Worstelende Wetenschap #7

In de hersenwetenschap is het echte nadenken in de vergetelheid geraakt

Komen wetenschappers vandaag de dag nog wel aan waarheidsvinding toe? Is de wetenschap in crisis? Om op deze vraag een antwoord te krijgen, duikt journalist Jop de Vrieze de komende drie maanden in de wereld van de wetenschap. Vandaag: hoogleraar Jeroen Geurts over de hersenwetenschap.

Als Jeroen Geurts (1978) ergens moe van wordt, dan zijn het wel de vakcongressen, helemaal gevuld met allerlei wetenschappelijke praatjes achter elkaar. ‘Dan heb je drie dagen geluisterd, drie praatjes waren interessant en de rest is allemaal ruis. Heel inefficiënt.’

Geurts heeft een hoge intolerantie voor inefficiëntie. De hoogleraar translationele neurowetenschappen in het VUmc in Amsterdam is een zeer succesvol MS-onderzoeker en hij verwierf daarnaast bekendheid vanwege al die andere dingen die hij naast zijn wetenschappelijk werk doet. Hij is hoofd van de afdeling anatomie en neurowetenschappen in het VUmc, oud-voorzitter van De Jonge Akademie (onderdeel van de KNAW), sinds vorig jaar voorzitter van ZonMW en daardoor lid van de raad van bestuur van de NWO en is structureel geraadpleegd deskundige van de Gezondheidsraad. Volop onderdeel van het wetenschappelijk establishment dus, maar dat weerhoudt hem er niet van zich regelmatig kritisch uit te spreken over zijn vak, onder meer in zijn vijfwekelijkse column in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad.

Als er één vakgebied de afgelopen decennia uit zijn voegen is gebarsten, is het de hersenwetenschap wel. Die expansie is grotendeels te danken aan een aantal technologische revoluties: de komst van MRI-scanners, waarmee het zuurstofverbruik van de hersenen tijdens bepaalde activiteiten kan worden gemeten, de mogelijkheid om hersenweefsel in proefdieren transparant te maken en de opkomst van een techniek om met behulp van licht hersencellen in proefdieren gericht aan en uit te schakelen. ‘Het hersenonderzoek is daarmee steeds technischer van aard geworden, maar ik vind dat we ondertussen slechte onderzoeksvragen stellen.’
Toen Geurts studeerde, eind vorige eeuw, kwam de functionele MRI net op. Wetenschappers brachten als een malle allerlei hersengebieden in kaart, om te bepalen welke functies ze uitvoerden en bij welke activiteiten ze actief waren – dat is wat Geurts ‘het moderne schedelduiden’ noemt: zoals men in de achttiende en negentiende eeuw dacht aan de vorm van de schedel iemands karakter te kunnen aflezen, dacht men nu aan de hersenactiviteit af te lezen welk gebiedje voor welke activiteit of welke ziekte verantwoordelijk was, zonder uit te zoeken wat er nu echt gaande is.

‘Zo simpel is het brein niet. Het is niet een verzameling gebiedjes die elk hun taakje hebben. Het gaat om interactie tussen gebieden en hoe de hersenen die informatie integreren – dat wil je doorgronden. Dat erkent iedereen in het veld nu wel, maar we hadden het eerder kunnen bedenken.’
En alsof het vakgebied uit dat werk geen lering heeft getrokken, wordt er nu wederom geroepen dat er oorzakelijke verbanden kunnen worden ontrafeld, verzucht Geurts, deze keer door genen in proefdieren uit te schakelen en vervolgens het gedrag dat de proefdieren vertonen te observeren. ‘Vervolgens concluderen ze dat dit gen het gedrag veroorzaakt. Wederom: veel te simpel. Hersenfuncties worden niet door één gen aangestuurd. Ze ontstaan door een complexe interactie van allerlei verschillende genen en omgevingsfactoren. Dat is waar ik me wel aan erger in mijn vakgebied.’

En waar de psychologie en de medische wetenschap door schade en schande wijs geworden volop bezig zijn met een kritische zelfreflectie, is die wind binnen de hersenwetenschap nog niet echt opgestoken. En dat terwijl ook hier de schandalen en fundamentele kanttekeningen niet van de lucht zijn. Zo schreven Zweedse onderzoekers dat een groot deel van de fMRI-resultaten vals-positief is – waarbij er dus een niet bestaand verband wordt gevonden tussen hersenactiviteit en lichamelijke activiteit. En vooral vergaande popularisering van hersenwetenschappelijke bevindingen worden terecht bekritiseerd.

De belangrijkste oorzaak van dit falen, aldus Geurts, is dat – hoe ironisch – in het hersenonderzoek te weinig écht nagedacht wordt. ‘Naar een MS Journal waar ik redacteur van ben wordt heel veel toegestuurd waar echt heel basale redeneringsfouten in zitten. Dat is zo zonde.’
Zelf begon hij daarom een paar jaar geleden aan een opleiding praktische filosofie en startte verschillende samenwerkingen met filosofen, om antwoorden te vinden op diepere vragen: wat willen we eigenlijk weten over de hersenen? Waar kijken we eigenlijk naar?

Eind vorig jaar stelde Geurts een filosoof aan op zijn eigen afdeling. Die filosoof, Gerrit Glas, kijkt bij onderzoekers over de schouder mee. Dat deed hij bijvoorbeeld bij een collega die bezig was een beursaanvraag te schrijven. Dat ging over netwerkfysiologie, maar ook over ‘de geest’. ‘Maar wat bedoelen we daarmee als we die onderzoeken? Wat meten we precies?’ Bij zulke vragen horen onderzoekers zelf ook stil te staan, maar in de alledaagse wetenschappelijke realiteit komen ze niet vanzelf op. ‘We leren het niet meer, en de methodologen die ons erop zouden moeten wijzen zijn veranderd in statistici. Zij houden zich bezig met complexe analyses, niet met conceptuele verantwoording.’

Filosoof Glas doet ook zelf onderzoek. Hij houdt zich bezig met fundamentele vragen, zoals: wat is ziekte precies? Hij kijkt ook naar metaforengebruik in de geneeskunde en hersenwetenschap en hoe dat soms belemmerend kan werken. ‘De computermetafoor voor de hersenen heeft bijvoorbeeld meer kwaad dan goed gedaan, daardoor zijn we verkeerd gaan denken over de hersenen’, zegt Geurts. ‘Onze hersenen werken niet met een harde schijf en een werkgeheugen, maar fundamenteel anders, weten we nu.’
Pas als we zulke vragen blijven stellen naast het gewone technische werk, kan de hersenwetenschap de grote belofte echt gaan waarmaken, daarvan is Geurts overtuigd. ‘Vroeger waren wetenschappers zelf filosofen, tegenwoordig zijn we technici, dan heb je toch weer filosofen nodig.’