Volkert van der G.: De waarom-vraag

In de geest van Volkert

Over de motieven van Volkert van der G. om Pim Fortuyn te vermoorden weten we niets. Maar had een verklaring van de moordenaar zijn misdaad begrijpelijker kunnen maken, makkelijker te vergeven?

Medium volkertx

Vorig jaar benaderde Peter Lanza de journalist en schrijver Andrew Solomon met de vraag of hij hem wilde interviewen. Solomon was een voor de hand liggende keuze, gezien zijn veelgeprezen boek Far from the Tree, over ouders en kinderen met fysieke of verstandelijke handicaps, met adoptie- en genderproblemen of andere moeilijkheden. Peter Lanza had een veel extremer probleem, namelijk dat zijn zoon Adam Lanza was, de jongen die in december 2012 zijn moeder doodschoot, 26 kinderen en docenten op Sandy Hook Elementary School in Newton, Connecticut, en daarna zichzelf.

Solomon beschreef zijn bezoeken aan Lanza. Lanza woont ergens afgelegen met zijn nieuwe vrouw. Het afgelopen jaar ontving hij dozen vol brieven, kaarten, bijbels, tekeningen, knuffels en zelfs snoepgoed van vreemden. Hij durft dat niet te eten, want misschien heeft iemand er vergif in gedaan. Op het moment dat Adam zijn misdaad beging had Peter al bijna twee jaar geen contact meer met zijn zoon. Hij heeft spijt dat hij niet meer had geprobeerd zijn zoon te zien. ‘Elke variatie in wat ik had kunnen doen was goed geweest, want geen enkele uitkomst was slechter dan deze.’

Solomons bezoeken zijn meer gesprekken dan interviews: Lanza heeft net zo veel vragen als Solomon, misschien wel meer. Adam groeide op in een liefdevol gezin, met een oudere broer, zijn moeder bleef thuis en zorgde voor hen, vader werkte hard, maar maakte in het weekend veel tijd voor zijn kinderen. Na de echtscheiding veranderde er weinig, Peter bleef zijn kinderen in het weekend zien. Gaandeweg zijn middelbare-schooljaren werd bij Adam het Asperger-syndroom gediagnosticeerd. Hij bleef op school populair binnen de verschillende technologieclubjes, maar raakte minder geïnteresseerd in vriendschappen.

Hij trok zich terug, kreeg een hekel aan school, en na een serie paniekaanvallen werd geadviseerd hem thuisscholing te geven. Moeder gaf hem de alfa-, vader de bètavakken. In hun onderlinge contact spraken zijn ouders veel over wat ze met hem aan moesten als hij achttien was en niet langer onderwijsplichtig, ze waren bang dat hij in dienst wilde gaan terwijl hij duidelijk de eigenschappen miste die hij in het leger nodig zou hebben. Adam wilde zijn vader niet meer zien toen deze hem adviseerde op een community college slechts twee vakken te volgen in plaats van de vijf die Adam wilde.

De geschiedenis is een narratief van een jongen die steeds meer in zichzelf gekeerd raakt. Maar de vraag is of dat er allemaal iets toe doet: als we ontdekt zouden hebben dat Adam schizofreen was, of een pedofiel, of zou zijn misbruikt als kind, dan weten we nog niet waarom hij heeft gedaan wat hij heeft gedaan, schrijft Solomon. Of zoals de vader zegt: ‘It doesn’t have to be understood to be real.’

Zelden leverde een artikel zo veel boze, gefrustreerde of ronduit vijandige reacties op als dat van Solomon. Nu is de drempel op internet voor boze reacties nogal laag, om niet te zeggen uitgesleten, maar dan nog regende het verwijten op de site van de anders zo chique New Yorker – verwijten uit heel persoonlijke politieke hoek, dat de soepele wapenwetgeving de schuld had, of het feit dat steeds meer kinderen in éénoudergezinnen opgroeien. Maar terugkerend was het verwijt dat Peter Lanza, doordat hij geen verklaring wilde geven voor de ramp, daarmee suggereerde dat niemand schuld droeg. Alsof het een fluke was, een toevalstreffer in de vorm van een maniakale daad.

Iets soortgelijks tref je aan op de voornaamste in memoriam-website van Pim Fortuyn (‘de man die Nederland wakker schudde’). Prominent staat een citaat van Volkert van der Graaf, onderschept uit een bericht uit zijn cel: ‘Voor de buitenwereld is de waarheid niet belangrijk. Het hoeft slechts functioneel te zijn.’ De implicatie is dat er een reden wordt achtergehouden. Die weigering zijn daden te verklaren is altijd als een van de grootste grofheden van Volkert van der Graaf gezien. Toen hij in het Avro-programma Edwin zoekt Fortuyn – onwetend dat hij werd opgenomen – over de telefoon met Fortuyns neef Edwin sprak, wilde hij niet ingaan op de vraag waarom hij Fortuyn vermoordde, wat bij Fortuyn-aanhangers aanleiding was om een petitie te starten teneinde een vervroegde vrijlating te verbieden. Die petitie heeft niets uitgehaald als Van der Graaf op 2 mei op vrije voeten komt.

Maar dan nog: had een expliciete verklaring van Van der Graaf iets echt duidelijk kunnen maken? Had het zijn misdaad begrijpelijker kunnen maken, makkelijker te vergeven? Wanneer is een misdaad afgerond? In de ideale situatie is dat wanneer een dader wordt opgepakt, schuld wordt bekend, een straf wordt uitgesproken. Dat er tussen de ideale situatie en de werkelijkheid een enorme afstand ligt, is evident.

‘Mijn eerste reactie was ook vooral ongeloof – zeker als je Volkert kende –, verbijstering, boosheid en verdriet’

In een essay schreef de Amerikaanse journalist George Packer onlangs over Kaing Guek Eav, beter bekend als ‘Duch’, het hoofd van de S-21, het grootste doodskamp van de Rode Khmer. Onder zijn toezien werden honderdduizenden mannen, vrouwen en kinderen gemarteld en vermoord, iets waar hij in het VN-tribunaal over de genocide in Cambodja verrassend eerlijk over vertelde. Ja, hij kon zich nog herinneren dat hij van sommige kindermoorden spijt had, van andere niet. De Franse journalist Thierry Cruvellier, die over Duch het boek The Master of Confessions publiceerde, schreef: ‘Duch is neither mentally ill nor a monster, and that’s the problem.’

Zijn bekentenis en straf deden de Cambodjaanse overlevenden niets. De catharsis die de rechtszaak had moeten bieden bleef uit, de verontwaardiging verzwakte nergens. ‘The gap between the two million dead and the elderly defendant with decayed teeth defeats any desire for retribution.’ Want een tribunaal geeft de rituelen van openheid en rechtspraak, maar niets wat iemand als Duch kan doen of zeggen kan ons inzicht geven in de vraag waaróm hij gedaan heeft wat hij heeft gedaan.

En toch is het de waarom-vraag die zich bij elke moord die een gemeenschap opschrikt het meest opdringt, meer dan de vragen over wie en hoe. Voor de rechtspraak is waarheidsvinding de belangrijkste pijler, voor de nabestaanden is het de zingeving. Waarom sloeg Adam Lanza toe op Sandy Hook? Waarom doodde Volkert van der Graaf Pim Fortuyn? Vorige maand las de broer van Pim Fortuyn, Marten, bij EenVandaag voor het eerst voor uit een brief die hij in 2003 van de moeder van Volkert had ontvangen. Zij begreep het ook niet: ‘Het afgelopen jaar was voor ons een hel. Begrijpen doen we de daad nog steeds niet. Mijn eerste reactie was ook vooral ongeloof – zeker als je Volkert kende –, verbijstering, boosheid en verdriet.’

De waarom-vraag is de moeilijkste vraag, zo niet een onmogelijke om te beantwoorden. Precies dat maakt de vraag zo dwingend: het onmogelijke karakter ontregelt. Verschillende evolutiebiologen wijzen erop dat onze hersenen een ‘cognitief imperatief’ zouden hebben, dat ze door de ontwikkeling van de mensheid getraind zijn geraakt om oorzaak en gevolg waar te nemen. Wanneer er een gevolg is, maar geen aanwijsbare oorzaak, stokt er iets. We kunnen niet begrijpen dat sommige dingen onbegrijpelijk zijn.

Harry Mulisch loste het op door een mulischiaanse woordgrap los te laten op Hitler: Hitlers daden waren juist heel goed te begrijpen. Hitler moest je niet zien als een onlogische persoon, schreef hij in Siegfried (2001), maar als een logische onpersoon. Al het menselijke was hem oneigen.

Maar zulke overwegingen mogen relevant zijn als het gaat over personages als Hitler, die een welhaast mythische kwaadaardigheid hebben, ze doen geen recht aan mensen als Adam Lanza of Volkert van der G., of zelfs de ongelukkige Jan Peter Schmittmann in Laren. Het zijn mensen met een gewoon dagelijks bestaan, die een gewoon menselijk leven leiden – hun daden moeten daar ergens mee samenhangen. Zelfs al wordt benadrukt dat je geen verklaringen moet zoeken, zoek je ze automatisch.

Wanneer je het artikel van Solomon leest, merk je dat je allerlei gegevens vanzelf veelbetekenend gaat vinden. O, Adam tekende als kind een stripboek over een hekserige oma die kinderen wilde vermoorden – dat verklaart het! Adam was overgevoelig voor aanrakingen. Uit alle kleren moesten de merkjes en waslabeltjes verwijderd worden anders werd hij onrustig. Adam wilde uit smetvrees geen deurklinken aanraken, Adam sprak monotoon, Adam kon neerkijken op mensen die zijn manier van denken niet konden volgen.

Maar die dingen zijn niet echt veelbetekenend. Je loopt precies in de valkuil waar Peter Lanza en Andrew Solomon voor waarschuwen: zo veel kinderen tekenen bloederige strips, veel pubers spreken monotoon. Veel Asperger-patiënten schijnen een afstandelijke of arrogante houding aan te nemen ten opzichte van niet-Asperger-patiënten, zegt een psychiater tegen Solomon. Er is geen sleutel tot zijn misdaad te vinden.

Met We Need to Talk About Kevin (2003; verfilming 2011) schreef Lionel Shriver de eerste echte roman over de gevolgen van een highschool-moordpartij, over de moeder van een jongen die een massamoord aanrichtte. Eerst doodde hij thuis zijn vader en zusje, daarna een groep medescholieren. De moeder zoekt Kevin op in de gevangenis. Daar zit hij, achter het gepantserde glas, minzaam te glimlachen. Ze verwijt zichzelf wat alle dorpsgenoten haar ook verwijten, ze kan er niet bij dat zij dit monster heeft kunnen opvoeden. Aan het einde komt de ommekeer. Ik dacht dat ik wist waarom ik het deed, zegt Kevin. Maar nu weet ik het niet meer zo zeker.

Daarmee is hij dan weer menselijk geworden, daardoor lukt het de moeder haar kind ondanks alles weer in haar hart te sluiten. Ook hij weet niet meer waarom het is gebeurd, in zijn onwetendheid kan hij aansluiten bij de rest van ons.