Disciplinering in Amsterdam-Nieuw-West

In de jongeren-proeftuin

Amsterdam-West is een proeftuin voor het jeugdbeleid in Nederland. De nieuwe koers richt zich op jongeren die willen meewerken en laat recalcitrante jeugd zelf tegen de muur lopen: zij krijgen geen uitkering of begeleiding meer. Jongerenwerkers zijn enthousiast.

Wie na de rellen in de Franse banlieues vreest dat niemand zich bekommert om jongeren in Nederlandse «kwetsbare wijken» kan gerust zijn. In Nieuw-West bijvoorbeeld, de verzamelnaam voor vier Amsterdamse stadsdelen met relatief veel lager opgeleiden en allochtonen, heeft een arsenaal aan organisaties en instanties zijn netten uitgeworpen in de grote groep jongeren die niet rimpelloos via een opleiding doorstromen naar een behoorlijke baan, woning en maatschappelijke positie. Om een willekeurige greep te doen: je hebt leerplichtambtenaren, zorgcoaches, politieteams, trajectbegeleiders, de sociale dienst, psychologische hulpverleners, de reclassering, contactpersonen, buurthuizen, bureau Jeugdzorg en nog allerhande andere hulpverleners.

Het voorbeeld is niet willekeurig gekozen. Nieuw-West is een proeftuin voor jeugdbeleid in Amsterdam, en andere Nederlandse steden steken op hun beurt hun licht op in de hoofdstad bij de vorming van hun jeugdbeleid. Wat hier gebeurt heeft dus landelijke uitstraling, en de tendens is duidelijk: áf van de softe houding tegen jongeren die hun best niet doen; áf van de ongecoördineerde barrage aan hulpverlening; áf van de gulle hand.

Die nieuwe houding weerspiegelt enerzijds veranderende opvattingen over de verzorgingsstaat, over eigen verantwoordelijkheid van de burger en over het «in de watten leggen» van schoffies, en anderzijds bureaucratische logica. Want de grote katalysator achter de vernieuwingen is de Wet Werk en Bijstand uit januari 2004, die ervoor zorgt dat gemeenten het geld mogen houden dat ze overhouden als jongeren niet in de bijstand terechtkomen.

De verantwoordelijke wethouder Ahmed Aboutaleb juicht de media af als het over het beleid gaat: minder jongeren in de bijstand, meer jongeren aan het werk, meer jongeren op school. Hij is niet de enige die enthousiast is, want wie met mensen uit het veld spreekt, hoort soortgelijke geluiden. Het beleid wordt daarom vanaf volgend jaar ook gekopieerd naar iedereen onder de 27 jaar. GroenLinks lanceerde afgelopen week zelfs voorstellen om soortgelijke regels te betrekken op iedereen.

Dat het nieuwe beleid een verbetering is ten opzichte van vroeger, daar lijkt iedereen die in het veld werkt het wel over eens te zijn. Er lijkt ook niemand te vinden die het oneens is met het principe dat er eisen gesteld mogen worden aan jongeren die voorheen makkelijk de bijstand in stroomden. Maar toch zijn er ook twijfels. «Het systeem werkt nu duidelijk beter dan vroeger», stelt een jongerenwerker uit Stadsdeel Osdorp. «Maar dat betekent niet dat alles nu goed werkt.»

Het nieuwe jeugdbeleid in Amsterdam werd ingevoerd onder PvdA-wethouders Rob Oudkerk en Ahmed Aboutaleb, maar past tegelijk naadloos bij doelstellingen van de kabinetten-Balkenende: ingekrompen en overzichtelijker overheidsdiensten en aanspreken van de burger op eigen verantwoordelijkheid. De jonge burger tot 23 jaar, in dit geval, die in problemen is gekomen op school en dreigt zonder diploma thuis of op straat te komen zitten.

«Zo’n jongere was vroeger in een luxepositie», zegt Jaafar Zahraoui, projectleider van het Jongerenloket, onderdeel van arbeids bemiddelingsdienst Maatwerk. «Het kon nog zo zijn dat verschillende diensten tegelijk bezig waren om voor een jongere werk, een uitkering, een stage of een ander traject uit te werken. Hij kon dan rustig kijken wat het beste resultaat voor hem opleverde, of met de ene instantie in zee gaan en te wisselen als een andere met iets beters kwam.»

Daaraan kwam de laatste twee jaar een einde met een reeks maatregelen. Ten eerste werd er een vaste route opgezet die jongeren doorlopen als ze op school in de problemen komen of bij de sociale dienst aankloppen. Het eerste doel is dan ze terug op school te krijgen of over te plaatsen naar een andere school. Lukt dat niet, dan wordt gekeken of de jongere een baan kan krijgen via het CWI (Centrum Werk en Inkomen, de opvolger van het Arbeidsbureau). Als een jongere weinig kansrijk is op de arbeidsmarkt, dan komt hij terecht bij Maatwerk. Die zoekt een stage voor de jongere en geeft eventueel training in (erg) basale arbeids- en sociale vaardigheden, zoals op tijd komen of beleefd zijn tegen de baas. Als een jongere niet meer met Maatwerk wil werken, dan wacht een «trajectbegeleider» die als een soort coach voor de jongere optreedt en hem telefoonnummers geeft voor instanties die hij mogelijk nodig heeft, zoals woningbouw verenigingen of psychische hulpverleners.

De betrokken instanties wisselen informatie en dossiers uit. Het is dus steeds duidelijk welke instantie op een bepaald moment met een jongere bezig is. «Het is een gesloten systeem, iemand valt er niet zomaar uit», zegt een case-manager van RMC, de opvolger van de Leerplichtambtenaren.

Alle jeugdhulpverleners die voor dit artikel werden geïnterviewd, ervaren de samen werking van verschillende instanties als een grote vooruitgang ten opzichte van vroeger. De meeste geïnterviewden voor dit artikel wilden alleen anoniem meewerken of helemaal niet geciteerd worden.

De tweede grote verandering was dat de uitkering voor jongeren werd stopgezet. Niet officieel, maar in praktijk blijven alleen on geschoolde, alleenstaande jonge moeders en jongeren die werkelijk niet kunnen werken of naar school gaan een uitkering ontvangen. Anderen moeten terug naar school of meedoen aan de stagetrajecten van Maatwerk, waar ze een stagevergoeding krijgen ter vervanging van de vroegere uitkering. «Een uitkering voor jongeren leidde alleen op tot werkloosheid», zegt de case-manager van RMC. «In praktijk bleken jongeren na een paar jaar niets doen erg moeilijk weer in beweging te krijgen.»

Ook de gemeente is bijzonder enthousiast, met name wethouder Aboutaleb. Hij wordt niet moe te wijzen op het ongekend lage aantal jongeren in de bijstand als bewijs van het succes van de nieuwe aanpak, al lijkt dat nogal logisch als je die vorm van bijstand afschaft. Minder vanzelfsprekend zijn andere successen waar Aboutaleb mee kan pronken: meer be drijven die betrokken worden bij de stage- en werktrajecten van de stad, terugkerende scholieren, en jongeren die met de nieuwe aanpak aan (gesubsidieerd) werk komen.

Tot zo ver het goede nieuws uit Amsterdam-Nieuw-West. Want hoewel de nieuwe aanpak in Nieuw-West overwegend positief lijkt uit te pakken, is de polonaisestemming die erover is ontstaan overtrokken en is de rimpelloze oprekking ervan naar iedereen tot 27 jaar wel erg vanzelfsprekend gegaan. Een panacee voor alle jeugdproblemen, zoals het nieuwe jeugdbeleid nu wel gepresenteerd wordt, is het niet: ten eerste is de procedure sterk toe gespitst op wie te motiveren is om mee te doen, ten tweede werken nog te veel haperingen in de procedure en omstandigheden daarbuiten de succesvolle begeleiding van jongeren tegen.

Wat het eerste betreft: een hoofdreden dat de stad nu successen kan claimen, is dat ze aan de slag gegaan is met de veelbelovende groep onder de probleemjongeren, die zich met enige dwang de goede kant op laat duwen. Het moeilijker deel krijgt veel minder aandacht of wordt zelfs helemaal losgelaten. Wie spreekt met hulpverleners uit het veld hoort om de haverklap iets dat het clichébeeld van de softe hulpverlener onderuithaalt: «Als iemand niet mee wil werken, dan maar niet.» Einde verhaal, alle roep om het begeleiden en in de gaten houden van risicojongeren ten spijt, zoals van minister Remkes.

De «moeilijke groep» is overigens geen overtrokken benaming. Het gaat daarbij niet over zielige, slachtofferige types maar om in meerderheid jongens, met name allochtoon, die slecht zijn op school, vaak agressief zijn of andere gedragsproblemen hebben, schulden hebben, tegen de criminaliteit aan hangen of daar al in zitten, vaak maling hebben aan autoriteit of de regels van de maatschappij, die een grote mond hebben en een moeizame relatie met hun ouders, die de informele regels van de Nederlandse maatschappij vaak slecht kennen, die soms minachting hebben voor niet-isla mitische of vrouwelijke hulpverleners, die geen netwerk en werkervaring hebben maar wél het snel even willen maken en pro blemen daarbij steevast wijten aan factoren buiten henzelf. Zulke probleemjongeren zijn niet met een slimme bureaucratische herschikking probleem-af, hoe graag iedereen dat ook zou zien.

Maar het gaat verder dan dat: het nieuwe systeem is zo sterk gericht op motivatie om mee te werken dat de «moeilijke groep» vanzelf van de veelbelovende groep wordt gescheiden. Om te beginnen moet iedereen die een strafblad, schulden of psychische problemen heeft eerst een regeling voor die problemen treffen voor hij aan het werktraject mag meedoen. De anderen komen, als alles loopt zoals het hoort, in een stagetraject van Maatwerk terecht. Zij moeten maandenlange arbeidsdiscipline tonen in ongeschoold werk voor bar weinig geld: tot 125 euro voor jongeren tot achttien jaar, tot 250 euro voor jongeren tot 21 en 550 euro (bijstandsniveau) daarboven. Daarna moeten ze zelf gaan solliciteren, aangemoedigd door een trajectbegeleider. Tenminste, als de trajectbegeleider dat wil, want die kan een jongere weigeren wegens gebrek aan motivatie. De jongeren kunnen natuurlijk kiezen voor een nieuw stagetraject van Maatwerk.

Als je voor ogen houdt dat de meeste jongeren die in zo’n traject belanden hun school maar niets vonden en ermee stopten om geld te gaan maken – en hierbij eerder dachten aan een torenhoog salaris en hopelijk een auto van de zaak dan aan een saaie baan voor een paar honderd euro per maand – dan is te voorzien dat een deel afhaakt. Veel jeugdwerkers vinden dat juist goed. «Als jongeren ermee kappen, dan kloten ze een tijdje aan, ritselen ze wat, komen soms in aanraking met de wet, en na een tijdje bellen ze ons zelf weer op. ‹We willen serieus worden›, zeggen ze dan, of ze gaan op eigen houtje terug naar school», aldus de case-manager van RMC. En Jaafar Zahraoui: «Na een tijdje komen ze erachter dat wij hun redding zijn en bereid zijn echt in ze te investeren.»

Dat is mooi, maar het is onduidelijk hoeveel jongeren dat doen en hoeveel niet, wat zij in de tussentijd uitspoken, en of er een verband is tussen hun uitval en criminaliteit of radicalisering. De cijfers om werkelijk te controleren of het goed is om de jongeren zelf tegen de muur te laten lopen, zijn spaarzaam. Een zo’n cijfer is dat dertien tot twintig procent van de jongeren die aan een Maatwerk-traject meedoen vrijwillig terugkeert naar school. Dat zijn niet de enige jongeren die bij een school terugkeren – Maatwerk tracht hen ook via werk/leertrajecten naar een diploma te loodsen – maar het is minder dan de enthousiaste geluiden zouden doen verwachten.

De jongerenwerker uit Osdorp heeft zijn twijfels bij de nieuwe aanpak. «Elke keer als je om concrete cijfers vraagt, krijg je alleen te horen dat het fantastisch gaat, of krijg je uiteindelijk cijfers die minder rooskleurig zijn dan de verhalen», zegt hij. «Tegelijk krijg ik signalen dat het nieuwe systeem voor een aantal jongeren tekortschiet. De omvang van het probleem blijft echter volstrekt onduidelijk.»

Hetzelfde geldt overigens voor wat de jongeren er eigenlijk zelf van vinden. Er is de afgelopen jaren nergens onderzoek gedaan bij een groep van redelijke omvang om in kaart te brengen wat de meningen over het nieuwe beleid eigenlijk zijn bij de groep die ervan profiteren moet.

Welke effecten de hardere aanpak en het schrappen van de bijstand dus precies hebben, is niet duidelijk. «Er was vooraf veel speculatie dat het stoppen van een uitkering jongeren zou aanzetten tot stelen en andere criminaliteit», zegt een medewerkster van een stichting die met jongeren in Nieuw-West werkt. «Maar criminele jongeren die in de bijstand zaten, haalden hun rotzooi toch wel uit. Een uitkering was alleen een mooi extraatje, ze staakten er echt hun criminele activiteiten niet door.» Dat klinkt aannemelijk, maar het blijft onbevredigend dat het niet te controleren is.

Het laten vallen van moeilijke jongeren is volgens de jongerenwerker uit Osdorp het resultaat van een fundamentele keuze: «Uiteindelijk stuit je bij jongerenwerk altijd op de volgende vraag: hoeveel moeite wil je doen voor jongeren die helemaal niet op je inspanningen zitten te wachten. Het antwoord is nu duidelijk: geen. Het is begrijpelijk, maar het gevaar is dat je de greep op hen verder verliest.»

Tot zo ver zijn problemen besproken die inherent zijn aan de gekozen geïntegreerde procedure. Maar jongeren kampen ook met een aantal horden die daar niet met opzet zijn geplaatst. Dat begint al op het moment dat zij van school gaan of eraf worden gestuurd. Het RMC, de opvolger van de Leerplichtambtenaren, moet dan een nieuwe school zoeken. Dat is niet eenvoudig, want scholen krijgen, als gevolg van onderwijswetten onder Paars, subsidie per student. Het «peilmoment» voor studentenaantallen is 1 oktober, oftewel pal in het begin van het schooljaar. Als een school daarna een student via het RMC opneemt, krijgt ze wél een probleemstudent maar geen subsidie. Dat vergroot de kans op een succesvolle over plaatsing bepaald niet, net als de huiver van scholen voor probleemjongeren sinds de moord op de leraar van het Terra College in Den Haag.

De Amsterdamse scholengemeenschappen (ROC’s) hebben een slechte naam bij jongerenwerkers, omdat zij meer geïnteresseerd zouden zijn – juist door die financierings regels – om in de zomer nieuwe studenten binnen te slepen dan om hen daarna goed te begeleiden. Zo eisen zij van studenten dat zij zelf een stageplaats vinden, anders worden de studenten van school verwijderd – na 1 oktober, uiteraard. En keren de studenten terug, dan moeten zij het hebben van hervonden motivatie, niet van intensievere begeleiding.

Een ander struikelblok is de wachttijd bij het CWI en Maatwerk. De laatste heeft in de regel pas na vier maanden een stagetraject klaar als iemand wordt ingeschreven, wat uiteraard de motivatie van de niet-model jongere extra op de proef stelt. Als een jongere niet (meer) met RMC en Maatwerk wil samenwerken, wordt hij doorgeschoven naar een trajectbegeleider, die hem vervolgens moet coachen. Dat levert vaak weinig op. Volgens de jongerenwerker uit Osdorp wordt van de doorgeschoven jongeren nog minder dan een derde deel überhaupt bereikt door de trajectbegeleiders, nog afgezien van wat het daarna oplevert. De anderen worden in feite opgegeven, stelt deze jongerenwerker, die hun aantal over de hele stad op rond de duizend schat.

Een volgend struikelblok ligt in de schuldenproblematiek. Veel jongeren in Nieuw-West en andere wijken laten hun schulden oplopen om mooie spullen te kunnen kopen en ontduiken vervolgens aflossing. Ze duiken met opzet uit «het systeem» of schrijven zich buiten de stad in om aan de deurwaarder te ontkomen. Daarmee zijn ze per definitie ook onbereikbaar voor Maatwerk, trajectbegeleider of wie dan ook. Als ze weer opduiken, kunnen ze de schuld gaan aflossen via een stage bij Maatwerk, maar bij een vergoeding van een paar honderd euro per maand gaat dat niet erg hard.

Een volgend probleem is dat rond de helft van de meeste jongeren die bij een traject begeleider terechtkomen, kampen met zogenaamde «multiproblematiek»: ze zijn niet alleen werkloos, maar hebben ook schulden, zijn «loverboys», hebben geen huis, zijn agressief of hebben psychische hulp nodig. Een coach – wat de trajectbegeleider moet zijn – is dan onvoldoende.

En ten slotte ondergraaft de huidige economische situatie het hele beleid. Probleemjongeren kunnen wel gaan solliciteren, aangemoedigd door hun trajectbegeleider, maar in Nieuw-West komen er op de simpelste baantjes, zoals vakkenvuller bij Albert Heijn, al gauw vele tientallen sollicitaties binnen. De schooluitvallers hebben dan niet bepaald de beste papieren: namelijk geen. Wat stages betreft is de situatie niet anders: het tekort eraan en de vermeende discriminatie van allochtonen bij het selecteren van kandidaten vormt al voor «normale» studenten een groot probleem, laat staan voor jongeren met een slechter cv.

Het bovenstaande verhaal kan worden gelezen als een onheilsrede over jeugdwerk in Nieuw-West en andere wijken. Dat is niet de bedoeling. Maar wie het nieuwe jeugdbeleid dat de afgelopen jaren in Amsterdam is vormgegeven op waarde wil schatten, zal wel zo gedetailleerd naar jeugdhulpverlening moeten kijken en de problemen ervan erkennen. Commentaren op het jeugdbeleid in Amsterdam gaven in de afgelopen weken een bijzonder versimpeld beeld te zien, waarin jongeren door een pennenstreek hier en een herschikking daar opeens massaal de rechtschapenheid leken in te stromen. Dat is simpelweg niet waar. Daarmee is het beleid niet slecht: het werpt nog steeds vruchten af en de wethouder kan die claimen terwijl hij nog minder geld uitgeeft ook. Maar zo maakbaar als Aboutaleb doet geloven, is de samenleving niet.

Dat inzicht zet ook de intrekking van de uitkering voor iedereen tussen de 23 en 27 jaar in een ander licht. Het gaat hier om een heel andere groep dan jongeren: uitkeringstrekkers in de oudere leeftijdsgroep «falen» al een hele tijd, wonen doorgaans op zichzelf en hebben vaker kinderen. Het intrekken van de uitkering is voor hen daarom een veel zwaardere slag dan voor thuiswonende jongeren.

De groep tussen 23 en 27 jaar krijgt bovendien veel minder begeleiding dan de jongere groepen: één gesprek met een trajectbegeleider in vier weken. De spaarzame begeleiding is er zowel een gevolg van dat deze groep moeilijker te helpen is als dat hulpverleners zelf over het algemeen liever werken met jongeren: het is leuker en er is meer hoop dat het wat op levert. Alle instanties hebben programma’s die speciaal zijn toegespitst op jongeren, van begeleid wonen tot sport tot psychische hulpverlening. Te verwachten maatregelen om de groep tussen 23 en 27 jaar meer begeleiding te geven – die logisch zijn als de uitkering ook voor hen wordt beëindigd – zijn vooralsnog niet genomen.

«De motivatie is vaak beter bij de oudere groep», stelt Zahraoui. «Omdat zij beginnen te beseffen dat de boot bijna is gemist.» Ze zullen het ervan moeten hebben.

_______________________

Clash van vooroordelen

Wie frequent met de trein vanuit Rotterdam naar Amsterdam reist, herkent ze onmiddellijk: de jongens die als groep door de coupés trekken op zoek naar een openstaand tasje, een koffer van een toerist of een uit een broekzak stekende gsm. Iedere tien minuten wordt er door de intercom gewaarschuwd: «Pas op uw bagage, er zijn zakkenrollers actief.»

Als in Haarlem vijf jongens van dit type instappen en zich met veel omhaal rondom mijn zitplaats nestelen, schuif ik mijn spullen bij elkaar en stop mijn telefoon in de tas. We zitten knie aan knie.

«Je denkt zeker dat ik je tas en telefoon wil stelen. Iedereen denkt dat, dat zie ik toch. Hier, ik leg mijn twee telefoontjes op tafel. Pik ze maar. Ik ben nergens bang voor.» Hij hangt op zijn onderrug op de bank, heeft zijn petje over de ogen getrokken en zijn lange benen onder mijn bank gedeponeerd.

«Ik maak alleen maar plaats voor jullie. Ik weiger te worden geplaatst in de positie dat ik tegen jou een vooroordeel heb. Waarom heb je trouwens twee telefoontjes?»

De andere vier jongens van rond de zeventien jaar giechelen. Ik lees nadrukkelijk verder in de krant, terwijl ik meeluister wat ze hardop te melden hebben. Ondertussen ben ik natuurlijk betrapt. Want ik denk: Marokkaantjes, die het hebben voorzien op mijn spullen.

«Die stomme Hollanders, klootzakken zijn het, allemaal. Nog even, en dan komen we net als in Parijs in opstand. Tegen die kut-Hollanders.»

Ik klap mijn krant dicht: «Waarom zeg je kut-Hollanders? Je bent zelf een Nederlander. En je weet best dat Haarlem Parijs niet is. Ga maar eens kijken, in die buitenwijken daar.»

«Ik ben geen Nederlander, man. Ik ben een Algerijn.»

De andere jongens grinniken, terwijl hun vriend, duidelijk de leider, zich vanuit zijn uitgezakte positie omhoog werkt. Borst vooruit, dicht bij mijn gezicht, met zijn hand in de binnenzak van zijn leren jas, grijpend naar «iets». «Jij bent bang voor mij omdat ik een Marokkaan ben. Jij discrimineert mij, jullie sluiten mij buiten.»

«Ah, je bent dus een Marokkaan. Hou toch op met het spelen van die rol. Gedraag je niet volgens het stereotype. Wil je het van me horen? Oké: je bent een stomme, achterlijke, criminele Marokkaan waar ik doodsbang voor ben. En trek die hand uit je binnenzak, a.u.b.»

De omgeving, dames die eerder zijn in gestapt op station Heemstede/Aerdenhout, begint onrustig te worden. Twee verlaten de coupé. Hij grijpt nog eens in zijn binnenzak, waarschijnlijk speculerend dat ik denk dat er wellicht een mes uit zal komen, en sist tussen zijn tanden: «Stomme, vieze hoer.»

Die heb ik vaker gehoord: in de straten van de Haagse Schilderswijk. En ik ken het effect van mijn standaardrepliek op deze goedkope maar belastende aantijging: «Als je dit woord zo voor in je mond hebt, is je moeder misschien wel een hoer.»

Het is nu hard tegen hard: het ene gepantserde cliché tegenover het andere, wederzijds wantrouwen en gebrek aan respect voor elkaar. Maar er volgt geen woede-uitbarsting. Hij pakt uit zijn binnenzak zijn wijnrode paspoort. Europese Unie, Koninkrijk der Nederlanden. Hij wijst op twee Marokkaanse stempels. «Daar heb ik ook niks te zoeken. Ik voel me er niet thuis.»

De kleinste van het gezelschap gaat zich ermee bemoeien. Uiterlijk Ali B. «Hé Rachid, man, die mevrouw heeft gelijk. Je moet eens ophouden, man.»

Voor het eerst kijkt Rachid zonder spottend lachje. Geen pose. «Weet je, ik ben wel een Nederlander. Maar ik heb het gisteren toevallig nog gehoord bij Nova: wij worden gediscrimineerd bij stages en banen.»

Ik zeg: «Je neemt dit over van de televisie, maar wat is júllie ervaring dan? Waarom grijp je verdomme niet je kansen? Je weet donders goed dat jullie je als groep gedragen als ‹enge Marokkanen›. Dat is een soort sport.»

De kleine zegt bescheiden: «Mag ik nou ook eens iets zeggen? Ik word niet toegelaten op de opleiding detailhandel in Haarlem. De leiding zegt: ‹We hebben al genoeg Marokkanen, je komt er niet in.› Ik probeer het al twee jaar.»

Twee anderen geven toe dat ze het zelf ooit flink hebben verbruid. Niet op tijd uit hun bed komen, hahaha. Maar nu ze écht willen, lukt het niet meer. De overige drie koesteren ook geen hoop. Ik heb geen antwoord. Het mechanisme achter discriminatie is ingewikkeld, dat zien ze zelf ook wel. Rachid zegt: «We verknallen het voor elkaar, maar we willen toevallig best een normaal leven. Ik ben echt geen domme mongool.»

Bij station Sloterdijk moeten ze eruit. Alle vijf geven ze schoorvoetend een hand. Lachend: «Zie je wel dat we vrouwen wel een hand durven te geven.»

MARGREET FOGTELOO