KUNST

In de Haagse Posthoorn

Willem Hussem

In de Wederopbouw werden publieke gebouwen - scholen, bibliotheken, ministeries - steevast opgefleurd door flinke kunstwerken, vaak monumentale wandschilderingen of reliëfs. Nu veel van die gebouwen worden gesloopt of verbouwd, delven veel werken het onderspit. Ze zijn lastig te conserveren en er zijn nog niet veel mensen die er de artistieke waarde van zien. Maar het tij zit mee. Zo is een grote schildering die de Haagse schilder Willem Hussem (1900-1974) in 1957 maakte in de voormalige Zuiderpark hbs gerestaureerd. Het gebouw is nu Theater Dakota. Men maakt van de gelegenheid gebruik een klein festival te wijden aan deze Hussem; in Museum Belvedere in Heerenveen is een tentoonstelling van zijn werk ingericht.
Nu zal hopelijk niemand boos worden als ik Hussem een minor painter noem. Zijn nalatenschap is niet al te groot. Heerenveen toont niet meer dan 22 schilderijen; de wandschildering in Dakota is de enig overgeblevene, en Hussems gedichten liggen niet bepaald op ieders lip. Toch was hij in zijn kring, in Den Haag, een gerespecteerde en inspirerende figuur. Hussem woonde tot zijn 36ste in Parijs, waar hij Mondriaan en Picasso ontmoette. Toen hij zich vervolgens in Den Haag vestigde nam hij plaats aan de stamtafel in café De Posthoorn (toen nog aan het Smitsplein) en werd daar het middelpunt van een los verband van schrijvers, dichters en kunstenaars, dat nu Posthoorn Groep genoemd wordt. Daartoe behoorden, bijvoorbeeld, Alexander Pola en Simon Carmiggelt, maar ook J.C. Bloem, Clara Eggink en Martinus Nijhoff. Bloem zou Hussem hebben aangezet tot publicatie van zijn gedichten, die verschenen in De kustlijn (1940) en Uitzicht op zee (1941).
Hussem was nadrukkelijk een ‘moderne’ kunstenaar met een brede armslag, sterk geraakt door Picasso. Na de oorlog produceerde hij alleen volledig abstracte werken, die hij exposeerde met andere 'Experimentelen’, vanaf 1949 verenigd in Vrij Beelden, later opgegaan in de Liga Nieuw Beelden. Een vetpot was het zeker niet. Den Haag was in de jaren veertig en vijftig een dooie boel. Wat zich bohème voelde, zat in De Posthoorn. Hussem nam er aan de stamtafel een respectabele positie in, vanwege zijn rechtlijnige opvattingen en vervaarlijk oordeel. Lezend in de geschiedenis van het café begrijp je opeens de achtergrond van dat fijne versje van J.P. Guépin, De gustibus: 'Over de smaak van sperma valt te twisten,/ het is iets heel persoonlijks./ Toch heb ik zo'n debat/ tussen homo’s en dames -/ nog maar één keer meegemaakt./ In de Haagse Posthoorn.’
De eigenaar van de bodega, Jan Knijnenburg, bood Hussem en schilders als Theo Bitter, Jaap Nanninga en Jan Roede expositieruimte in het café, met zoveel succes dat er op den duur naast het pand een heuse galerie De Posthoorn werd ingericht. De sleutel kon aan het buffet in het café worden opgehaald. De inspanningen van Knijnenburg hielden kunstenaars als Hussem in feite in leven, want de aandacht voor hun werk was gering. In 1960 was zijn werk te zien op de Biënnale van Venetië, maar ook dat leverde hem weinig emplooi op. Aan Hussem werd weliswaar driemaal de Jacob Marisprijs voor schilderkunst toegekend, maar in 1958 werd het winnende werk in de pers nog omschreven als 'zinledig gemors met inkt’.

Willem Hussem - vormen van ruimte, Museum Belvédère, Heerenveen, t/m 20 november; www.museumbelvedere.nl. Hussem Festival Den Haag, t/m 30 oktober, www.hussemfestival.nl