In de geest van een hond

Daniel C. Dennett, Aspecten van het bewustzijn. Uitgeverij Contact, 192 blz., 329,90
AL ZO'N 25 jaar richt de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett zijn pijlen op het cartesiaans dualisme, de door Descartes uitgeroepen principiële scheiding tussen het (stoffelijke) lichaam en de (onstoffelijke) geest, ook wel het Zelf, het Ik of het Toeziend Oog genoemd.

Dieren, dat waren volgens Descartes machines. Welnu, Dennett meent dat mensen dat ook zijn. Het verschil tussen Descartes en Dennett is in feite dat Descartes nog iets met God had, terwijl Dennett Hem volledig aan zijn laars lapt en de geest alleen langs natuurwetenschappelijke weg wenst te benaderen. Zoals de filosoof La Mettrie tweehonderd jaar geleden in L'homme machine trouwens ook al deed, en dat prompt met een totale boycot moest bekopen.
Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling van Dennetts Kinds of Mind. Dennett brengt meestal vuistdikke pillen op de markt, maar deze keer heeft hij het bescheiden gehouden. Aspecten van het bewustzijn, zoals het boek in de Nederlandse vertaling heet, is een qua omvang ronduit ingetogen boekje. En voor diegenen die zijn werk volgen, staat er niet zoveel nieuws in. Toch roert Dennett een thema aan dat hij in zijn overige werk hooguit even heeft aangestipt: ‘Wat gaat er om in hen die een geest hebben maar niet over hun gedachten kunnen praten, en welke schepselen bezitten überhaupt een geest.’
Uiteraard doelt Dennett hier op andere dan menselijke dieren. Je houdt even je hart vast. Dennett sluit zich toch hopelijk niet aan bij de huidige trend om op nogal arbitraire en ongefundeerde wijze een bewustzijn aan dieren toe te schrijven? Integendeel, hij laat juist zien welke vragen je in dit verband dient te stellen.
Met deze vragen houdt de hedendaagse 'dierenbeweging’ zich bij voorkeur níet bezig - zonder slag of stoot kent zij aan dieren een bewustzijn toe. Waardoor is deze modieuze opvatting ontstaan? Uit een soort schuldgevoel over de christelijke traditie waarin altijd is geroepen dat de mens de kroon op de schepping is? En slaat men nu door naar de andere kant? Het lijkt er wel een beetje op. Want al die beschouwingen over bewustzijn bij dieren bevatten slechts één, sterk moralistisch getinte boodschap: hoe durven we van die ontroerend ogende schepselen te beweren dat ze géén bewustzijn hebben! Wat denken we wel! We zouden eens een toontje lager moeten zingen!
ENFIN, voor de vragen die de dierenbeweging zich niet stelt, moeten we dus bij Dennett zijn. Zo wijst hij er allereerst op dat onze eigen geest 'de maat der dingen’ is. Hij bedoelt dit niet in antropocentrische zin - we k†nnen alleen maar van onze eigen geest uitgaan, omdat er eenvoudig niets anders voorhanden is. Als we dus bij andere dieren een geest veronderstellen, gaan we er bijna automatisch vanuit - in zekere zin door de nood gedwongen - dat die wel net zo zal zijn als die van ons. Een lid van de dierenbeweging kan wel beweren dat hij juist uitgaat van de eigenheid van die andere geest, maar dat leidt er tevens toe dat er in die kringen zoveel goedbedoelde onzin wordt uitgekraamd.
Dan is er de arbitraire wijze waarop dieren een bewuste geest wordt toegedicht. Op de een of andere manier weet men zeker dat een hond een bewuste geest heeft en dat een oester die niet heeft. 'Ik en mijn hond’, schrijft Dennett, daar horen we niet van op, van 'Ik en mijn oester’ des te meer. Voor de hond kàn dat van belang zijn, want het betekent dat hij wordt ingedeeld bij de bevoorrechte klasse der levende wezens aan wie we menen morele verantwoording schuldig te zijn. Maar misschien is het voor de hond helemaal niet van belang, en is het alleen maar van belang voor ons omdat we menen dat het voor de hond van belang is.
Het probleem is in feite dat we niet goed weten waar we ons vergissen in het toekennen van bewustzijn aan dieren. Dus blijven we aan de veilige kant. Dat is mooi, maar al te veilig redeneren kan een ramp veroorzaken. Bacteriën niet doden omdat ze over bewustzijn zouden k†nnen beschikken, zou een bedreiging voor onszelf betekenen. De morele dilemma’s zijn in dit opzicht bepaald talrijk te noemen. Zo vraagt Dennett zich in zijn boek Darwins Dangerous Idea (1995) af wat erger is: sieraden maken van de slagtanden van een olifant of van de kiezen van een paard. Waarom is het erger een kolibrie te doden dan een qua massa gelijke hoeveelheid algen?
DE KWESTIE is uiteraard dat er geen exact punt valt aan te geven waar de bewuste geest precies begint, en dus ook niet waar iets nog net geen bewuste geest is. Je zou kunnen zeggen dat geest geen essentie heeft. Wel acht Dennett het vermogen om dingen in taal uit te drukken op zijn minst van belang bij het ontstaan van bewustzijn. Met deze opvatting kan Dennett uiteraard rekenen op de hoon van de dierenbeweging. Menen dat taal een belangrijke rol bij bewustzijn speelt, getuigt immers van een verwerpelijke superioriteitsgedachte.
Maar we kunnen natuurlijk ook gewoon en vooral heel nuchter bekijken of er iets voor het belang van taal te zeggen valt. Feit is dat mensen vrijwel niets anders doen dan voortdurend met soortgenoten communiceren of in zichzelf praten. In zijn boek Consciousness Explained (1991) schrijft Dennett dat wij webben van woorden spinnen, zoals een spin dat met draden doet, waarmee hij wil aangeven dat de taal in feite het huis is waarin we wonen.
Feit is ook dat we het idee hebben over een 'bewuste geest’ te beschikken. En als het werkelijk zo is dat geest plus taal 'echte’ geest voortbrengt, dan ìs het mogelijk dat een geest zonder taal zó anders is dat we een vergissing maken door beide varianten geest te noemen. Ons vermoeden dat geesten van andere schepselen rijkdommen bevatten die voor ons ontoegankelijk zijn, maar natuurlijk niet voor die andere schepselen, berust wellicht op een illusie.
Ook op dit punt laat Dennett zich kennen als een ware scepticus. Hij heeft gewoon geen behoefte om er op voorhand van uit te gaan dat geesten van niet-sprekende dieren om niet nader genoemde redenen sterk op die van ons lijken. En dus brengt hij van alles te berde om dit idee aan het wankelen te brengen. Aan de dierenbeweging de taak deze argumenten serieus te nemen en ze te weerleggen.
AARDIG IS ook dat Dennett de zorgzaamheid voor de dieren niet afhankelijk stelt van de vraag of het betreffende dier een bewustzijn heeft. Er zijn volgens hem sowieso wel goede redenen om dieren met zorg en respect te behandelen. Redenen die meer in onszelf dan in het dier besloten liggen. Het moge lichtelijk cynisch klinken, maar volgens Dennett verschillen onze motieven om dieren met respect te behandelen niet wezenlijk van de motieven om de Mona Lisa met respect te behandelen - of oude kathedralen, of de cultuur van de aborigines. Het doet ons simpelweg goed dat die zaken er nog zijn. Op dezelfde manier doet het ons goed te weten dat er nog wilde dieren zijn.
Waaròm ons dat goed doet, en of er plausibele redenen zijn aan te voeren voor het in stand houden van dat alles? Dennett vindt het al voldoende dàt het ons goed doet. Het feit dat mensen ergens depressief van zouden kunnen worden, vindt Dennett, is op zichzelf al een goede reden om iets te weren. Iets wat nú voor ons van belang is, ìs van belang. 'De redenen zijn rechtsreeks afhankelijk van het feit dat er in onze cultuur verschillende overtuigingen heersen en voor ons van belang zijn, of ze nu juist zijn of niet.’
REST DE VRAAG: gelooft Dennett nu wel of niet dat dieren bewustzijn kunnen hebben? Hij betwijfelt het in hoge mate. Een uitzondering maakt hij echter voor, jawel, off all animals: honden. Kort samengevat luidt zijn redenering dat honden door de eeuwenlange bevoordeling door mensen steeds meer op ons zijn gaan lijken. Hij schrijft: 'Als het menselijk bewustzijn een radicale herstructurering betekent van de opbouw van de hersenen, zoals ik volhoud, dan volgt hieruit dat de enige dieren die in staat zijn tot iets dat in de verte lijkt op die vorm van bewustzijn, dieren zijn waaraan ook door de cultuur dat soort machinerie kan zijn opgelegd. Honden voldoen duidelijk het meeste aan deze voorwaarden.’
Hondenliefhebbers kunnen dus gerust gaan slapen.