Essay`; Sluipend verstoort het populisme de oude orde

In de greep van de onmiddellijkheid

Met de belofte van een schoon, heel en veilig Nederland oefent het populisme een sluipende invloed uit op de politiek. Mede daardoor begint Rutte II slecht gehumeurd en in onzekerheid over de juistheid van de beleidskeuzes aan het nieuwe parlementaire jaar.

Onbestaanbaar: een politicus die over een probleem zegt dat het beter is er voorlopig niets aan te doen. Hij zou zichzelf onherroepelijk voor de leeuwen werpen. In de politieke arena zou hij worden geconfronteerd met opponenten die het probleem herformuleren als een misstand of onrechtvaardigheid die onmiddellijk overheidsingrepen vergt, in het publieke domein met krantenkoppen en tv-presentatoren die de verontwaardiging over de lakse politiek verwoorden.

‘Onoverkomelijkheid, onafwendbaarheid, onstuurbaarheid, onvermijdelijkheid: ook al weet iedereen dat het leven daarvan is vervuld, voor de politicus zijn het onzegbare begrippen’, schrijft bestuurskundige Paul Frissen in zijn nieuwe boek De fatale staat: Over de politiek noodzakelijke verzoening met tragiek. Te midden van alle opwinding vergt niets doen meer moed van een politicus dan iets doen. Zo doemt het beeld op van het doelloze activisme van een ‘adhd-bestuur’, in een kenschets van politiek filosoof Jos de Beus, met als uitkomst een zware interventiestaat die permanent beweegt en reorganiseert in de hoop meer verfijnde sturingsmethodes te ontwikkelen.

Voor niets doen valt niettemin veel te zeggen als het middel van het directe overheidsingrijpen erger is dan de kwaal. Elke samenleving kent onvermijdelijk tekortkomingen en onvolkomenheden. Die zullen des te moeilijker te overzien zijn naarmate de complexiteit van de maatschappelijke verhoudingen toeneemt. In zulke omstandigheden, waarin het een op onvermoede wijze met het ander samenhangt, kunnen de schadelijke en ongewenste gevolgen van krachtig interventionisme groter zijn dan het nuttig effect. Tegelijkertijd zal met het complexer worden van de maatschappij ook de roep om het geheel ordelijk te houden krachtiger worden. In het zelfbeeld van de politicus past tegenover alle onrecht, risico’s en pech geen berusting. Integendeel, hij leeft van het leed en in het bijzonder van de belofte dat weg te nemen.

In de mallemolen van de mediacratie moet de eerste politicus die zegt dat het verstandiger is de toestand even aan te zien nog opstaan. Zo is in het politieke leven een drang tot onmiddellijkheid ontstaan. In De fatale staat analyseert Frissen met grote precisie dit fenomeen en zijn gevolgen. Zo wordt het tegen de achtergrond van de drang naar onmiddellijkheid minder raadselachtig waarom zich in de peilingen een vertrouwensbreuk aftekent tussen de kiezers en de regeringscoalitie, nog geen jaar na de ruimte verkiezingszege van vvd en pvda. Ook de blauw-rode coalitie kost het moeite zich in haar strijd met de weerbarstige werkelijkheid overeind te houden tegenover opponenten die het ongeduld verwoorden.

***

Hoewel de cijfers verschillen per peiling is de trend duidelijk. De coalitie staat op zwaar verlies, de pvv samen met 55 Plus en d66 op winst. Het dreigende perspectief is dat de rechts-extremist Geert Wilders straks de grootste fractie in de Tweede Kamer aanvoert. Daarbij komt dat de stille, sluipende invloed van de populistische partijen op de politieke en bestuurlijke praktijk groter is dan hun zetelaantal doet vermoeden, zeker als het gaat om het geloof in het heilzame effect van het onmiddellijke ingrijpen.

Vooral in zijn rechtse variant hanteert het populisme een krachtige symboliek van zuivering en verlossing. De maatschappij is wel degelijk maakbaar, mits de politiek bereid is het kwaad te lokaliseren en te verwijderen. Tegenover het moeizame gemanoeuvreer van partijen die het compromis zoeken, stelt het populisme de belofte van een democratie zonder teleurstelling. Wie daartegenin werpt dat het onmogelijk is alle problemen naar ieders tevredenheid op te lossen, krijgt onherroepelijk het verwijt dat hij onnodig moeilijk doet.

De kracht van de populistische belofte van verlossing heeft de oude politieke orde niet onberoerd gelaten. Ze zoekt haar antwoord vooral in de vertrouwde technocratische reactie van meer beleid, meer regels, meer geboden en verboden. Tegenover het populisme komt zo de technocratie van het gulzige bestuur te staan. Beide hebben de pretentie de weerbarstige problemen het hoofd te kunnen bieden, de een met verlossing, de ander met een oplossing.

De reactie van de oude orde komt erop neer dat zij de overheid tot de beste vriend van de mensen wil maken, ook al moeten zij zich daarvoor haar bemoeizucht getroosten.

De toenemende populariteit van het voorzorgsbeginsel in de beleidskeuzes is een teken aan de wand. Het past in de logica van een overheid die snel, direct en zo effectief mogelijk wil optreden om mensen niet alleen te beschouwen als potentieel slachtoffer van onrecht en risico’s, maar ook als mogelijke veroorzaker. Het streven het kwaad voor te zijn rechtvaardigt het treffen van allerlei voorzorgsmaatregelen. De overheid wordt een interventiemachine die in een vroeg stadium gedrag, waarden en leefpatronen in beeld wil hebben, om direct te kunnen ingrijpen als dat nodig is.

In deze ontwikkeling is de verkiezingszege van Leefbaar Rotterdam onder leiding van Pim Fortuyn in 2002 volgens Frissen een sleutelmoment. Sindsdien, ook nadat Leefbaar Rotterdam het college van burgemeester en wethouders had verlaten, geldt de slogan ‘Rotterdam, schoon, heel en veilig’ als leidraad voor het bestuurlijk handelen van de stad. Daarbij hoort dat de overheid achter de voordeur mag kijken, in de meest letterlijke zin van het woord. ‘Interventieteams’ leggen in Rotterdam jaarlijks 38.000 onaangekondigde huisbezoeken af, met de vrije opdracht om achter de voordeur van alles en nog wat te controleren. Volgens de Gemeentelijke Ombudsman kan werkelijk alles aan de orde komen, van last van kakkerlakken en ruzie met de buren tot de vraag of de bewoner scholing nodig heeft, een stage of een taalcursus. De interventieteams kunnen mensen vragen of er sprake is van huiselijk geweld, of de vrouw des huizes zwanger is en of de bewoners geluidsoverlast hebben van de buren. Ook mogen ze controleren of het badkamerlampje wel veilig is opgehangen, zo constateerde de Ombudsman toen hij een keer meeliep.

Volgens Frissen resoneert de slogan ‘schoon, heel en veilig’ inmiddels door heel bestuurlijk Nederland, met een allengs intensievere toepassing van het voorzorgsbeginsel als gevolg. In deze politiek van goede bedoelingen liggen preventie en repressie dicht bij elkaar. Tot de kleine signalen die je even doen opschrikken behoort het gebruik van taal uit de politiestaat op een verbodsbordje bij het Plantsoen in Leiden. In de zomer is dat statige park nabij het stadscentrum een favoriete plek bij jongeren, tot ongenoegen van de gemeente. Elkaar ontmoeten mag nu niet meer na tien uur ’s avonds. Dan geldt er een ‘samenscholingsverbod’, staat op het bordje.

Frissen spreekt van een staat die ‘grimmiger’ is geworden. De komst van de pvda in de regering heeft daaraan niet merkbaar veel veranderd, mede doordat zij justitie en immigratie, de beleidsterreinen waarop het populisme het meest zichtbaar zijn invloed uitoefent, geheel aan de vvd heeft gelaten. In het immigratie- en integratiebeleid sinds 2002 is bij uitstek te zien hoe het streven om zo snel mogelijk het doel te bereiken een rechtvaardiging kan zijn voor repressie, dwang en plicht. Frissen zelf ziet in de praktijk van de jeugdzorg een typerende cocktail van de wil het probleem voor te zijn, bureaucratische beheersingsdwang en professionele zorg. Vanaf de geboorte wordt van elk Nederlands kind een dossier bijgehouden met allerlei informatie over de opvoedcompetenties van de ouders en sociale contexten, naast de gebruikelijke medische gegevens. Aan de hand van ‘verwijsindexen’ worden risico’s in beeld gebracht, om het gemeentelijk apparaat zo nodig achter de voordeur te laten kijken. Opnieuw zijn de bedoelingen goed, maar dreigt al gauw een sfeer waarin ouders potentiële plegers van kinderverwaarlozing zijn.

***

Waardoor weet het populisme met zijn drang naar schoon, heel en veilig de oude orde zo indringend te beroeren? Dat komt in de eerste plaats door zijn theatrale kracht. Sommige beelden zijn zo aantrekkelijk om in te geloven dat de feiten niet kunnen overtuigen. Van dat gegeven maakt Wilders gebruik, door zijn programma te verpakken in krachtige metaforen en adjectieven. Of de beelden in overeenstemming zijn met de feiten is minder belangrijk dan dat ze Wilders’ potentiële kiezers bevestigen in hun idee dat het in Nederland goed toeven is voor gevangenen, criminelen en immigranten: ‘Hij zegt het tenminste hardop.’

Het krachtigste beeld is wellicht nog wel dat ‘het volk’ in de uitvoering van zijn wil wordt belemmerd door ‘gedoe’ in Den Haag. Voor wie zich buiten de gevestigde orde gesloten voelt, speelt Wilders de buitenstaander, onbezoedeld door de politiek. Toch is het populisme veel politieker dan de technocratie van de Haagse beleidsmachine, meent ook Frissen. Beter dan die technocratie doorgrondt het dat politiek in de eerste plaats een symbolische orde is, waarin theater, humor, spektakel, emoties en andere middelen om de politieke boodschap wat zwaarder aan te zetten geoorloofde wapens zijn in de strijd om de kiezersgunst. Politiek is meer dan de dingen regelen. Zo bezien komt technocratie neer op het onzichtbaar maken van het politieke. Het debat over Europa is daarvan een uitgesproken voorbeeld. Technocratische politici hebben het Europese project gedepolitiseerd tot iets wat goed is voor onze handel. De symbolische betekenis van het historische belang van de eenwording blijft daarmee buiten beeld, ook in het debat met Wilders en zijn agressieve anti-Europa-campagne.

De stijl van het populisme weerspiegelt zijn kerngedachte dat je problemen oplost door ze te verwijderen, niet door er compromissen over te sluiten. Dat verschaft het populisme zijn retoriek van strijd en conflict of, in een meer geëxalteerde vorm, zelfs vijandschap tegen de ‘goedmens’, met een woord van pvv’er Martin Bosma. In deze visie op politiek is het compromis een onnodige vertraging van de oplossing.

Ook in dit opzicht blijkt het populisme een sluipende invloed op de partijen van de oude orde uit te oefenen. In hun drift naar daadkracht hebben de coalitiepartijen vvd en pvda in de formatie besloten het beleid van het kabinet-Rutte II niet op compromissen te baseren. Het land had in deze crisistijd snel een regering nodig en daarom was een tijdbesparende procedure als het ‘uitruilen’ van standpunten geboden. Wat vvd en pvda daarmee miskenden is dat het compromis misschien wel de essentie is van politiek, althans in de definitie van het domein waar de weerbarstige maatschappelijke kwesties op z’n best tot een tijdelijke oplossing worden gebracht. Overzichtelijk en eenduidig is dat domein niet, door de veelheid aan belangen die hier hun brandpunt vinden. Dat geldt te meer in een bestel met evenredige vertegenwoordiging, zoals het Nederlandse, dat is gebaseerd op de gedachte dat het parlement in zekere mate een afspiegeling moet vormen van de pluriforme samenleving met al haar uiteenlopende belangen.

Tegenover het compromis plaatst het populisme vormen van democratie waarin de wil van de meerderheid wet is, zoals het referendum, en richt het zijn pijlen op instituties die het als een belemmering ziet van een daadkrachtige uitvoering van de volkswil. Het doelwit is in potentie elke institutie die de onmiddellijkheid tempert en afstand houdt van de waan van de dag, zoals de Raad van State, de monarchie en de Eerste Kamer.

Ook op dit vlak is in het handelen van de coalitie de invloed van het populisme zichtbaar. De voorbeelden zijn legio. De Raad van State krijgt niet zelden nul op het rekest met haar wetgevingsadviezen, het koningshuis is als bemiddelende factor boven de partijen uit het formatieproces verdreven, de Eerste Kamer staat in toenemende mate ter discussie omdat zij een daadkrachtig optreden van Rutte II in de weg staat. De vvd, om principiële redenen vanouds voorstander van het tweekamerstelsel, spreekt bij monde van fractievoorzitter Halbe Zijlstra opeens agressief over de Eerste Kamer. De senaat kan beter wegwezen als hij het kabinet in de weg staat, meent hij.

Vis-à-vis met de onzekere oude orde weet Wilders de complexiteit van de pluriforme maatschappij en de bijbehorende politiek van traagheid en afstandelijkheid te politiseren, als een vorm van nodeloos moeilijk doen of als een samenzwering van de elite. Van het realiteitsgehalte van deze voorstelling van zaken hoeft hij zich weinig aan te trekken, dankzij het feit dat hij de emotie in de politiek heeft gelegitimeerd. Dát is misschien wel de sterkste troefkaart van het populisme, meent Frissen: ‘De populistische boodschap is zo krachtig omdat het ten volle symbolisch durft te zijn. Onredelijkheid, in de dubbele betekenis van irrationaliteit en onmatigheid, is zijn handelsmerk. Het is een vitalistische stroming waarin de emotie een authentieke bron van waarheid is.’

Wilders kan daarom de kritiek dat hij onredelijk is gemakkelijk langs zich af laten glijden. Zijn populisme gedijt in de belevingscultuur, waarvan de kern is dat de werkelijkheid is zoals mensen haar beleven. Subjectiviteit treedt in de plaats van objectiviteit, een van de kernwaarden van de oude orde. Het wapen dat Wilders hiermee inzet is des te krachtiger omdat hij emotie heeft gelegitimeerd als vrijheid. Vrijheid is zeggen wat je invalt, zij het wel vanuit een egocentrische attitude. Wilders’ populisme heeft weinig geduld met denkbeelden die afwijken van de eigen zienswijze. Rekening houden met anderen komt al gauw neer op een inperking van de eigen vrijheid. Daarmee verschuift de betekenis van vrijheid ingrijpend. In de rechts-populistische uitleg is het een recht van degenen die jou gelijkgezind zijn, zonder wederkerigheid. De vrijheid van de andersdenkenden kan bedreigend zijn, wat voor de populisten de inperking van die vrijheid rechtvaardigt. Vooral moslims zijn daarvan de dupe. De ‘liberale jihad’ tegen de islam die Wilders ooit in een gezamenlijk manifest met Ayaan Hirsi Ali bepleitte, kwam erop neer dat moslims het recht op vrijheid van godsdienst en vrijheid van onderwijs werd ontzegd.

Aan de kracht van populisme draagt bij dat de meeste media, vooral de tv, ook van directheid en onmiddellijkheid houden. De tv is steeds meer het medium van de belevings- en authenticiteitscultuur. Emoties zijn onmiddellijke en onbezoedelde ervaringen en moeten ongeremd kunnen worden geuit. Lachen, huilen, ruzie maken: alles kan als het maar authentiek is. Politici worden vanuit deze invalshoek beoordeeld. Op de tv kan een politicus geen groter compliment krijgen dan: ‘Hij is authentiek.’ De tv houdt ook van de logica van duidelijkheid, waarin weinig geduld bestaat met complexiteit en de tragiek van het onoplosbare. Het moet kort, snel en direct. Dat alles verklaart waarom de tv zo dol is op Wilders en zijn Kamerleden.

***

Het probleem van de oude orde is dat zij het electoraat van Wilders niet meer weet binnen te sluiten. Het populisme biedt deze mensen een nieuwe politieke binding, zij het met een verhaal dat weer anderen buitensluit. Op grond van een enkelvoudige opvatting van goed en fout is de andersdenkende veeleer de vijand die de wil van het volk dwarsboomt dan een tegenstander in de politieke zin van het woord, iemand die ondanks zijn andere opvattingen wel lid is van dezelfde demos.

Aan de hand van het onderscheid tussen dat begrip en etnos verheldert Frissen het verschil tussen het populisme en de oude orde. Het populisme baseert het politieke handelen op een etnische zienswijze op het volk. De nastrevenswaardige gemeenschap berust op een gedeelde geschiedenis en een gemeenschappelijke cultuur, dus op eenheid in taal, geloof, tradities. Etnos staat daarmee tegenover demos, oftewel de politieke gemeenschap, die is gebaseerd op het politieke proces, de grondwet en de rechtsorde. Het essentiële verschil tussen beide is dat het ene begrip geslotenheid impliceert en het andere openheid. Etnos is een gesloten begrip van het volk. Zijn afkomst bepaalt of iemand tot dat volk behoort of niet. Een keuze heeft hij niet echt. De demos, de politieke gemeenschap, daarentegen is open. Ook iemand met een geheel andere etniciteit kan als hij dat wil eraan deelnemen, mits hij binnen de Nederlandse rechtsorde blijft.

Het populisme kenmerkt zich door een nogal ‘fanatieke oriëntatie’ op de eenheid van geschiedenis en cultuur, schrijft Frissen. De politieke gemeenschap in Nederland is evenwel juist ingericht op het zichtbaar maken van de gebrokenheid van de wereld. Daarvan getuigt zowel het stelsel van evenredige vertegenwoordiging dat de veelvormigheid van de samenleving weerspiegelt, als de scheiding van machten en de andere checks and balances die zijn bedoeld om het maatschappelijk evenwicht te bewaren.

Dit trage geheel lijkt de oude orde in toenemende mate ongeduldig te maken, onder de druk die zij ervaart om directer, effectiever te handelen. De tekenen daarvan zijn talrijk. Een daarvan is dat beleidsmakers in de afweging tussen effectiviteit en legitimiteit van maatregelen meer en meer de nadruk op het eerste lijken te leggen. Een recent voorbeeld is het als verkeerscontroles gemaskeerde rechercheonderzoek van de politie, waarbij het om wille van het resultaat is geoorloofd ‘de grens van het juridisch toelaatbare’ op te zoeken. Een voorbeeld van een zwaarder kaliber is de praktijk in het Nederlandse vreemdelingenbeleid om uitgeprocedeerde asielzoekers, kinderen niet uitgezonderd, zonder veroordeling als misdadigers gevangen te zetten, alleen omdat zij weigeren het land te verlaten. De Nederlandse staat heeft het ‘uitroken’ van vreemdelingen tot zijn methode gemaakt, in de woorden van de Rotterdamse dominee Dick Couvée. Hetzelfde effect beoogt het kabinet met de strafbaarstelling van illegalen. Staatssecretaris Teeven hoopt op een ‘verdrijvingseffect’ van deze maatregel. De moraal van de technocratie is hier geen andere dan dat wat gedaan kan worden om resultaat te bereiken ook gedaan moet worden, met steeds repressievere maatregelen als gevolg.

***

De sluipende invloed van het populisme blijkt voorts uit de directe democratie die meer vat krijgt op de andere partijen. Voorzover zich een politiek programma laat destilleren uit de baaierd aan denkbeelden van de pvv, dan is het het streven naar directe democratie, niet het minst vanwege de belofte van krachtdadig, eenduidig en onmiddellijk handelen die zij in zich bergt. Die voorkeur ligt besloten in de populistische logica dat één volk ook één gedachte en één stem heeft, de vox populi. Ook al realiseert de pvv zich wellicht dat dit beeld een constructie is en geen realiteit, dan nog komt het goed van pas in de strijd tegen het verafschuwde multiculturalisme. In haar politieke denken ligt het daarom voor de hand de wil van de meerderheid voor te stellen als de algemene wil. Dankzij een directe democratie, in de vorm van referenda en een directe verkiezing van bestuurders, kan deze wil onmiddellijk tot uitdrukking worden gebracht. De crux is dat de directe democratie daarmee een omkering van de rollen belooft. Ze concentreert de macht bij de meerderheid van het volk en neemt haar de elite uit handen.

Tegenover het moeizame proces van geven en nemen, schikken en plooien van de representatieve democratie plaatst de pvv dus de onmiddellijkheid van de directe democratie. Dat komt ook in haar eigen organisatie tot uitdrukking. Wie stemt op de pvv, stemt op de leider wiens wil wet is. De pvv kent geen leden, dus geen stromingen, geen facties, geen verdeeldheid. Haar Kamerleden handelen met last en Wilders is de lastgever. Spiegelbeeldig gezien is een ledenpartij met al haar interne verdeeldheid geen passende verbeelding van het wereldbeeld dat de leider en zijn volgelingen koesteren, constateert Frissen: ‘Wie orde op zaken wil stellen in de wereld moet het eigen huis natuurlijk smetteloos op orde hebben.’ Een ander voordeel is dat bij gebrek aan tegenspraak binnen de partij de tegenstander weer volop de vijand kan zijn die in krachtige bewoordingen kan worden becommentarieerd.

Sinds de doorbraak van het populisme in 2002 wordt de directe democratie in de ene na de andere partij van de oude orde ingevoerd, eerst in de pvda en de vvd, iets later in het cda. Het gevolg is dat de partijleider steeds meer macht naar zich toe trekt, met een beroep op zijn directe verkiezing door de leden. In de pvda raakte het partijleven lamgeslagen door de verstikkende leiderscultus die Wouter Bos vestigde. Bij herhaling zei hij een lichtend voorbeeld te zien in de ‘geoliede machine’ die het cda was, een gladjes lopende organisatie, bedreven in het spel om de macht, waarin de leider onomstreden was en bovendien geen wanklank viel te beluisteren.

Diederik Samsom treedt in dit voetspoor. Ook hij beschouwt de partij, van de lagere regionen tot de Tweede-Kamerfractie, als een monolithisch geheel ten dienste van zijn leiderschap. Tekenend is hoe hij zonder meer weigerde gehoor te geven aan de wil van de overgrote meerderheid van het pvda-congres om niet mee te werken aan de strafbaarstelling van illegaliteit. In het cda is Sybrand van Haersma Buma de eerste direct gekozen leider. Onthullend is het argument dat Maxime Verhagen voor deze directe verkiezing aandroeg: ‘Zodra er iemand democratisch is gekozen, moet iedereen zich scharen achter de lijsttrekker en ontstaat automatisch eenheid.’ Wat met deze leiderscultus wordt miskend, is dat volkspartijen per definitie geen eenheid kunnen zijn omdat het volk dat zij representeren geen eenheid is. Debat in vvd, pvda en cda is inherent aan het karakter van een volkspartij, met leden die actief zijn betrokken bij het proces van ideeënvorming.

Al met al lijkt het niet overdreven te zeggen dat de partijen die opereren in de oude orde zich daarin voelen opgesloten. Dat geldt vooral voor de coalitiepartijen vvd en pvda, hoewel het cda ook in de oppositie nog geen ontspannen indruk maakt. Aan de vooravond van het nieuwe parlementaire jaar wordt het ongemak van vvd en pvda zichtbaar in hun slechte humeur en de toenemende interne spanningen over de juistheid van de beleidsmatige keuzes. De ongunstige peilingen dragen aan die mineurstemming bij, vooral in een opinieklimaat waarin de tv en haar hang naar de schijnduidelijkheid van Maurice de Hond zo’n belangrijke rol spelen.

***

In De fatale staat haalt Frissen het verhaal Theodicee van F.B. Hotz aan. Het vertelt hoe God met ongenoegen toekijkt wanneer mensen er in een verre toekomst in zijn geslaagd de volmaakte wereld te creëren, waar alles schoon, heel en veilig is. Niemand is ziek, ouderdom noch dood bestaat nog, er zijn geen gebreken of angsten, maar evenmin is er nog kunst, geschiedenis of lust, want die hebben voor perfecte mensen hoegenaamd geen zin meer. God zendt daarom een milde bacterie, een nieuwe. Spoedig is er weer een ziekenhuis, lijden mensen pijn en hebben ze vrees en lust. Hotz schrijft: ‘In een park werd de eerste exhibitionist gesignaleerd en opgepakt. Een vrouw adverteerde met haar lijf in een regionaal dagblad. Kunst, zo lang voor overbodig gehouden, ontstond in een schuur, in het geniep, waar een man een pijpje houtskool vond en een vergeeld maar nog bijna leeg schetsblok. God glimlachte en zag dat het goed was.’

De moraal van het verhaal is dat onvolmaaktheid de kern van het menselijke bestaan is. De hemel bestaat alleen in het hiernamaals, niet op aarde, en in het denkbeeldige geval dat hij wel in het hier en nu tot stand komt, verliezen alle menselijke strevingen om zich met de onvolmaaktheid te verzoenen, zoals kunst en kennis van het verleden, hun zin.

Voor het denken over politiek is van belang dat het besef van het onvolmaakte tot terughoudendheid noopt. Politici moeten vooral niet proberen de hemel op aarde te stichten en kunnen beter de mensen zelf hun gang laten gaan in al hun pogingen er het beste van te maken. ‘Een vitale samenleving die veerkrachtig is, vraagt om een staat die in politieke zin traag en licht is’, concludeert Frissen. Omgekeerd kan politiek die onmiddellijk handelt bij elke misstand, onveilige toestand of onrechtvaardigheid, ten koste gaan van de creativiteit van de samenleving om zelf problemen op te lossen. Het is in alle opzichten dus zo gek nog niet als de politiek haar beperkingen onderkent en eens over een probleem zegt dat het beter is er voorlopig niets aan te doen.


Paul Frissen, De fatale staat: Over de politiek noodzakelijke verzoening met tragiek. Van Gennep, 296 blz., € 23,50