, later omgedoopt tot Better Prepared. ‘De studentenpopulatie van de VU is relatief gezien een stuk diverser dan van andere universiteiten. De urgentie was hier groter om iets met de problemen en uitdagingen van eerstegeneratiestudenten te doen.’ Tavecchio zag hoe er in de Verenigde Staten met aansluitingsprogramma’s werd gewerkt. Ze paste de inzichten uit Los Angeles en Las Vegas toe op Nederland en heeft inmiddels zeven keer zelf een brugprogramma georganiseerd.

‘Het gaat erom dat de onderwijsinstelling tegen de student zegt: jij bent hier op je plek, jij bent hier welkom’, zegt Tavecchio. De programma’s moeten studenten op een speelse, laagdrempelige wijze voorbereiden op de geschreven en ongeschreven normen en verwachtingen die in het hoger onderwijs gelden. Better Prepared werkt met narratieve pedagogiek – door verhalen van de ander leer je jezelf kennen, zo is de gedachte. ‘De studenten werken samen en leren zo van elkaar. Eerstegeneratiestudenten hebben vaak een totaal verschillende achtergrond, maar ze hebben wel gemeenschappelijke ervaringen.’

Deze programma’s werken, zegt Tavecchio. Het punt is dat lang niet alle studenten uit de doelgroep zich aanmelden. Amna, tijdens haar studie actief geworden als student-coach van Better Prepared, herkent dat probleem. Ze noemt de meerdaagse ‘heel inspirerend en nuttig’, maar toen ze in 2016 zelf ging studeren, deed ze er niet aan mee. Ze wist simpelweg niet dat het bestond. ‘Als student heb je zelf de verantwoordelijkheid om je in te schrijven. Het probleem is juist dat je de weg nog niet goed weet, ook niet waar je informatie over dit soort programma’s kunt krijgen.’ Tavecchio: ‘Het is lastig om gericht studenten aan te schrijven, omdat we niet weten wie eerstegeneratiestudent is en wie niet. De nieuwe privacywetgeving heeft dat nog moeilijker gemaakt.’ Het liefst zou Tavecchio zien dat alle studenten aan een brugprogramma meedoen, ongeacht hun achtergrond. ‘Zeker nu, na de invoering van het bindend studieadvies en het leenstelsel, zie je dat studenten een veel hogere prestatiedruk ervaren.’

Mick Matthys is bang dat eerstegeneratiestudenten wegblijven, uit angst voor een hoge lening. Zelf kreeg Matthys vroeger de hoogst mogelijke beurs, omdat het salaris van zijn vader zo laag was dat hij geen belasting hoefde te betalen. ‘Dat geld kregen wij toen vanuit de overtuiging dat je het later op een andere manier terugbetaalt, dat iedereen dezelfde kansen moet krijgen.’ Nu is dat anders. ‘Het is tegenwoordig een voorrecht om te studeren, dus moet je ervoor betalen. Eerstegeneratiestudenten moeten dan gaan lenen.’ En omdat hun ouders soms diep in de schulden zitten, zijn ze daar huiverig voor.

Eerstegeneratiestudenten ervaren meer geldproblemen dan studenten met hoger opgeleide ouders, schrijft ResearchNed in opdracht van het ministerie van ocw. Ze lenen vaker uit noodzaak en hebben vaker een bijbaan, omdat de bijdrage van de ouders in veel gevallen onvoldoende is om van rond te komen. Door de toegenomen prestatiedruk is snel afstuderen het devies. ‘Je mist veel als je je alleen op je studie focust’, waarschuwt Matthys.

Pim, Amna en Lisette hebben niet aan brugprogramma’s deelgenomen of op een andere manier hulp gekregen. Ze hebben zich op eigen houtje gered, ‘door hun identiteitskapitaal te ontwikkelen’, zoals Matthys zegt. Amna: ‘De term “eerstegeneratiestudent” klinkt direct alsof je met 3-0 achterstaat. Dat jij iets mist wat de ander wel heeft. Het feit dat ik alles zelf heb moeten doen, heeft me ook sterker gemaakt.’ Amna liep stage bij een grote bank en werkt nu bij een internationale accountants- en adviesorganisatie. ‘Het is fijn als je ouders advies geven, je kunnen helpen of dat je van huis uit een kritische blik meekrijgt. Het zelf ontdekken is niet alleen uitdagender, maar ook leerzamer.’

‘De hulp van de psycholoog doet me goed’, zegt Pim over zijn psychosociale problematiek. Hij weet er beter mee om te gaan en heeft na een succesvolle masterscriptie een vaste baan in de IT. ‘Ik ben nog steeds overgevoelig voor negatieve kritiek. Maar ik herken sombere gedachten vóórdat ze me kunnen raken. Ik kan ermee omgaan.’

‘Ik ben trots op de keuzes die ik heb gemaakt’, vertelt Lisette. ‘Op wat ik heb bereikt. Ik ben een echte streber, ik heb geleerd met tegenslagen om te gaan.’ Binnenkort begint ze met haar coschappen en ze volgt een honours-programma. ‘Ik heb er gewoon keihard voor moeten werken. Hard werken betaalt zich uiteindelijk uit.’


De namen van Pim en Lisette zijn gefingeerd. Hun echte namen zijn bij de redactiebekend