In ‘De Groene’ van 1930 verscheen al een aanklacht tegen zwarte piet

In april 1930 bracht De Groene een heus Neger-nummer uit – ‘En negers, niets dan negers op de verdere bladzijden. Schrik niet, lezer!’ Een fascinerende read, niet in de laatste plaats omdat er een van de eerste artikelen in staat waarin stelling wordt genomen tegen zwarte piet, De negers in ons huiselijk verkeer.

‘Inderdaad, het debat lijkt ieder jaar steeds eerder te beginnen, maar begon het ooit zo vroeg als in 2012?’ Zo opent het Groene-artikel waarin twee prominente anti-racisme-activisten – Quinsy Gario en Zihni Özdil – worden geportretteerd.

2012 staat, voorzover ik kan nagaan, nog steeds aan kop. Maar een goede tweede lijkt het jaar 1930. In april van dat jaar brengt De Groene een heus Neger-nummer uit – ‘En negers, niets dan negers op de verdere bladzijden. Schrik niet, lezer!’ Ik kwam twee jaar geleden op Twitter ook al wat verwijzingen naar dit nummer tegen, maar realiseerde me toen niet dat het in z’n geheel te downloaden is via het koloniaal archief van de Universiteit van Leiden. Afgelopen weekend kwam het nummer opnieuw onder de aandacht toen schrijfster Usha Marhe erover schreef op haar blog.

Wat de precieze aanleiding is voor het themanummer heb ik niet kunnen achterhalen. Ik hoor het graag als iemand meer weet. Het is in ieder geval een fascinerende read, niet in de laatste plaats omdat er een van de eerste artikelen in staat waarin stelling wordt genomen tegen zwarte piet, De negers in ons huiselijk verkeer. Auteur is Melis Stoke, een pseudoniem waarachter de joodse auteur Herman Salomonson schuilging. In het artikel maakt hij zich tot ‘tolk van vele negers’ en constateert dat zijn tijdgenoten ‘in gebreke zijn gebleven ze (negers) op te nemen in ons huiselijk verkeer’. Het is een heerlijk fel artikel met nog altijd geldige kritiek op de behandeling en representatie van zwarte mensen. Halverwege het stuk haalt Stoke een literair foefje uit en laat hij zogenaamd een Haïtiaanse vriend aan het woord: ‘Stel u voor – schrijft mij een kennis uit Haïti – dat wij de blanke eens met gelijke munt gingen terugbetalen….?’ Hier wordt Stoke niet alleen een ‘tolk van vele negers’, hij wordt er – in literaire zin – daadwerkelijk eentje. En vanuit dat perspectief gaat Stoke nog dieper en feller in op de (racistische) botheid en onnadenkendheid die zo vanzelfsprekend waren in alle geledingen van het Nederland van destijds.

Toevallig herlas ik gisteren een artikel van Anil Ramdas – Moedwil en kwade trouw bij blanke schrijvers (1997) – waarin hij Nederlandse literaire auteurs de maat neemt die zwarte Surinamers nog altijd verbeelden als primitieve zinnelijke wezens: ‘Het verre land is niet meer dan een akelig decor waartegen de Nederlander zijn verloren liefdes beweent. Maar wat zijn de tropen zonder sensualiteit, wat heb je aan zwarten zonder erotiek? (…) Juist degenen van wie men mag eisen dat zij over de vaardigheid en het talent beschikken om de onzichtbaren zichtbaar te maken, blijken niet meer te kunnen zien dan wat variaties op hun zelfbeeld. Ze herkennen uitsluitend wat ze al kennen en verbannen het vreemde en het onbekende naar de oorden van vage schimmen of exotische objecten van de lust.’

Vergelijk dat met wat Melis Stoke in 1930 schrijft: ‘O, zeker, er is een strooming in uwe letterkunde die zich meer speciaal richt op de intimiteiten van ons liefdesleven, maar onder deze nieuwsgierigheid kan ik geen hartelijke belangstelling vinden. Wij vormen dus om zoo te zeggen een decor voor u, en aan de tegenstelling van ons uiterlijk en het uwe ontleent ge een kleinzielige en belachelijke superioriteitswaan.’

Aan het slot belandt Stoke bij de passage die hem de afgelopen dagen viral deed gaan op internet: ‘En het behoeft nimmer tot verwezenlijking te komen wanneer ge tijdig van uwe dwalingen mocht terugkeeren, door den neger, een eervoller plaats in uwe belangstelling in te ruimen. En aangezien elk opvoedingssysteem zich richt op een komende generatie, moet u met de kinderen beginnen, door bijvoorbeeld op 5 december a.s. een zwarten Sinterklaas te laten optreden, gediend door een wit knechtje…’

Wat waren de consequenties voor Stoke? Stroomden de hatelijkheden binnen op de redactie van De Groene? Werd hij van oikofobie beticht? Ook dat valt niet meer te achterhalen. Ik ben geneigd te denken dat het in die tijd vooral als een zonderlinge overtuiging werd beschouwd. Er moest iets meer dan tachtig jaar overheen gaan voordat dat soort oproepen meer dan een marginaal tegengeluid werden.


Meer biografische informatie over Herman Salomonson (Melis Stoke).