John Lanchester, Kapitaal

In de greep

Kapitaal wordt door sommigen omhelsd als de grote crisisroman. Maar John Lanchesters roman stort na een sterk begin in elkaar als de beurskoersen in 2008.

De Engelse columniste Zoe Williams biechtte vorige winter op dat ze zo geplaagd werd door schuldgevoel dat ze eigenlijk geen romans meer kon lezen. Op een of andere manier moest ze telkens denken aan die poster uit de oorlog, waarop de tekst stond: ‘To dress extravagantly in wartime is worse than bad form. It’s unpatriotic.’ Het nieuws over de financiële crisis kwam haar zo apocalyptisch voor, en ze bedacht dat ze zo veel gewoon niet snapte – hoe zit het ook al weer met lage rentes? Hoe devalueer je een munt? Hoe hoog kan een schuldenplafond zijn? – dat ze lezen over verzonnen mensen niet alleen frivool vond, maar zelfs onpatriottisch. Het is, anders gezegd, als tv kijken terwijl je huiswerk hebt.

Natuurlijk zegt Zoe Williams dit allemaal een tikkeltje hysterisch. Maar als haar column eindigt met de opmerking dat ze niet koket is en dat ze zichzelf ook niet wil straffen, maar dat er een probleem is met de moderne roman, namelijk dat schrijvers zo bang zijn niet literair genoeg te klinken dat ze niks nuttigs meer durven te zeggen, dan verwoordt ze iets waar velen op hopen. Of het nu ‘straatrumoer’ wordt genoemd, de ‘revanche van de roman’ of de Grote Geëngageerde Roman – telkens weer doet het verlangen opgeld naar fictie die het heden of het recente verleden weet te vangen zoals geen journalist of historicus dat kan. Dieper, moreler, wijzer.

Of zoals Williams schrijft: iedereen had verwacht dat Alan Hollinghurst het definitieve boek over de krediet­crisis zou schrijven, omdat hij dat met The Line of Beauty deed over de jaren tachtig van Thatcher, maar in plaats daarvan ‘he did an Atonement’. Dat wil zeggen dat hij, net als Ian McEwan in zijn bejubelde roman, zijn grote thema’s in het verleden projecteerde, waarin ze meer universeel en minder politiek zijn.

Williams is niet de enige die trappelend van ongeduld op de Grote Crisisroman wacht. Uitgevers kondigen ze met graagte aan, maar de half fictionele terugblikken van ex-bankiers over hun bestaan in Wall Street of de City die tot nog toe verschenen, waren nog geen grote romans. Nee, het enige boek dat aan de hoge verwach­tingen lijkt te voldoen is Capital, de vierde roman van de Britse journalist en schrijver John Lanchester, die dit voorjaar verscheen. Hij lijkt het op voorhand met Williams eens te zijn als hij stelt: ‘In het algemeen is de roman langzaam verwijderd geraakt van de dingen die mensen in hun greep houden. Het is een bizarre plaats waar de roman terecht is gekomen, want als het onderwerp te interessant is, dan is de roman niet literair genoeg.’ Hij durfde het ‘interessante onderwerp’ wel aan, en schreef volgens ­Williams een ‘monster van een roman die meer doet dan de wereld van het geld belichten: hij blaast die wereld leven in, waardoor je haar volledig begrijpt, haar in het gezicht kijkt’.

Zij is niet de enige die Kapitaal als de eerste grote crisisroman omhelst. De kritiek was over het algemeen lovend en vergeleek John Lanchester met Charles Dickens, die als geen ander Londen en de zeden van zijn tijd wist te portretteren. ‘This is an intelligent and entertaining account of our grubby, uncertain, fragmented London society that has almost replaced religion with shopping’, schreef The Guardian. En volgens The New York Times is het lezen van Kapitaal ‘like getting a crash course in the transformation of British mores and class distinctions’.

Kapitaal begint ook veelbelovend. In de proloog van de roman wordt een bijzondere hoofdpersoon gepresenteerd: Pepys Road, een gewone straat in Londen, met huizen van drie verdiepingen die aan het eind van de negentiende eeuw waren gebouwd voor gezinnen uit de lagere middenklasse. In de loop van de tijd was Pepys Road gaan klimmen op de economische ladder: bewoners begonnen in de laatste decennia van de twintigste eeuw muren door te breken, keukens te vernieuwen en zolderverdiepingen op te knappen. Vanaf die tijd was er altijd wel iemand aan het verbouwen in de straat. Na de zolderverdiepingen volgden de kelders die onder de huizen werden aangelegd. Dat was duur, maar omdat het zoveel waarde aan je huis toevoegde, kostte het eigenlijk niets. Inmiddels waren de mensen die in de straat woonden rijk. ‘Wie een huis bezat aan Pepys Road’, besluit Lanchester de proloog, ‘liep rond in een casino als een gegarandeerde winnaar. Wie er al woonde was rijk. Wie erheen wilde moest al rijk zijn. Groot-Brittannië was een land geworden van winnaars en verliezers, en alle mensen die in de straat woonden hadden gewonnen, simpelweg door er te wonen.’

In de proloog benadrukt Lanchester dat de straat er niet alleen als een soort eenheid van plaats voor de roman fungeert, maar eerder als een levend organisme moet worden opgevat. Zo laat hij weten dat de huizenprijzen zo gigantisch waren gaan stijgen ‘dat het leek alsof ze dat uit eigen beweging deden’. De huizen waren zelf hoofdpersonen geworden, stelt hij. Ze waren tot leven gekomen en hadden hun eigen wensen en behoeften gekregen: bestelwagens leverden allerhande goederen; hondenuitlaatdiensten, schoonmakers, loodgieters en vooral bouw­vakkers ‘benaderden de huizen allemaal als smekelingen om er vervolgens door opgeslokt te worden’. Kortom: ‘De huizen waren nu net echt mensen, en bovendien rijke mensen, heerszuchtig, met hun eigen behoeften waarin ze zich zonder enige terughoudendheid lieten voorzien.’

In die ‘rijke mensen’ wonen natuurlijk weer ‘echte’ mensen, die een voor een in korte hoofdstukken worden geïntroduceerd. Ook daarbij is Lanchester nog trefzeker. De bewoners en de mensen met wie zij te maken hebben worden beschreven in relatie tot hun huis, en breder: in hun relatie tot geld. Zo draagt Petunia Howe, een oude vrouw, de geschiedenis van de straat in zich: haar grootvader kocht het huis waar zij in woont toen het alleen nog op de tekentafel bestond, zij werd er geboren. Zij heeft er geen idee van dat ze in een casino rondloopt – het behang op de muren en het linoleum op de vloer wekken de indruk of ze nooit vervangen zijn. Ze leidt een leven als in de jaren vijftig, waarin shoppen om het shoppen nog een fata morgana is.

Het andere uiterste vormen Roger en Arabella Yount, die een van de chique dubbele huizen in de straat bewonen. Hij werkt als bankier in de City; het is haar talent ‘om het leven gemakkelijk te laten lijken’, wat voornamelijk wil zeggen dat ze volstrekt zorgeloos met geld omgaat. Aan het begin van de roman piekert Roger over de hoogte van zijn eindejaarsbonus, hij rekent op een miljoen pond, sterker, zonder die miljoen pond komt hij in de problemen, want zijn basissalaris van 150.000 pond voldeed volgens Arabella aardig als ‘kleedgeld’, maar was bij lange na niet genoeg voor de hypotheken van hun huis en buitenhuis, de permanente verbouwingen die de veranderlijke smaak van Arabella vereisten, de kosten voor de gewone nanny en de weekendnanny, hun drie auto’s (een bmw M3 voor het winkelen, een Lexus S400 voor het gezin en een Mercedes E500 om naar kantoor te gaan, al prefereerde Roger de metro) en ga zo maar door.

Het lijkt een gelukkige keuze, die karakterisering van huizen en personages aan de hand van financiële gewoonten en preoccupaties. De uit Pakistan afkomstige familie Kamal, die het buurtwinkeltje bestiert, moet uiteraard op de kleintjes letten. De Poolse bouwvakker Zbigniew, die door Arabella Bogdan wordt genoemd omdat z’n echte naam te ingewikkeld is, is spaarzaam: het geld dat hij in Londen verdient wil hij er niet verbrassen, hij spaart zo veel mogelijk om in Polen met zijn vader een eigen bedrijf te kunnen beginnen, als hij een meisje mee uitneemt, dan liefst tijdens het happy hour, als de drankjes de helft van het geld kosten. De spilzucht van de rijken staat tegenover de voorzichtigheid van degenen die weinig te besteden hebben. Dit laatste is nogal wiedes en dat is meteen ook het grote probleem met Kapitaal: het blijft bij de vaardige en ook wel geestige introducties van een stoet van personages, de ontwikkelingen die ze daarna doormaken zijn clichématig. Lanchester houdt de inzet ook niet vol: de straat en de huizen houden op hoofdpersonen te zijn en ook de verhouding van de reële personages tot geld en materie krijgt geen diepte. Dat zijn gemiste kansen.

John Lanchester heeft het aangedurfd in Kapitaal een ‘interessant onderwerp’ aan te vatten. De roman speelt in het bestek van een klein jaar, van december 2007, vlak voor het uitbreken van de kredietcrisis, tot in de herfst van 2008, als de wereld na de val van Lehman Brothers en de bank waar Roger werkte een volslagen ander aanzien heeft. Maar dat was Lanchester niet genoeg. Natuurlijk beschrijft hij de ondergang van Roger en Arabella, maar daarnaast heeft hij nog een heel aantal ‘interessante onderwerpen’ in Kapitaal verwerkt. De oude Petunia Howe krijgt een ongeneeslijke ziekte en krijgt, voordat ze sterft, te maken met de hardvochtige staat van de Britse gezondheidszorg. De familie Kamal wordt opgeschrikt door een heftige politie-inval: een jonge broer wordt verdacht van jihadisme en komt, aanvankelijk rechteloos, in een cel terecht. Dan is er nog een Afrikaans voetbaltalent dat wordt gescout door een Londense club, via hem wordt verhaald over het grote geld en cynisme in de voetbalwereld. Er is een Banksy-achtige kunstenaar, die roem verwerft met anonieme ingrepen in de werkelijkheid. O ja, er is ook nog het treurige verhaal over een illegale vluchtelinge uit Zimbabwe, die als parkeerwacht werkt in Pepys Road en uiteindelijk uitgezet dreigt te worden. En dan is er tot slot nog een thrillerachtige verhaallijn, met detectives en al, die de roman moet voortstuwen.

De aardige snapshots aan het begin van Kapitaal worden steeds fletsere foto’s. Stuk voor stuk behandelt Lanchester aan de hand van zijn personages de thema’s die ‘mensen in hun greep houden’, maar verder dan wat je al in de krant kunt lezen komt hij niet. Sterker, hij komt veel minder ver. Al sterven ze, raken ze aan lager wal of moeten ze terug naar hun dictatuur van herkomst, je laat geen traan om de mensen die het boek bevolken. Bankiers, hun leeghoofdige vrouwen, duurbetaalde specialisten, verzekeraars – het zijn akelige, egocentrische types. Hardwerkende moslims, Poolse bouwvakkers, Hongaarse nanny’s en vluchtelingen – bij hen is nog de moraal en de hoop op een beter leven te vinden die de verwende westerlingen, amechtig dravend in het rad van de overconsumptie, al lang zijn kwijtgeraakt. Met de diepte en wijsheid of op z’n minst de satirische scherpte die literatuur te bieden heeft, heeft dat allemaal helaas niks te maken. Het lezen van Kapitaal heeft, om Zoe Williams nog een keer aan te halen, veel weg van tv kijken en wel naar een zouteloze soap.


John Lanchester, Kapitaal, Vertaald uit het Engels door Roland Fagel en Eline Haks, Prometheus, 512 blz., ¤ 19,95