Corruptie in Spanje

In de gaten tiert het onkruid

‘Allemaal profiteurs, bedriegers.’ De Spanjaarden hebben het helemaal gehad met de politiek. De massale corruptie is echter kenmerkend voor een maatschappelijke orde die álle mensen mogelijkheden biedt om de regels te ontduiken.

Het is een uur of drie ’s middags, heet en druk, en ik zit in m’n eentje te eten op een pleintje in ‘ons’ stadje in de bergen ten noordwesten van Madrid. Het is midden in de feestweek en dus zijn er nog meer mensen dan gewoonlijk. Ik houd van deze sfeer. Geluiden die in de zinderende warmte elkaars echo spelen. De stemmen van kinderen, het gerinkel van glazen, woorden die als water over elkaar rollen. Alles weerklinkt in alles en de wijn die in de hitte op een lege maag razendsnel naar het hoofd stijgt, maakt het geheel tot een aangename eeuwigheid.

Te midden van de duizend woorden maken enkele zich los. Ik concentreer me erop. Een paar tafeltjes verderop zijn twee mannen met elkaar in gesprek geraakt. Omdat de twee voor hun conversatie heel wat meters moeten overbruggen, gaat het gesprek nog luidruchtiger dan gewoonlijk. Er is, afgezien van mij, niemand die het opvalt, ook al niet omdat er niets bijzonders wordt gezegd. Over waar ze vandaan komen, wat ze hier doen, over hun dorp dat de beste wijn, bloedworst, speenvarken heeft, over voetbal, het weer, en uiteindelijk, onvermijdelijk, de politiek. Deze laatste bestaat op dit moment uit slechts één thema. ‘Het zijn allemaal klootzakken’, luidt een van de zinnen die zich uit de echo losmaakt. ‘Ik stem niet meer, laat ze het maar in hun reet stoppen’ een andere. De naam Rajoy valt, zo ook die van Bárcenas. ‘Allemaal profiteurs, bedriegers.’

Het zijn woorden, zinnen en oordelen die in de zomer van 2013 in de een of andere variant overal in Spanje klinken. Zo verbleef ik enkele dagen in Valencia, in het midden van het land aan de Middellandse Zee-kust. Daar hoorde ik iets dergelijks vele malen. Idem dito in het noorden, in Galicië, in de omgeving van Ribadeo, waar ik eveneens een paar dagen verbleef. En nu dus in hartje oud-Castilië, omgeving Madrid. Het is een volstrekt onbetrouwbare steekproef maar ik steek mijn hand ervoor in het vuur dat dit het refrein is van de gesprekken in het Spanje van nu: de zaak-Bárcenas heeft het laatste restje vertrouwen van de bevolking in de politiek en dus ook in een eventuele oplossing van de crisis van die kant weggenomen; de chaos is compleet.

Een jaar was de crisis volgens mijn Spaanse vrienden, zowel de minder gestudeerde wandelvrienden uit ons stadje als de hooggeschoolde vrienden uit Madrid en omgeving, allemaal de schuld van Zapatero, de socialistische premier van de voorgaande regering. Rajoy, zijn opvolger, zou uit heel wat beter hout gesneden zijn en ondanks internationale en nationale tegenwind een uitweg weten te vinden. Dit jaar blijken de vrienden, zelfs degene die tot voor kort senator was van de partij van Rajoy, heel wat minder overtuigd. Niet dat ze dit zeggen, nee, ze doen al het mogelijke om het thema te vermijden en juist dat is veelzeggend. Want Rajoy en zijn Partido Popular zijn in de afgelopen maanden keihard op hun neus gegaan en mijn vrienden hebben, in ieder geval in mijn aanwezigheid, niet de kracht, de moed of de eerlijkheid dat te erkennen. Begrijpelijk, want met die erkenning blijft niets dan het besef dat het land een grote klerezooi is: Partido Popular, psoe (socialisten) en de rest, bestaande uit banken, bestuurders, koningshuis – het is allemaal één laken, één pak. Maar wie geeft zoiets toe, zeker tegenover een buitenstaander, een buitenlander, en iemand die altijd beweerd heeft dat de verschillen tussen de partijen gering zijn en dat de oplossing voor de problemen van het land op geheel ander niveau (dan dat van een premier of een partij) gezocht moeten worden. En dus wordt er in mijn aanwezigheid hardnekkig gezwegen en nog meer dan gewoonlijk gesproken over afleidingen als voetbal, eten, weer en vrouwen.

Toch valt het thema niet te vermijden. Half augustus is het dagelijks nieuws over de treinramp bij Santiago naar de achtergrond gedrongen en de zaak-Bárcenas opnieuw naar voren gekomen. Wie je ook spreekt, waar het gesprek ook over gaat, na enkele minuten komt het. Gisteravond nog, de overbuurvrouw, net als haar echtgenoot een mopperkont van klasse. Qué calor, wat een hitte, is het eerste dat ze roept als we elkaar op straat tegenkomen. Zij sleept een serie boodschappentassen uit de auto. De uitdrukking ‘qué calor’ betekent in Spanje niets anders dan goedenavond of -middag, kent als wintervariant qué frio (wat koud) en opent zo goed als elk gesprek. Zwaar? vraag ik, wijzend op de tassen. En dan begint het, ’t kost minstens tien minuten: dat het leven k is, dat ze veel te hard moet werken, dat… Troost je, werp ik ertussen, er zijn er velen die het nog veel slechter hebben, jullie hebben werk, gezondheid, een mooi huis en… Mag allemaal zo zijn, moppert de buurvrouw, maar er zijn er ook velen die het veel beter hebben en ons bestolen hebben, jarenlang. Neem nou…

Behalve bij ingewijden was de naam van Luis Bárcenas, voormalig penningmeester van de Partido Popular, tot enkele maanden geleden volstrekt onbekend. Hoewel hij in een sinds 2009 lopende corruptiezaak rond de partij, de zogenoemde Caso Gürtel, al vele malen gevallen was, duurde het tot januari van dit jaar dat hij opeens in het centrum van de aandacht kwam te staan. Reden? Bárcenas had maar liefst 22 (later bleek nog veel meer) miljoen euro naar Zwitserse rekeningen gesluisd. Spoedig hierop werd de boekhouding openbaar die de man sinds 1990 had bijgehouden, met daarop een lange reeks namen van politici en bestuurders met daarachter onduidelijke geldbedragen. Onder die namen waren ook die van voormalig Partido Popular-premier José Maria Aznar en die van zijn opvolger, de huidige premier Mariano Rajoy.

Rajoy ontkende vanzelfsprekend elke betrokkenheid. Dat lukte, met moeite weliswaar, tot begin vorige maand het origineel van de boekhouding opdook en de naam Rajoy ook daarop voorkwam. Eenmaal zo ver had deze geen andere keuze dan Bárcenas te laten vallen en, een klassieke maar doorzichtige strategie, te beweren dat hij bedrogen was. Vanaf dat moment kunnen zelfs de meest verstokte aanhangers van de centrum-rechtse Partido Popular niet anders dan hoofdschudden – of zwijgen. Zelfs als zou blijken dat de top niet werkelijk betrokken is en er, wat onwaarschijnlijk is, een aannemelijke verklaring zou zijn voor de vermelding van namen en bedragen op zo’n obscure lijst, dan nog valt onmogelijk te ontkennen dat politici en bestuurders van de partij op alle mogelijke manieren misbruik hebben gemaakt van hun macht. Want daarom gaat het, geen twijfel mogelijk: heimelijk en illegaal gebruik van publieke middelen voor private zaken, corruptie dus, en dat niet in één, tien of honderd maar in zovele gevallen dat het zelfs ingewijden duizelt. Feiten, namen en cijfers kunnen dan ook tot vervelens toe opgesomd worden – precies wat de media op dit moment doen. Overigens betreft die opsomming niet alleen de jaren waarin de Partido Popular het voor het zeggen had. De socialisten waren of zijn hoogstens een haar beter. Vandaar die steeds gehoorde verklaring: alle politici zijn tuig. Probleem opgelost.

Onzin natuurlijk. De massale corruptie in Spanje zegt niets over het karakter van politici, het zegt iets over een maatschappelijke orde die mensen mogelijkheden biedt die in een goed functionerende, moderne democratie niet geboden zouden mogen worden. En dergelijke mogelijkheden zijn er in Spanje te over. Het systeem kent zoveel gaten dat onkruid bloeit.

Een paar even onbetekenende als veelzeggende voorbeelden uit eigen koker. Toen wij het huis kochten waar ik dit schrijf, zomer 1999, wenste de verkoper een flink deel van het bedrag zwart te ontvangen. Dat had voor de verkoper een paar voordelen en voor onszelf één. De overdrachtsbelasting werd lager en de verkoper had als bijkomend voordeel dat hij minder – wat heet – plusvalía hoefde te betalen, belasting over de winst, en vermoedelijk ook dat de aanslag op zijn vermogen lager uitviel. Ongeveer een derde deel van de koopsom werd bij de notaris niet geregistreerd. Maar tot onze schrik ontvingen we ongeveer twee jaar na aankoop een schrijven van de Spaanse fiscus waarin stond dat zij het aankoopbedrag van het huis te laag vond en van mening was dat het werkelijke bedrag ongeveer een derde deel hoger moest zijn. Het geschatte bedrag, heel knap, was inderdaad precies de prijs die wij hadden betaald. Vandaar dat wij, evenals de verkoper overigens, een naheffing kregen van een paar duizend euro. Het officiële papier waarin dit meegedeeld werd, voorzien van handtekeningen, stempels, moeilijke woorden, wetsartikelverwijzingen en wat voor hoempa meer, werd besloten met de opmerking dat we binnen afzienbare tijd een rekening zouden ontvangen. Daarbij is het gebleven. Nooit meer iets van gehoord.

Voordat we dit huis kochten, hebben we twee keer eerder een huis in Spanje bezeten. Daarvoor werden in de loop van dertig jaar honderden spullen gekocht en tientallen mannen gecontracteerd. Bijna alle grotere transacties, van spullen of werk, gingen zwart. Zo gaat het ook nu nog. Zo hebben we twee weken geleden bij een nette garage een nieuwe accu gekocht. Ik wilde met pin betalen. Dat kan, werd gezegd, maar dan komt er wel btw bij en wordt het ding dus ongeveer een vijfde deel duurder. Met andere woorden: btw is uitzonderlijk, normaliter gaat het zonder. Ik heb geen idee hoe dat boekhoudkundig mogelijk is (zo’n ding wordt toch ingekocht?) maar het is zo. Wat doe je in zo’n geval? Je loopt even naar de automaat, pint en betaalt contant. Je bent, om de fraaie uitdrukking te gebruiken, een dief van je eigen portemonnee als je het niet doet.

Voorbeeld nummer drie. Een van onze beste Spaanse vrienden laat het graag breed hangen. Veel uit eten, verre reizen, mooie auto’s, snelle boot, goede wijn. Het kost me nogal eens moeite hem met gelijke munt terug te betalen en dat levert soms spanningen op, niet tussen hem en mij maar tussen mijn geliefde en mij. Zij vindt namelijk, terecht, dat onze traktaties minstens zo goed moeten zijn als die van onze vrienden. Maar gemakshalve gaat zij wel voorbij aan het feit dat onze vriend een eigen bedrijfje heeft, circa vijftien man in dienst, en over veel geld beschikt dat nergens geregistreerd staat, niet bestaat en alleen uitgegeven kan worden aan extra’s. Dergelijk geld bezitten wij niet. Meer nog: tenzij je in louche zaakjes doet bestaat het in Nederland (bijna) niet. In Spanje wel, overal, en niemand kijkt daarvan op. Een kleine, zij het onmogelijk te maken optelsom leert wat dit betekent: een zwart circuit van een onmogelijk in te schatten hoeveelheid geld; dat geld gaat rond en een onevenredig deel ervan belandt bij degenen die op de beste plekken zitten.

Laatste voorbeeld, van enigszins andere orde. Mijn uit Spanje afkomstige vrouw woont en werkt al zo’n twintig jaar in Nederland, maar verwierf niet lang voor haar migratie een vaste baan in de publieke sector. Zo’n baan verwerven is in Spanje een heel gedoe. Zelfs als het om een functie als schoonmaker gaat moet je examen doen. Gemakkelijk is zo’n examen niet. Want ook schoonmakers worden ondervraagd over de geschiedenis van het land, de grondwet, de politiek, de geografie – nog afgezien van de vereiste kennis over de chemische samenstelling van schoonmaakproducten. Geen wonder dat sollicitanten naar publieke functies in geval van succes de koning te rijk zijn en die functie als een bezit beschouwen. Dat is zij ook. Want heb je zo’n functie eenmaal verworven, dan is het bijna onmogelijk haar weer te verliezen. Ik geloof dat de wetgeving inmiddels veranderd is, maar tot voor kort ‘had’ mijn vrouw haar positie nog altijd. Zelfs na al die jaren kon zij elk moment terugkomen en haar baan opeisen. De Spaanse staat was dan verplicht haar binnen drie maanden opnieuw te plaatsen en degene die haar al die tijd (vijftien jaar!) ‘vervangen’ had, te ontslaan.

Wat in Spanje mogelijk en tot op grote hoogte zelfs gewoon is, is bij ons ondenkbaar. Dat komt niet alleen doordat er in Nederland meer en beter gecontroleerd wordt, het komt ook doordat het concept van een publieke functie anders is. In de zeventiende en achttiende eeuw sprak men in de Republiek van ‘zitten op het kussen’. In Spanje doe je dat in een publieke functie nog altijd. Wie ‘op het kussen’ zit, zit zacht en kan zich bijna alles permitteren, althans denkt dat te kunnen. Zo gaat elke regeringswisseling gepaard met een wisseling van de bureaucratische top, om te beginnen van de secretarissen-generaal. Dat zegt genoeg. Een objectieve, zelfstandige secretaris-generaal controleert zijn minister zoals deze zijn secretaris-generaal controleert. Maar zijn de twee vrienden, dan is van controle geen sprake.

Gebrek aan controle is, naast het concept van wat een publieke functie is en behoort te zijn, het tweede aspect dat in Spanje corruptie in de hand werkt. Halverwege de jaren tachtig, toen El País zo’n tien jaar bestond, heb ik een tijdlang op de krant rondgelopen en er in Amsterdam, in de Nieuwe Kerk, zelfs nog een tentoonstelling over georganiseerd. Toen viel me niet op wat bij nader inzien binnen een moderne democratie ondenkbaar zou moeten zijn: dat macht en media in Spanje twee handen waren op één buik. Om het met namen te zeggen: de toenmalige premier Felipe Gonzáles en de grote man van El País, Juan Luis Cebrián, waren dikke, dikke vrienden. Wat de een deed, keurde de ander goed – en andersom. Van onafhankelijke pers was geen sprake. Op dezelfde wijze was El Mundo een decennium later de krant van de Partido Popular en wisselt de publieke omroep ook nu nog met elke regering van gezicht. Anders gezegd: veel meer dan met verkiezingen staat en valt een moderne democratie met onafhankelijke organen, waaronder de media. Die waren (en zijn tot op zekere hoogte nog altijd) in Spanje veel minder onafhankelijk dan ze zouden moeten zijn: een goed ontwikkelde, gevarieerde openbaarheid ontbreekt.

Tot slot is er factor drie die de corruptie in Spanje in de afgelopen decennia alle perken te buiten deed gaan: de welhaast onvoorstelbare economische ontwikkeling, in het bijzonder in de publieke en private bouw. De Spaanse economie is vanouds een boereneconomie. Daarin is bezit ook daadwerkelijk bezit, geen schuld. Als je iets koopt, betaal je contant en als je dat niet meteen kunt, dan doe je het zo snel mogelijk. Langlopende leningen (‘hypotheken’), zoals in de Amerikaanse en West-Europese economie sinds het midden van de twintigste eeuw gebruikelijk, waren in Spanje uitzonderlijk. Dat veranderde in het laatste decennium van de twintigste eeuw. Terwijl de collectieve schuld van de Spanjaarden in 1986 34 procent van het nationaal inkomen betrof, was dat tien jaar later 52 procent en weer tien jaar later (2005) 105 procent. Dit betekent dat er opeens enorm veel geld vrijkwam en veel oud bezit binnen korte tijd omgezet werd in klinkende munt – de banken speelden het spelletje van de vaart der volkeren maar wat graag mee. Het was gezien de politieke en economische structuur van het land welhaast onvermijdelijk dat een onevenredig deel van die nieuwe rijkdom aan de strijkstok bleef hangen.

Dit laatste – en dat is ook waar de zaak-Bárcenas om draait – gebeurde vooral waar het openbare aanbestedingen betrof. Politicus X zorgde ervoor dat bouwer Y opdracht Z kreeg. In ruil hiervoor werd hem door de bouwer, al dan niet via de partijkas, een en ander toegeschoven. Dat gebeurde niet één, niet tien maar duizend maal, niet alleen onder verantwoordelijkheid van de PP maar ook onder die van de psoe of andere partijen. Corruptie? Zo werd het pas genoemd vanaf het moment dat het verkeerd ging en de verschillende partijen, instellingen en organen, waaronder de media, elkaar de zwarte piet begonnen toe te schuiven. Als er van crisis geen sprake zou zijn geweest, had waarschijnlijk zo goed als elke persoon in het bezit van een kussen of kussentje een oogje toegeknepen omdat dat uiteindelijk ook in zijn of haar voordeel was. Van voordeel is sinds geruime tijd geen sprake meer, er zijn alleen nog nadelen en dus is het moddersmijten begonnen. Het Spaanse politieke en economische systeem zal er op den duur vermoedelijk beter van worden. Maar het duurt nog wel even voor het zo ver is.

Het refrein van mijn vrienden was vorig jaar dat ‘het allemaal de schuld van Zapatero’ was. Dit jaar hebben ze een ander refrein, althans als ik bovenstaande interpretatie van de Spaanse situatie naar voren probeer te brengen. ‘Het is in Nederland of elders niet beter. Corruptie bestaat overal. Zwart geld ook.’ Dit laatste kan ik niet ontkennen maar, zo werp ik tegen, het is een kwestie van aard en gradatie. Corruptie neemt in Nederland andere vormen aan en is niet in dezelfde mate doorgedrongen. Bovendien, wat doet het ertoe dat corruptie ook in Nederland voorkomt? Maakt dat de Spaanse situatie beter? Mijn vrienden geloven er niets van, zijn het er niet mee eens, laten me nauwelijks uitpraten. Helaas verslik ik me in de taal als ik een Spaans equivalent zoek van het spreekwoord over de waard en zijn gasten.