In de klauwen van de leeswolf

HET CURSIEFJE verscheen onder de titel ‘Lezen moet (niet)’ in het onderwijsblad School en Beroep en werd mij à titre personnel gefaxt.

Waarom? Veronderstelde de auteur, onderwijsonderzoeker P. Appelhof, in mij een geestverwant? Dan moet de man ook in dít opzicht niet goed bij zijn hoofd zijn geweest. Ik vond het geschrevene pure intellectuele en didactische barbarij. Leerlingen zitten gemiddeld vier minuten per dag met hun neus in de boeken. Is allemaal niet erg. Het lezen van boeken wordt steeds ongebruikelijker. Is geen probleem. ‘En wat kinderen uit milieus met achterstand betreft: is het lezen van een schoon boek voor de toekomst van die kinderen nu echt zo essentieel? Komen deze kinderen niet beter vooruit met informatie via tv en computer?’
Het is een staaltje van redekunstig obscurantisme dat, althans op mij, zo verlammend werkt dat ik er, tegen mijn gewoonte in, niet eens een giftig stukje over heb geschreven. Misschien lagen de contra-argumenten te veel voor de hand. De televisie is een machtig middel om kennis te verspreiden, zij het niet onder de ongeletterden, want die kijken uitsluitend naar volksvermakende rotzooi. Internet is ongetwijfeld een handzaam instrument om de voorletters van H.J.A. Hofland op te zoeken, maar ik heb nog nooit gehoord van iemand die zijn computer mee naar bed nam om daar gezellig Madame Bovary te gaan liggen lezen.
Laat ik nou altijd hebben gedacht dat het geschreven woord hét instrument is om het verstand te scherpen en zin van onzin te kunnen scheiden! Niet het verstand van P. Appelhof, onderwijsonderzoeker, zelf blijkbaar een product van de debiliserende generatie die, avondenlang ethersurfend, op weetjes jaagt.
'Niemand kan bewijzen dat uitgebreide lezing van een krant en up-to-date kennis van de contemporaine wereldliteratuur noodzakelijk zijn. Met Teletekst en Nova kom je een heel eind.’
Was getekend: Gert Jan de Vries, letterkundige.
De mensheid is, beweer ik op mijn beurt, dankzij de elektronica niet minder geïnformeerd, maar wel dommer dan vroeger. Het verwondert mij niets dat, zoals uit empirisch onderzoek blijkt, menig student in de veronderstelling verkeert dat Marinus van der Lubbe een wielrenner en Maarten Luther een Amerikaanse negerleider is geweest. En ik herinner mij de studentenvereniging uit Eindhoven die een brief naar uitgeverij Van Oorschot stuurde waarin 'uw gewaardeerde auteur Menno ter Braak’ werd uitgenodigd om tegen gepaste honorering een lezing te komen verzorgen.
MIJN STANDPUNT in de onderhavige kwestie is dus saai en voorspelbaar. Het luidt: Lezen moet. Van lezen kun je, met enige inspanning, zelfs wijzer worden.
Ik citeer een van de Kleine Gedigten voor Kinderen van de achttiende-eeuwse verzensmid Hieronymus van Alphen:
'Denk niet, lieve speelgenooten! Dat de tijd mij heeft verdroten, Toen ik gistren zat alleen. Die vermaak heeft in het lezen, Hoeft geen eenzaamheid te vreezen, Maar is altoos wel te vreên.
Vader zegt, dat brave menschen Dikwijls naar die uurtjes wenschen; Dikwijls naar hun kamer gaan, Om in oude en nieuwe boeken Wijze lessen optezoeken: En dat staat mij wonder aan.
Het geschiedde in een tijd dat een verzameling van rond de vijftig boeken reeds als een kapitale bibliotheek gold en de gelukkige bezitter daarvan als een man met een haast universele kennis. In sommige kringen werd dit wijsheidsvertoon met orthodoxe argwaan bezien. Véél lezen was vermoeiing des vleesches, waarschuwden de protestanten, in de wetenschap dat een veellezer lang niet meer alles wijs te maken was. Bij het wat meer verlichte deel der natie gold lezen als een respectabele bezigheid en ondertussen zorgde een internationaal leger van censoren ervoor dat het drukwerk aan de morele en moralistische maatstaven van die tijd werd getoetst.
Twee eeuwen later is van censuur geen sprake meer, terwijl de boekenberg inmiddels tot zulke monstrueuze omvang is gegroeid dat de grootste boekenverslinder des lands, de schrijver Maarten ’t Hart (goed voor het consumeren van tweehonderd bladzijden per dag = rond driehonderd boeken per jaar) constateert dat 'belezenheid’ een begrip is geworden waarmee niet meer te werken valt. ’t Hart heeft zich tussen 1951 en 1997, berekende hij, met 12.842 boeken in zijn leunstoel verschanst, hetgeen tamelijk indrukwekkend lijkt, behalve als men zich realiseert dat dit nog geen percentage is van de voorraad die een echte, grote bibliotheek op de plank heeft staan.
Daarmee is de ogenschijnlijke allesweter van vroeger, toen het literaire aanbod nog te overzien was, definitief in de geschiedenis bijgezet. De planken puilen uit, het aanbod is duizelingwekkend en desondanks wordt allerwegen beweerd dat het geschreven woord op de terugtocht zou zijn.
DE KLAAGZANG der mediafilosofen als Marshall McLuhan en Neil Postman schetst een apocalyptisch beeld van een papier- dus cultuurloze toekomst. 'Met het boek is het afgelopen’, zegt McLuhan. 'Onze cultuur is in één grote arena voor de showbusiness veranderd.’ De televisie, zegt Postman, heeft zich ontwikkeld tot een medium waarin 'elk thema als amusement wordt gepresenteerd’.
Het is haast waar. Niettemin moeten deze beweringen duchtig worden gerelativeerd.
Ik schrijf deze beschouwing op zondag 6 september 1998. Ik bezie het radio- en televisie-aanbod van deze dag omdat het drukwerk niet, qua culturele verstrooiing, alleen zaligmakend is. De keuze is ruim. Die Zauberflöte. Het Theater aan de Werf. Hildegard von Bingen. Edgar Varèse. Les Tambours de Brazza. Noel Coward. The Goldrush. Mug met de Gouden Tand. Moby Dick. Het is natuurlijk ongelooflijk dat dit alles zomaar, voor een schertsbedrag per jaar, op het beeldscherm wordt gebracht. Toegegeven, het is een programmatische selectie die is toegesneden op de smaak van de Bildungsbürgers, de mensen die boeken en kranten lezen, diezelfde mensen die dan ook regelmatig op congressen en symposia, bruiloften en partijen jammerklagen dat de ogenschijnlijke tegenpool van de audiovisuele media, het gedrukte woord, door de moordende concurrentie van de elektronica tot de ondergang gedoemd zou zijn.
In werkelijkheid betekenen die vijftig televisienetten en Internet net zomin het einde van boek en krant als de nieuwe media die rond en na de Eerste Wereldoorlog werden ontwikkeld, nieuwlichterijen als de radio, de film en de pathefoon. Toen de omroeppionier Willem Vogt met de ethergolven begon te experimenteren, riepen zijn cultuurpessimistische tijdgenoten dat een luisteraar geen lezer kon zijn, terwijl ook de introductie van de televisie, een kwart eeuw later, het begin van de massacultuur en - dus - het einde van de beschaving leek in te luiden.
MAAR ZO GEMAKKELIJK is het geschreven woord, representant van de meest individuele cultuurbeleving, niet klein te krijgen. Alle pauselijke banvloeken ten spijt was het woord de voornaamste verspreider van de ideeën der Reformatie. De nazi’s konden de kranten zo veel gelijkschakelen als zij wilden, de ware communicator is niet tot zwijgen te brengen, desnoods door middel van klopsignalen of een aftandse stencilmachine. Aleksandr Solzjenitsyns Het kankerpaviljoen gold in het neostalinistische Rusland als pure contrabande. Dus gingen de Russen achter de schrijfmachine zitten, kopieerden het manuscript en duwden het overgeschrevene bij de buurman in de bus.
Te onzent is Jan Blokker een vooraanstaande woordvoerder van de Gideonsbende der drukinkt-addicts. Woord en beeld, zegt hij, zijn onherroepelijk vertrost. 'Overdag zit de bevolking met d'r neus in de Mix, de Rits, de Story of de nieuwe aflevering van de Bouquet-reeks - en ’s avonds herleest ze de rotrommel met plaatjes erbij.’
Ook hier zit een zekere waarheid in, behalve dat de Rits en de Mix inmiddels zijn opgeheven en dat de bewering dat de bevolking is vertrost met de beste wil van de wereld niet kan worden volgehouden. Er is in Nederland nog altijd een omvangrijke en invloedrijke minderheid die zich aan die rotrommel niets gelegen laat liggen. De situatie wordt pas penibel als de mediamarkt exclusief in de handen van het platpopulisme zou raken.
Dat is vooralsnog niet het geval, niet in de wereld van het beeld en niet in de wereld van het woord. In de praktijk kan informatiehongerend en cultuurbezeten Nederland zich met enig manoeuvreren uitstekend redden - en verder is het eigenlijk niet aardig zo lelijk te doen over degenen die Avro’s Sterrenslag boven de Russische Bibliotheek prefereren. In een beschaafde maatschappij kan geen mens tot beschaving, subsidiair goede smaak worden gedwongen. Laat die mensen toch vrijelijk hun tranen storten boven de Bouquet-reeks. Ik stort mijn tranen, zonder dat een mens mij lastig valt, boven La Bohème, die wat hoger in aanzien staat dan de pulproman Ik wil gelukkig zijn, maar in de praktijk een vergelijkbare tearjerker is, zij het voor de betere standen. Iedereen zij zijn of haar slechte smaak gegund. Wij weten trouwens niet wat de lezer van de Bouquet-reeks bezielt. Misschien wordt hij of zij, al lezend, wel een beter, gelouterd mens.
Wie zal het zeggen?
HET IS NATUURLIJK mijnerzijds een en al particuliere lustbeleving, als algemene waarheden gepresenteerd. Voor mij is drukinkt al een leven lang het voornaamste vermaak en de belangrijkste inspiratiebron, zonder daarvoor een aardige voetbalwedstrijd of gepast cafébezoek uit de weg te gaan. Terwijl mijn leeftijdgenoten elkander onder het uitwisselen van ruwe grappen de plaatselijke Boerenwetering induwden zat ik, als knaap, asociaal brillend achter de kachel, met Alleen op de wereld op schoot.
Nooit ben ik meer uit de klauwen van de 'leeswolf’ geraakt, zoals Martin Ros, uitgever-in-ruste, het fenomeen pleegt te noemen. Het maximale aantal per week en per bibliotheek uit te lenen boeken - vier - was mij vanzelfsprekend veel te weinig, zodat ik niet alleen lid was van de Centrale Openbare Leeszaal (toen nog op de Keizersgracht), maar bovendien ingeschreven stond bij de filialen op het Roelof Hartplein en de Karel du Jardinstraat, terwijl ik mij tussen de bedrijven door bediende van de rooms-katholieke jongens- & meisjesbibliotheek van Huize Pax in de Ferdinand Bolstraat. Huize Pax was gespecialiseerd in het futurisme van Jules Verne en de exotische krachtpatserij van Paul d'Oivy, de chroniqueur van de Boksersopstand. Op het Roelof Hartplein leende ik de klassieken, Voltaire, Ibsen, Schiller, Wilde en Shaw, in de vooroorlogse uitgave van de Wereldbibliotheek, Maatschappij voor Goede en Goedkope Lectuur. Vanuit de Karel du Jardinstraat betrok ik de verzamelde William Shakespeare in de vertaling van L.A.J. Burgersdijk, deel voor deel, de eerste druk uit 1884-1888, in bruin leder gebonden, met Hare Majesteit de Koningin als eerste intekenares. Ik las ze tijdens de schaft van de fabriek-in-damespantalons waaraan ik tussen negen en vijf verbonden was, ondertussen mijn twee dagelijkse sneetjes kaas nuttigend. Ik weet niet of het betreffende filiaal nog bestaat, maar als die twaalf delen Burgersdijk daar nog steeds in de uitlening zijn, weet geachte filiaalhouder/ster, de vetvlekken in Macbeth, Geen gewin, veel gemin, Hendrik IV, Een snibbe getemd en De vroolijke vrouwtjes van Windsor zijn helaas allemaal van mij.
HUIZE PAX is nu een multicultureel party-centrum op oecumenische grondslag geworden, dat zijn complete boekencollectie aan de negertjes in Afrika heeft geschonken. Ik werk inmiddels voornamelijk met mijn eigen boekerij, benevens die van de Centrale Bibliotheek van de Openbare Leeszaal. Hoeveel manuren zal ik daar in de loop der jaren hebben doorgebracht? Ze zijn onbecijferbaar. Zelden heb ik de laatste decennia een artikel, entrefilet, portret, commentaar of boek geschreven zonder dat de Openbare Leeszaal daarbij betrokken is geweest. Het is Heilige Grond, waarop je alles kunt vinden, voor zover niet uitgeleend of gestolen. Zocht ik nadere informatie over de vierhonderdvijftigste sterfdag van Maarten Luther of de vijfhonderdste geboortedag van Desiderius Erasmus, de Openbare Leeszaal liet mij niet in de steek. Zocht ik een curiosum als Menno ter Braaks toneelstuk De pantserkrant, de Openbare Leeszaal hielp mij uit de brand.
Ooit werkte ik aan een profiel van de onvergetelijke, diepgelovige sportcommentator Theo Koomen zaliger nagedachtenis. Nergens in Amsterdam bleken zijn memoires (God bewaar me) verkrijgbaar te zijn, het boek waarin de man, zo vernam ik van r.k.-zijde, menige meeslepende bladzijde had geschreven over God en Gebod, benevens de hersenverwekende zonde der zelfbevlekking, het een en ander onder het bezorgde toezien van de Heilige Maria Vrouwe van Eeuwigdurende Bijstand. Godzijgeloofd en geprezen, natuurlijk had de Openbare Leeszaal en Bibliotheek dit boek in voorraad: het stond op de derde etage, zij aan zij met de opera omnia van Blaise Pascal en Karl Barth, op de afdeling Theologie en Wijsbegeerte.
Het gejammer over het verval van het geschreven woord gaat voorbij aan het feit dat de Nederlandse poëzie op het ogenblik op grote hoogte staat, terwijl het Nederlands proza, met menig buitenland vergeleken, zo groeit en bloeit dat de Nederlandse literatoren op grote schaal naar de Bondsrepubliek worden geëxporteerd. Zelfs de eerste de slechtste schrijver kan bij een signeersessie op een queue van ten minste twintig meter rekenen. Tijdens de jaarlijkse Nacht van de Poëzie zit de grote zaal van Vredenburg tot de nok toe vol. Beleg een voorleesavond in de kleine zaal van Vredenburg en het publiek zit braaf, zonder een spoor van vermoeidheidsverschijnselen, van kwart over acht tot half een te luisteren. Zo zie je maar weer: Nederland is een letterlievende natie met een hoog cultureel- en beschavingsniveau.
HOE KOMT HET dan dat de gemiddelde Nederlandse politicus, toch over het algemeen een man of vrouw die geleerd heeft met twee woorden te spreken, zich door de bank genomen als een in het jargon verstarde analfabeet gedraagt?
Ik heb daar een onvriendelijke, maar daarom niet per definitie onjuiste, verklaring voor. Het komt door de ongehoorde invloed van het ambtenarencorps, een beroepsgroep die - zie het instructieve boek dat A. Alberts over De ambtenaar heeft geschreven - de publieke discussie met opzet duister en ingewikkeld maakt om achter de schermen des te effectiever te kunnen opereren. Men voege dit gegeven bij het feit dat diezelfde ambtenaren in de vertegenwoordigende lichamen, op lokaal én nationaal niveau, oververtegenwoordigd zijn - en dan wéét je het wel.
Vandaar al die kritiek op de verbale ruis die op en rond het Binnenhof te beluisteren valt, een jargon dat, net als het Franse patois, slechts voor intimi te begrijpen is. Double talk, het is de tweede voertaal op de Lange en Korte Poten. Geen milieu in Nederland, niet in het bedrijfsleven, niet in het onderwijs, niet in de journalistiek en niet in de binnenschipperij, dat zich bedient van woordgedrochten als probleemcumulatiegebiedenbeleid of schoolcriminaliteitspreventieprojecten.
Het is een klassiek verschijnsel. Reeds Menno ter Braak herkende in de politieke retoriek 'een verleden van studentikoze geestloosheid en eenheden van hompelend opportunisme’. Gerrit Komrij beschuldigt de vaderlandse politici van het gebruik van 'steno-hottentots’ en een verslaafdheid aan wezenloze platitudes. Hij zegt: 'De politicus heeft met de souteneur en de architect gemeen dat ze geen van drieën een beschermd beroep uitoefenen.’ De Haagse Post heeft hiervoor het woord 'politico-babble’ uitgevonden, gebaseerd op het eerste gebod van de politicus: Gij zult u nooit en te nimmer, wat er ook gebeurt, op een duidelijke wijze uitdrukken. Als je al tot een soort antwoord wordt gedwongen, pas dan extra op je woorden. Ruzie bijvoorbeeld bestaat niet. Hoogstens spreekt men over 'diverse standpunten’ waarover 'verschillend wordt gedacht’.
De Nederlandse politicus zoekt, vrijwel zonder uitzondering, bescherming achter de rietpluimen van het redekunstig, allesversluierend moeras. Een begrijpelijke mededeling is immers riskanter dan een onbegrijpelijke, die de strategische terugtocht openlaat.
BELUISTER de eerste de beste BBC-radioquiz en je weet: het Verenigd Koninkrijk is een land met een levende debatcultuur. De eerste de beste uitzending van de politieke actualiteitenrubriek Den Haag vandaag maakt ons echter duidelijk dat het Nederlandse politieke debat bestaat uit woordspelingen, zouteloze grapjasserij en mompelend voorgedragen jijbakken.
Elders in de wereld gaat het heel wat warmbloediger toe. In Engeland is het een genot om te horen en te zien hoe deze of gene parlementariër zijn zweepslagen over een sidderend Lagerhuis laat knallen. Of de politieke discussie in het Franse parlement, gevoed door de gebeeldhouwde aperçu’s die ooit door denkers als Diderot, Pascal en Voltaire zijn uitgebroed.
Maar ja, de Britten en Fransen hebben gemakkelijk praten. De Nederlandse politiek is niet alleen het maatschappelijk eindstation van menig ambtenaar, Nederlandse politiek is per definitie coalitiepolitiek, waarbij ten minste drie partijen betrokken zijn, zodat een overvoorzichtig en ondoorzichtig taalgebruik noodzakelijk lijkt. Dus is het verstandiger niet te spreken over huurverhoging, maar over huuraanpassing. Nee, laat niemand zo dom zijn om publiekelijk te constateren dat de werkloosheid de pan uitswingt, om het eigentijds te formuleren. Men spreke liever over de 'zorgwekkend lage participatiegraad in het arbeidsproces’.
Eén onvertogen woord en je verkeert in ernstige politieke moeilijkheden. Eens zei de secretaresse van de Amsterdamse VVD-fractie, door een interviewer naar haar favoriete vrijetijdsbesteding gevraagd, dat zij 'het liefst elke avond met een lekkere detective naar bed ging’. Huizenhoge herrie! Het hoofdstedelijk liberalisme was ernstig gecompromitteerd. Niet om hetgeen de dubbelzinnige denkers onder ons zouden vermoeden, maar omdat de betreffende dame niet de juiste boeken las. Want het is helemaal niet waar dat, zoals wordt beweerd, de gemiddelde Nederlandse politicus zo ongeletterd zou zijn. Lees het standaardwerk Wie is wie in de Tweede Kamer? waarin de dames en heren volksvertegenwoordigers/sters is gevraagd wat zij in de avonduren plegen uit te spoken.
Het resultaat van deze macro-enquête is overweldigend. De hele wereldliteratuur davert over ons heen. Het leven ener parlementariër lijkt ondenkbaar te zijn zonder Oek de Jong en Gabriel Gárcia Marquez. Om over de wereld der toonkunst maar te zwijgen. Franz Schubert en Igor Strawinsky liggen grijsgespeeld op de draaitafel en - ik citeer - zonder de 'piano- en fluitconcerten van Beethoven en Mozart’ zou de CDA'er Wim van der Camp geen motie kunnen formuleren.
Des te betreurenswaardiger dat Beethoven al zijn leven geen fluitconcert heeft gecomponeerd.
IN WERKELIJKHEID is de gemiddelde Nederlandse politicus, vrees ik, niet zozeer gebildet als wel sportief. De honger naar het balspel en de brug met de ongelijke leggers loopt dwars door de ideologieën heen. Het heeft het taalgebruik in de Handelingen diepgaand beïnvloed. Premier Wim Kok, bijvoorbeeld, overigens geen ex-ambtenaar, maar een gewezen vakbondsfunctionaris, lijkt soms wel een plaatsvervangend voetbalverslaggever. Geloof hem maar, de wedstrijd is nog lang niet beslist, de oppositie, die sowieso de neiging heeft meer de man dan de bal te spelen, heeft tevergeefs om de gele kaart gevraagd, wat erop duidt dat het tussen de verschillende ploegen niet botert, wat iedereen naar de tweede helft nieuwsgierig maakt, want het is niet uitgesloten dat er, na het aanstaande kabinetsberaad, een verlenging inzit.
De man. De bal. De gele kaart. De tweede helft. Een verlenging. Zuchtend zit ik boven het parlementsverslag in het ochtendblad, vastbesloten zowel het voetbal als het socialisme af te schaffen.
Koks voorganger Ruud Lubbers bediende zich het liefst van metaforen die ontleend waren aan de zeezeilerij. 'Politiek gevoel is het schippersoog’, verzekerde hij. 'De artist en de schipper, die voelen het aanà over tien minuten gaat de wind uit een andere hoek draaien. Maar ik wil toch graag de weersvoorspelling kennen. Je kan niet simpel zeggen: de haven ligt vol. Een open democratie is heel mooi, maar iedere keer lopen politieke partijen, ministers en staatssecretarissen, het risico dat zij te windgevoelig zijn, te snel de zeilen laten hangen, daar waar de wind vandaan komt. Analyseren waar de rotsen liggen die het schip kunnen doen zinken. Er is een zekere dynamiek voor nodig, een schip moet een zekere vaart hebben, anders wordt het stuurloos, het moet op stroom gehouden worden ter voorkoming van averij, want daar krijg ik de kots van.’
Aldus sprak Ruud Lubbers, onze ex-minister-president, overigens geen ex-ambtenaar, maar een verlichte ondernemer, in een zijner aanvallen van verbale zeeziekte.
Uiteindelijk zou hij in zijn eigen mes lopen. Wat had hij, na zijn aftreden, graag secretaris-generaal van de Navo willen worden! De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, waarbij hij solliciteerde, vond hem echter 'niet scherp, niet helder, niet bondig’ genoeg. Dat was een constatering waarin wij, Lubbers’ landgenoten, ons in konden herkennen, na twaalf jaar lang te hebben gezucht onder een man die voornamelijk in tongen sprak. Oordeel zelf: 'Voor de voet weg moet dit probleemveld worden neergetunneld in een motie, om langs deze weg in lijn met de afspraken met het kabinet al zwaluwstaartend de pijnpunten snelstens en bestens af te concluderen. Daarom moet het tekort op Volksgezondheid eerstens worden versleuteld en verspijkerd, waarvoor een tijdpad dient te worden uitgezet. Langs deze weg moet de problematiek geleidelijk aan worden afgekocht en verschmerzt.’
Vertaal deze passage eerst in het Nederlands, daarna in het Engels en men begrijpt waarom de Amerikanen na dat sollicitatiegesprek hebben gezegd: 'Ruud Lubbers? That bloody fucking specialist in double-Dutch? Never!’
GOED GESCHREVEN - of goed gesproken - is goed doordacht, zegt de dichter.
Goed gezegd. Maar is het waar? Wie heeft gelijk? Degene die zijn standpunt het best onder woorden weet te brengen?
Hij die in de beschavende invloed van de esthetiek gelooft, is geneigd om deze vraag met ja te beantwoorden. Zelf neig ik, met pijn in het hart, tot nee. Nee, iets wat goed is geschreven, is niet per definitie goed doordacht.
Goed geschreven is goed doordacht. Het zijn de woorden van Kurt Tucholsky, in de beschrijving van zijn collega Erich Kästner 'een kleine, dikke Berlijner die met zijn schrijfmachine een catastrofe probeerde te voorkomen’. Het was het Derde Rijk, dat Tucholsky de Zweedse ballingschap in dreef. Hij had, alvorens de nationaal-socialisten er een stokje voor staken, een halve meter superieur proza vervaardigd, dat men nog steeds met bewondering leest, niet in de laatste plaats om het maatschappelijke inzicht van de auteur. Niettemin beschouwde Tucholsky zich zo politiek failliet dat hij in zijn wanhoop naar de veronal greep. Zijn voornaamste trauma was het feit 'dat ik er niet in ben geslaagd om ook maar één politieagent van zijn post te doen ontheffen’.
Het voedt ons gevoel van betrekkelijkheid ten aanzien van het geschreven en gesproken woord, hoe vaardig ook onder het publiek gebracht. Taal manifesteert zich in diverse schijngestalten. Het is in feite een fictief begrip, betoogde de filosofe Carry van Bruggen. Neem de familienamen De Leeuw en Den Hertog. Zij wekken oneigenlijke associaties met de dragers, als was de eerste directe familie van de Koning der Jungle en de tweede een prominente representant van de Nederlandse adel. 'En niemand vindt het bijzonder poëtisch of zwierig’, schreef zij, 'om Diamant of Saphier te heten, aangezien de menschen dan begrijpen dat ze Joden zijn en in effecten handelen.’
Er is enige waakzaamheid geboden ten opzichte van de pretentie ten aanzien van stijl en taal. De Weense taalpurist Karl Kraus hechtte zo'n groot belang aan het woord dat hij elke verkeerd geplaatste komma in de Neue Freie Presse medeverantwoordelijk maakte voor de aanstaande Wereldoorlog. Die is Europa inderdaad niet bespaard gebleven, maar dat lag minder aan die verkeerd geplaatste komma dan aan dat juist geplaatste pistoolschot te Sarajevo, op 28 juni 1914.
Wie weet is in de politiek stijl, goede smaak, eruditie en belezenheid geheel uit den boze. De Britse Labour-partij maakte ooit de ernstige fout om Michael Foot tot partijleider te benoemen, een echte intellectueel die deftige essays over Jonathan Swift, Bertrand Russell en Ignazio Silone op zijn naam heeft staan. Het leidde tot niets, behalve tot een catastrofale verkiezingsnederlaag.
ONZE KRITIEK op de gehanteerde stijl, in woord en geschrift, in de Eerste hetzij de Tweede Kamer, berust op een particuliere nuffigheid die dwars staat op de politieke praktijk, waarin het jongleren met platitudes en het bewandelen van platgetreden paden soms van landsbelang kunnen zijn. Het is trouwens een klassiek, door Plato ingeblazen, misverstand dat een land door zijn elite, zijn dichters en denkers, moet worden geregeerd. Dichters en denkers horen zich pruttelend aan de zijlijn op te houden - en geen meter verder. Het bedrijven van politiek is een vak op zichzelf, net als dat van huisvrouw en schrijnwerker, beroepen die zonder intellectuele achtergrond kunnen worden uitgeoefend.
Wie was ook weer Frits Bolkestein? Dat was - en is - een echte lettré, die met de taalfilosoof Noam Chomsky polemiseerde op de opiniepagina van NRC Handelsblad. Op zichzelf hoeft dat een politiek functioneren niet in de weg te staan. Maar zelfs een ongeletterde boerenkinkel kan weten dat oorlog doden kost en het vervuilende milieu de hoogste prioriteit geniet.
Politici moeten politiek bedrijven. Dat zij ondertussen wel eens in een boekje bladeren is mooi meegenomen.
De socialist Anne Vondeling, lang geleden ’s lands minister van Financiën, liet zijn interviewers weten dat hij zelden het spreekgestoelte betrad zonder Menno ter Braaks Politicus zonder partij in zijn zijzak. Niettemin werd hij in de Nacht van Schmelzer genadeloos het bos ingezonden.
De socialist Thijs Wöltgens is, tegen de uiterlijke schijn in, een echte intellectueel die boeken leest én boeken schrijft. Wij weten wat er van hem is terechtgekomen: hij is burgemeester van de gemeente Heerlen.
De liberaal Ed Nijpels, drie regeringsperiodes geleden ’s lands minister van Milieu, beroemde zich met Zuid-Nederlandse openhartigheid op een intellectuele horizon die niet verder reikt dan Suske & Wiske, benevens het hoempa-repertoire van de Veulpoepers te Bergen op Zoom. Niettemin werd hij tot ver in het kamp van zijn ideologische tegenstrevers om zijn onvervaard beleid geprezen.
En terecht.
Want bedenk: 'Het dertigjarig bewind van de Borgia’s over Italië kenmerkte zich door oorlog, terreur, moord en doodslag. Ondertussen cultiveerde de natie Michelangelo, Leonardo da Vinci en de Renaissance. In Zwitserland leeft men al vijfhonderd jaar in broederlijke liefde, vrede en democratie. En waar heeft het, in creatief opzicht, toe geleid? Tot het uitvinden van de koekoeksklok.’
Is het overigens niet merkwaardig dat de geestelijke vader van deze wisecrack, de onmiskenbare intellectueel Orson Welles, niet eens wist dat de koekoeksklok niet door de Zwitsers, maar door de bewoners van het Zwarte Woud is bedacht?