Het verweesde conservatisme

In de greep van radicaal-rechts

Het conservatieve gedachtegoed stond ooit voor sceptisch denken over de menselijke conditie, voor het besef dat het bestaan zich maar in beperkte mate laat reguleren. Waarom verkopen conservatieven nu dan hun ziel aan de stokebranden van radicaal-rechts?

Edmund Burke-karikatuur, 1790 © W. Dent, 14 december 1790 / Library of Congress

Het is wonderlijk. Hoe kan je als aanhanger van een beweging die in de politiek de gematigdheid, de goede smaak en de welgemanierdheid voorstaat bij een partij van stokebranden terechtkomen, met een politica in de hoogste rangen – Annabel Nanninga – die voor de verdronken vluchtelingen op de Middellandse Zee het woord ‘dobbernegers’ heeft gemunt? Dat raadsel, waarom conservatieven in de verleiding kunnen komen de kant te kiezen van radicaal-rechts, laat zich in een kleine anekdotische geschiedenis aanschouwelijk maken.

Bij de presentatie van zijn boek Lof van het conservatisme in 2003 overhandigde Bart Jan Spruyt, destijds directeur van de Edmund Burke Stichting, het eerste exemplaar aan Jérôme Heldring. Dat was een huldeblijk aan de NRC-columnist: Heldring was een van de weinige intellectuelen in Nederland die zich publiekelijk ‘conservatief’ noemde. Ten tijde van de boekpresentatie was dat al geen ‘infectie’ meer waarvoor je je moest laten behandelen met een ‘links antidotum’, zoals de NRC constateerde, maar in het jaar waarin Heldring zijn coming-out had, 1974, doorbrak hij daarmee nog een taboe.

Door hem te vragen als eregast wilde Spruyt vieren dat ‘conservatisme’ geen vies woord meer was. Maar hij had ook een inhoudelijk motief om Heldring die eer te betonen: Spruyt kon zich goed vinden in diens ‘sceptische conservatisme’.

Volgens Heldring was het verstandig twijfelzuchtig te zijn en niet al te veel te vertrouwen op de goedheid van mensen. ‘Er is reden tot verontrusting over de menselijke aard’, vatte hij zijn scepsis droogjes samen. Een conservatief berustte in dat menselijke tekort en accepteerde dat de politiek behoedzaam moest zijn en maat diende te houden, in het besef dat zij altijd kan mistasten. Eerder dan een afgeronde politieke ideologie was conservatisme volgens Heldring dus een ‘levenshouding’, die onvermijdelijk ook consequenties in de politieke sfeer had.

Het is curieus dat Spruyt een jaar na de publicatie van zijn erudiete, scherpzinnige Lof van het conservatisme zijn steun uitsprak aan Geert Wilders, dus: partij koos voor het rechtse radicalisme, dat mateloos is in zijn drift en de overtuiging van zijn eigen gelijk. Dat zijn geen eigenschappen van een bedachtzaam conservatisme. Later brak Spruyt met Wilders, na een kort dienstverband bij diens fractie. Zijn vergissing was, zei hij, dat hij in de pvv de kiemen van een conservatieve partij had gezien. Bij nader inzien ontwaarde hij er een ‘natuurlijke neiging’ tot fascisme in.

Toch lijkt zijn keuze voor Wilders geen eenmalige vergissing, nu Spruyt in Thierry Baudet opnieuw een mogelijke wegbereider ziet van een conservatieve partij. Op een symposium in Gouda, in juni 2019, vroeg hij zich af of hij voor Baudet dezelfde rol vervulde als Johannes de Doper ooit voor Jezus: die van profeet. Dat was speels gebruikmaken van zijn bijbelkennis – Spruyt is orthodox gereformeerd – maar hij vervolgde wel met een serieuze vraag aan Baudet: ‘Ben jij, na mensen als Bolkestein en Fortuyn, de man bij wie het conservatieve gedachtegoed in goede handen is en die er politiek resultaat mee gaat boeken?’

—————

Baudet is minstens zo radicaal als Wilders, niet alleen in zijn zelfvoldaanheid, maar ook in zijn wil om de bestaande orde in gruzelementen te laten vallen. Zijn politieke project komt neer op de sloop van de instituties die de naoorlogse wereld een zekere mate van voorspelbaarheid en stabiliteit gaven: de Europese Unie, mensenrechten- en handelsverdragen, internationale rechterlijke instanties, de VN. Dat is eerder een revolutionaire dan een conservatieve impuls.

In 1790, drie jaar vóór de Franse Revolutie ontspoorde in geweld, fileerde de Britse conservatief Edmund Burke in Reflections on the Revolution in France al hoe die afloop in de revolutionaire aandriften lag besloten. De grootste vergissing van de revolutionairen was volgens Burke dat zij de maatschappij zagen als een soort bouwsel uit de blokkendoos dat je naar believen kon afbreken en in een andere vorm herbouwen. Dat was een onderschatting van de complexiteit van het maatschappelijk bouwwerk, waarschuwde hij, met mogelijk fatale gevolgen. Dat bleek toen de Franse revolutionairen het oude bestel tot de grond toe hadden afgebroken: tijdens de Terreur spoelde een golf van geweld over het land.

‘De Fransen zijn ’s werelds bekwaamste architecten van puinhopen’, had Burke al geschreven. Hij schreef de blinde vlek van de revolutionaire voormannen toe aan hun neiging de eigen theorie over de ideale samenleving als de enig juiste te beschouwen. Alles in de bestaande orde wat niet paste in die theorie was een obstakel voor het verwezenlijken van het ideaal.

Burke’s analyse is nog altijd actueel. De revolutionaire geest is in deze tijd zowel vaardig over linkse radicalen in de VS die standbeelden van Thomas Jefferson en George Washington omvertrekken als over een rechtse radicaal als Baudet. In de wereld die hij in zijn theorieën heeft geconstrueerd is geen plaats voor de EU en andere instituties van de multilaterale orde. Daarom moeten ze in duigen.

Het is niet verwonderlijk dat hij je doet denken aan Donald Trump en diens vernielzuchtige neigingen met de wereldorde. Baudet zelf roept die associatie op, nu hij heeft gezegd dat hij een tweede termijn voor de Amerikaanse president wel ziet zitten. ‘Ik hoop echt dat Trump wordt herkozen’, zei hij het afgelopen voorjaar in een terugblik op diens presidentschap. ‘Volgens mij is hij een groot geschenk, niet alleen voor de VS maar voor het hele Westen.’

Spruyt is niet de enige conservatief die een geestverwantschap in radicaal-rechts ziet. De Leidse hoogleraar rechtsfilosofie Paul Cliteur, bij wie Baudet promoveerde, is senator voor Forum voor Democratie (FvD) en directeur van het Renaissance Instituut, het wetenschappelijk bureau van Baudets partij. De Groningse emeritus hoogleraar Frans Ankersmit liet zich door Baudet strikken voor de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer. Andreas Kinneging, Cliteurs collega bij rechtsfilosofie, is weliswaar niet politiek actief voor FvD, maar onderschrijft een aantal kernideeën van de partij, die hij uitspreekt in een taal waar de weerzin tegen de instituties vanaf spat.

Evenals Baudet, om een voorbeeld te geven, noemt Kinneging de Europese Unie een ‘superstaat’ die als doel heeft ‘alle Europese landen gelijk te schakelen’. Hij schrijft dat in zijn nieuwe boek De onzichtbare maat: Archeologie van goed en kwaad. Kinneging deelt ook Baudets opvatting dat de rechterlijke macht een ‘sluipende machtsgreep’ in Nederland onderneemt. In een hoorzitting voor de Tweede Kamer zei hij kortweg over rechters: ‘Ze hebben te veel praatjes.’ En evenals Baudet ziet hij overal de hand van ‘links’ in. Zo luidde de val van de Muur volgens hem niet het einde van het socialisme in, integendeel: ‘Het socialisme is ondergronds gegaan. Zij zijn zich vanaf 1989 liberalen gaan noemen en onder de naam liberalisme hun egalitaristische, etatistische agenda gaan voeren.’

Hij zei dat bij de opening van de Blue Tiger Studio van Tom Zwitser, een geestverwant van Baudet die zijn eigen YouTube-kanaal is begonnen. Kinneging heeft op Zwitser zijn hoop gevestigd voor het doorbreken van de ‘pensée unique’ in de media. Van de NRC tot Trouw, de Frankfurter Allgemeine Zeitung tot The Guardian, Le Monde tot De Groene Amsterdammer, het is volgens hem één pot nat: ‘Hun boodschap wordt gekker en gekker.’

Thierry Baudet: ‘Ik hoop echt dat Trump wordt herkozen. Volgens mij is hij een groot geschenk, niet alleen voor de Verenigde Staten maar voor het hele Westen’

Hoe zijn conservatieven als Kinneging, Cliteur en Spruyt in de hoek van radicaal-rechts beland? Dat zij het revolutionaire extremisme op de koop toe nemen op zoek naar politieke macht voor het conservatisme is een al te cynische verklaring: dan zouden ze het eigen gedachtegoed niet serieus nemen. Het is evenmin waarschijnlijk dat zij de kitsch in de retoriek van Baudet niet doorzien. De verwantschap tussen leidende Nederlandse conservatieven en het rechtse radicalisme gaat dieper, blijkt bij nadere beschouwing.

Karikatuur van Edmund Burke (1790), de grondlegger van het moderne conservatisme © Wm. Holland 15 november 1790 / Library of Congress
—————

Volgens schrijfster Marente de Moor is het populisme de politieke stem van het betweten: ‘Niet alleen de afkeer van politici die wikken en wegen, maar ook de gesmoorde scepsis ligt aan de wortel van de populistische stem.’ Dat schreef zij in de NRC, in een pleidooi voor het sceptische denkproces, dat volgens haar op dit eenvoudige principe neerkomt: ‘Twijfel verlangt wijsheid en het vertrouwen dat een verhaal altijd twee kanten kent.’

Dat doet denken aan de waarschuwing van de historicus Johan Huizinga voor een politiek waarin ‘hoogmoed en toorn’ de leidende instincten zijn. Huizinga schreef dat in ‘Nederlands Geestesmerk’, een essay uit 1934. Hij maakt daarin een onderscheid tussen drie ‘temperamenten’ in het politieke leven: het behoudende, het hervormingsgezinde en het radicale. De aanhanger van behoud zegt, aldus Huizinga: ‘Zo moet het zijn!’ De hervormingsgezinde meent: ‘Zo kan het worden!’ De radicaal roept: ‘Zo zullen wij het maken!’

Wat de radicaal volgens Huizinga kenmerkt is dat hij niet kan berusten in de onvolmaaktheid van het bestaan en daarom naar het revolutionaire neigt. Dat onderscheidt hem van de behoudende en de hervormingsgezinde krachten: beide gaan uit van een geleidelijke ontwikkeling, waarbij de een de erfelijkheid accentueert, de ander de verandering. Als het erop aankomt, betoogt hij, telt de overeenkomst tussen de behoudende en hervormingsgezinde krachten zwaarder dan hun verschil en ligt het voor de hand dat zij samengaan tegen de radicale.

Jérôme Heldring was dat met de historicus eens. Hij vond de behoudende en de hervormingsgezinde partijen, in tegenstelling tot de radicale, allebei waardevol voor een zekere stabiliteit van de samenleving. ‘Samen zorgen zij, historisch gezien, voor de spanning-in-evenwicht zonder welke geen samenleving levend blijft’, schreef hij. Ook de Poolse filosoof Leszek Kołakowski, een van Heldrings intellectuele helden in de conservatieve denkwereld, meent dat de maatschappelijke orde het meest is gebaat bij een politiek waarin het conservatisme fungeert als een kritische factor bij liberalisme en socialisme, de politieke gedaantes van het vooruitgangsgeloof, en niet zozeer als een alternatief.

‘Wilt u achteruit naar voren gaan!’ was het motto – opgetekend uit de mond van een trambestuurder in Warschau – dat Kołakowski meegaf aan zijn korte essay ‘Hoe een conservatief-liberaal socialist te zijn?’ Hij kon voor zowel het liberalisme als voor het socialisme waardering opbrengen. Het liberalisme zegt dat de staat weliswaar een taak heeft in het bieden van veiligheid en zekerheid aan mensen, ook in de vorm van sociale verzekeringen, maar daarin niet te ver moet gaan omdat anders de vrijheid uit het leven verdwijnt. Aan de andere kant opent het socialisme de ogen voor de noodzaak de economie onder maatschappelijke controle te brengen, met maatregelen die de vrijheid inperken en de gelijkheid vergroten.

Als tegenwicht is het conservatisme onmisbaar, meent Kołakowski, om zicht te houden op de schaduwkanten van politiek die mensen vrijer of gelijker wil maken. Dankzij de conservatieve scepsis weten we dat er geen happy ending van de geschiedenis is, schreef hij: tegenover elke verbetering zal onherroepelijk een verslechtering op een ander vlak staan.

Het conservatisme, daar komt Kołakowski’s betoog op neer, wijst ons op de noodzaak van omzichtige politiek: verwacht er niet te veel van. Denk niet dat als je de maatschappij verbetert je ook de mens verbetert, waarschuwt hij, want afgunst, drang naar onderscheiding, hebzucht en agressiviteit zijn niet louter het gevolg van een slecht functionerende maatschappelijke orde. Na de omverwerping van die orde en de vestiging van een nieuwe zullen de misstanden die behoren tot het menselijke tekort er nog altijd zijn. Iets anders verwachten, besluit hij, is ‘in de hoogste mate ongeloofwaardig en strijdig met de ervaring’.

Huizinga, Heldring, Kołakowski: alle drie beschrijven zij het conservatisme als een houding, niet als een politieke ideologie. De Britse politiek filosoof Michael Oakeshott gaf ooit deze definitie van zijn eigen conservatieve levensovertuiging: ‘Je bent conservatief als je het bekende boven het onbekende verkiest, het beproefde boven het onbeproefde, het feit boven het mysterie, het bestaande boven het mogelijke, het beperkte boven het onbeperkte, het dichtbije boven het verre, het genoeg boven het overvloedige, het geschikte boven het perfecte, schik in het nu boven utopische gelukzaligheid.’

Recapitulerend: de zienswijze op conservatisme als een houding is gebaseerd op het besef dat het bestaan zich maar in beperkte mate laat reguleren. Het conservatisme is om die reden anti-ideologisch. De samenleving laat zich niet vatten in een alomvattende theorie: zij is eerder een tijdelijk geordende chaos dan een coherent en consistent geheel.

—————

In dit licht komt de ontrafeling van het raadsel hoe een behoudende kracht politiek kan transformeren in een extremistische weer wat dichterbij. Dat gebeurt op het moment dat het conservatisme een politiek inhoudelijke lading krijgt en de gedaante van een ideologie aanneemt. Dat heeft onvermijdelijk zijn weerslag op het politieke denken, spreken en handelen, dat radicaler zal worden naarmate de maatschappelijke werkelijkheid verder is verwijderd van het ideologische ideaalbeeld.

Conservatieve intellectuelen als Spruyt en Kinneging hebben zo’n politiek inhoudelijke lading aan hun gedachtegoed gegeven. De kiemen voor het afslaan naar rechts zaten al in Spruyts boek Lof van het conservatisme, daar waar hij schrijft dat het conservatisme onmogelijk te verenigen is ‘met welke vorm van socialisme dan ook’. Het is dan niet meer, zoals in de denkwijze van Heldring en Kołakowski, het noodzakelijk matigende tegenwicht tegen vooruitgangsideologieën, maar een alternatief dat daarmee onverenigbaar is. Zo ontstaat een denktrant waarin de synthese ontbreekt – en verandert de harmonische inslag van het conservatisme in een antagonistische.

Spruyt schrijft bovendien dat de ‘cultuur’ in de conservatieve visie ‘de onderbouw’ vormt van de politiek. Daar valt wat voor te zeggen, mits je cultuur opvat als een open, dynamisch begrip, afhankelijk van plaats en tijd, waarin de omgangsvormen tussen mensen, hun gedragscodes, zeden en manieren vorm krijgen in een permanente wisselwerking tussen het oude en het nieuwe. Dat je het spanningsveld waarop die interactie zich voltrekt ook terugziet in het politieke debat is logisch. In die zin is cultuur inderdaad haar ‘onderbouw’.

Volgens Kinneging hebben de Verlichting en de Romantiek de mensen op een dwaalspoor gebracht doordat zij de vrijheid en de gelijkheid hebben verabsoluteerd

Spruyt en Kinneging koesteren daarentegen een statisch, gesloten beeld van hoe de cultuur hoort te zijn, door Kinneging gedoopt als ‘de Grote Europese Traditie’. Dat brengt een heel andere spanning in het politieke en in het publieke debat: een tegenstelling tussen vrienden en vijanden van de traditie, volgens Kinneging zelfs tussen enkelingen die nog weten hoe het hoort en de grote massa die daarvan geen enkel idee meer heeft.

In dit antagonistische denkpatroon is Kinnegings boek De onzichtbare maat getoonzet. Tot een synthese komt het nergens: het lijkt wel of zijn denken zijn houvast zou verliezen als het niet op een heldere tegenstelling kan rusten tussen voor en tegen, goed en slecht, these en antithese. Ook zijn geschiedbeschouwing is antagonistisch. De Verlichting is in zijn ogen niet zozeer een corrigerende reactie op het overleefde regime van de absolute vorst en de rooms-katholieke kerk, als wel een breuk met de ‘Grote Europese Traditie’. Hij beschrijft de geschiedenis als een reeks van zulke breukmomenten, niet als een vloeiend geheel dat door de ‘stroom des tijds’, om met Heldring te spreken, vorm krijgt.

Kinneging zet zijn toon al op de eerste pagina van zijn boek, als hij aankondigt dat hij ‘het gevecht tussen de antieken en de modernen’ wil hernemen. Hij beschrijft de geschiedenis als een strijd waarin de Traditie, gevormd door ‘Athene’ (de klassieke filosofie) en ‘Jeruzalem’ (het christendom), allengs in de verdrukking is geraakt door het ‘offensief’ dat haar tegenkrachten Verlichting en Romantiek inzette. In de periode na de ‘culturele revolutie’ van 1968 is de doodsklap toegediend, schrijft hij: ‘Sedert die tijd is men bezig alle restanten van de Traditie één voor één uit de weg te ruimen.’

Het gevolg volgens Kinneging: mateloosheid heeft zich van mensen meester gemaakt, nu met de Traditie ook de vier kardinale deugden verstandigheid, rechtvaardigheid, moed en gematigdheid als leidende levensprincipes uit hun bewustzijn zouden zijn verdwenen. Het ‘menselijk Goede’ heeft daarmee plaatsgemaakt voor ‘het Kwaad’, doceert hij.

Volgens hem hebben de Verlichting en de Romantiek de mensen op een dwaalspoor gebracht doordat zij de vrijheid en de gelijkheid hebben verabsoluteerd. Hun verleidelijke kracht is dat zij appelleren aan ‘onze grootste begeertes’, schrijft Kinneging: zelf meester te zijn en geen meester boven je te hebben, ni Dieu, ni maître. De gelijkheid draagt die belofte in zich doordat haar kwintessens anti-hiërarchisch is, de vrijheid doordat zij tot het uiterste doorgevoerd een totaal individualisme inhoudt: je kunt doen en laten wat je wilt.

Mensen zijn daarmee hebzuchtig en hoogmoedig geworden, meent hij. Ze zijn ‘varkens’, in een wereld die is afgestemd op de overheersende behoeftes van de grote massa: ‘Dat wil zeggen een wereld van entertainmentparken, shoppingmalls en outlets, alomtegenwoordige snelwegen en auto’s, speelparadijzen, wellnesscenters, hypermarkten, porno- en koopsites, prefab woontorens en woonwijken, een toeristenindustrie over de gehele wereld, en heel veel snoep, drank, zoet en vet eten, drugs en beeldschermen.’

Afgezien van de ‘kleine groepen’ die zich nog met de Traditie verbonden voelen, schrijft Kinneging, heeft ‘de grote massa zich er geestelijk geheel en al van ontdaan’. Zij zijn allemaal ‘Romantici en Verlichtingsadepten’.

—————

Door dat stampende taalgebruik, zonder relativerende toets of rekkelijkheid met de eigen opvattingen, maakt Kinneging het je bijna onmogelijk vrijheid en gelijkheid te verdedigen als waarden waarvoor veel mensen op de wereld nog moeten strijden, niet omdat ze al hun begeertes willen bevredigen of omdat ze tegen elk gezag zijn, maar om een fatsoenlijk bestaan te kunnen leiden. Bij hem staan mensen die meer vrijheid en gelijkheid nastreven tegenover degenen die ‘het Goede, het Ware en het Schone’ willen. Dat het een kan samenvallen met het ander is volgens hem een modern geloof, waartegen hij met verbale mokerslagen ten strijde trekt om je je ongelijk in te peperen: je lijdt dan aan ‘vrijheids- en gelijkheidsidolatrie’.

Ook de onheilsverwachting doet de woorden van conservatieven als Kinneging opzwellen. In een lezing uit 1967, opnieuw uitgegeven onder de titel Aspecten van het nieuwe rechts-radicalisme, wees filosoof Theodor Adorno al op de neiging van rechts-radicalen om de dreiging van een eindtijd op te roepen, waarin de ‘sociale catastrofe’ zich zou voltrekken. Apocalyptische beelden zijn in hun kringen geliefd: de boektitel Suicide of the West is zo populair dat twee afzonderlijke Amerikaanse publicisten (James Burnham en Jonah Goldberg) er al voor kozen. In zijn boek verzucht Kinneging bij herhaling dat de Europese Traditie ‘op sterven na dood is’. Baudet waarschuwt dat de generatie van nu de laatste is die ‘het tij kan keren’, anders is Nederland ‘reddeloos verloren’.

Het al dan niet beoogde effect van deze ondergangsretoriek is dat degenen die waarschuwen zich als visionair kunnen presenteren: zij zien wat anderen nog ontgaat. Het is niet verwonderlijk dat de verbittering over een wereld die verloren dreigt te gaan uitmondt in rancune: er moet toch iemand schuldig zijn aan de teloorgang. Bij Kinneging zijn dat de ‘Romantici en Verlichtingsadepten’, bij Baudet en Cliteur de ‘cultuurmarxisten’.

Het is ook logisch dat zij zich keren tegen de instituties die conservatieven vanouds juist als onmisbaar voor de stabiliteit van de samenleving zagen. In hun ogen is een institutie als de kerk door moderne nieuwlichterij de weg kwijt, heeft de nationale staat zich uitgeleverd aan de EU, is de cultuur verwaterd door het multiculturalisme, wordt het maatschappelijke middenveld gedomineerd door linkse actieclubs, is het parlement in de greep van een bureaucratische technocratie.

—————

Kinneging en zijn geestverwanten keren zich zo resoluut tegen de Verlichting dat het sceptische denken dat in dat tijdperk zijn legitimatie kreeg bij hen lijkt te zijn uitgedoofd. Ook dat verklaart waarom het conservatisme van een politiek van gematigdheid, goede smaak en welgemanierdheid is veranderd in antagonistisch vijanddenken. Het existentiële gevecht moet worden gevoerd: tegen de islam, de EU, de Verlichting, het feminisme, de linkse media, de moderne kunst, het multilateralisme en tegen de ‘oikofobische’ krachten die uit zijn op de ‘omvolking’ van Europa.

In een artikel in The New Republic betoogt de Amerikaanse schrijver John Ganz dat rancune vandaag de dag de constante is in het conservatieve denken: de idee dat er een vijand is die het op de westerse beschaving heeft gemunt. ‘Meer dan principiële overtuigingen, geeft de aanwezigheid van dreiging en een vijand rechts energie’, schrijft hij. ‘Vanouds verwerft de conservatieve intellectueel zich het meeste aanzien als hij optreedt als de apologeet van het existentiële gevecht.’ Dat was al zo in de tijd van Joseph McCarthy, de Republikeinse senator die in de jaren vijftig een heksenjacht opende op al dan niet vermeende communisten in de VS. De conservatieve auteurs William Buckley en Brent Bozell vonden zijn acties weliswaar ‘verwerpelijk’, schreven zij in McCarthy en zijn vijanden, maar over het mccarthyisme als beweging waren ze lovend: dat was van ‘cultureel-therapeutische waarde’.

In de VS is nu dagelijks te zien wat er gebeurt als rancuneus vijanddenken bezit neemt van het Witte Huis. In de coronacrisis schuift president Trump de schuld voor de chaos die hijzelf veroorzaakt af op de gebruikelijke vijanden: de Democraten, de immigranten, China, Barack Obama. Hij kan het niet laten het land onder te verdelen in vriend en vijand, zelfs in een tijd die om nationale saamhorigheid vraagt. Hij giet zijn vitriool vooral over gouverneurs van de Democratische Partij: zij moeten ‘aardig’ voor hem zijn, anders kunnen ze federale hulp bij de bestrijding van het virus wel vergeten.

De coronacrisis is een schok voor het vooruitgangsgeloof: een pandemie die begon op een dierenmarkt in een Chinese stad kan de hele wereld acuut stilzetten. Juist dan zou het conservatisme als een vorm van sceptisch denken over de menselijke conditie van pas komen: hoed je voor al te hooggespannen verwachtingen over de greep die je op het bestaan hebt. Tragisch dat het zijn ziel aan de stokebranden heeft verkocht.


Met medewerking van Wout Cornelissen (Freie Universität Berlin) en Theo de Wit (Tilburg University)