De ‘verwarde’ mens

In de knel tussen ideaal en bezuiniging

Hoewel de overheid al decennia vindt dat psychiatrische patiënten in de wijken moeten wonen, gebruikt ze dit ideaal vooral om te besparen op dure klinische zorg. Ondersteuning aan huis schiet te kort. Pas als mensen overlast veroorzaken, trekken ze de aandacht van media en politiek.

Medium hh 55165405
Amsterdam, een jonge zwerver eet frites uit een doos © Roel Burgler / HH

De man kijkt omhoog, bijna is hij aan het einde van de ladder die schuin boven de weg hangt. Aan het einde van de ladder is niets. Nog één stap, en hij valt naar beneden. Het is een vreemd kunstwerk om aan de gevel van een instelling voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen te hangen, maar Lodewijk van Grasstek, zorgmanager bij het Amsterdamse Arkin, is er blij mee. How to Meet an Angel (gemaakt door het Russische kunstenaarsechtpaar Ilya en Emilia Kabakov) maakt discussie los en dat is goed, vindt de breedgeschouderde vijftiger. Nog niet zo lang geleden werden mensen met psychische stoornissen weggestopt in grote instellingen op afstand van de bewoonde wereld, zoals Santpoort, waar Van Grasstek in 1980 begon als verpleegkundige. Maar al snel nadat hij daar was komen werken, begon een beweging om de psychiatrische patiënt in de wijken te krijgen. In principe is Van Grasstek daar een groot voorstander van.

Trots wijst hij naar het kunstwerk: ‘Deze man loopt letterlijk met zijn rugzakje de kliniek uit, de samenleving in, ook al is dat voor de samenleving soms confronterend.’

Koninginnedag 2009: Karst Tates rijdt met een personenauto in op een menigte, in de richting van de open bus waarmee de koninklijke familie een rijtoer door Apeldoorn maakt. Acht mensen komen om het leven, inclusief hijzelf. Hij bleek te kampen met stemmingswisselingen en middelengebruik. Alphen aan de Rijn 2011: in een winkelcentrum schiet Tristan van der Vlis vijf mensen dood en verwondt er achttien. Daarna pleegt hij zelfmoord. Van der Vlis was eerder kort opgenomen vanwege suïcidale neigingen. Bilthoven 2014: politica Els Borst wordt dood aangetroffen in haar woning. De dader, Bart van U., werd recentelijk door de rechtbank ‘verminderd toerekeningsvatbaar’ verklaard vanwege chronische psychoses.

Brute daden van mensen met ernstige psychische problemen zijn zeldzaam, maar als de ‘man met het rugzakje’ de media haalt, gaat het vrijwel altijd hierover: de bedreiging die hij zou vormen – moord, geweld, overlast. Onze tolerantie voor mensen die zich verward gedragen in de openbare ruimte is nooit groot geweest, maar de angst voor een terreuraanslag maakt van elk warrig mens een potentiële aanslagpleger. Vanaf 2014 is de aandacht voor ‘verwarde mensen’ in media en politiek geëxplodeerd, nooit eerder werd de term zo veel gebruikt (zie grafiek). Daarnaast steeg het aantal meldingen over overlast door personen met verward gedrag tussen 2011 en 2015 met 65 procent. Voor de politiek was dit de aanleiding om geld vrij te maken voor het van straat halen van overlast veroorzakende patiënten.

Maar zijn de straten nu echt ineens overspoeld met verwarde personen? En komt dat door die sector waar media en politiek steeds naar wijzen: de geestelijke gezondheidszorg (ggz)? Investico sprak met deskundigen, mensen die werkzaam zijn in de ggz en mensen die er als ‘cliënt’ mee te maken hebben. We vroegen hen naar het verhaal achter ‘de verwarde persoon’. Dit verhaal blijkt ver terug te gaan. Al decennia proberen we mensen met psychische problemen uit de instellingen, en in de wijken, te krijgen. Maar dat proces verloopt met horten en stoten. Voor de ggz is het een ideaal, voor de overheid een bezuiniging. Door die ongelukkige combinatie blijft structurele ondersteunende zorg aan huis achter. Huiveringwekkende incidenten maken geld los, maar vrijwel uitsluitend voor overlastbestrijding. Mensen met een rugzakje de samenleving in laten wandelen? Dat blijkt verdomd lastig.

‘Het hart is eruit.’ Alfredo Groot kijkt naar buiten, naar het terrein van GGZ Noord-Holland-Noord, grijs in de motregen. We zitten in een kaal kantoortje en eten taart die een hulpverlener heeft meegenomen. Alfredo – een kleine man die er jonger uitziet dan zijn 51 jaar, zijn rossige krullen in een staartje – is een modelcliënt: vriendelijk, welbespraakt en artistiek. Hij woont zelfstandig samen met zijn vrouw, die hij via de dagkliniek van GGZ Noord-Holland-Noord heeft ontmoet. Eén keer per drie weken krijgen ze bezoek van een fact-team, flexible assertive community treatment. Het team van hulpverleners, waaronder verpleegkundigen, een psychiater en een jobcoach, bespreekt geregeld hoe het met hen gaat. Naarmate het minder goed gaat, komen teamleden vaker langs. Ondertussen worden Alfredo en zijn vrouw aangespoord om zo veel mogelijk binnen het eigen netwerk op te lossen. Voor Alfredo volstaat dit meestal, maar hij vindt het allemaal wel erg zakelijk geworden: ‘Ik denk dat ze heel erg aan targets worden gehouden. De zorg is goed hoor, maar er is wat er is.’

Hij gebaart naar het terrein: ‘Ik kwam hier vanaf 2000 doordeweeks voor de dagkliniek en er viel altijd iets van me af, hier kon ik helemaal mezelf zijn. Ze boden van alles aan: schilderen, met hout werken, fietsen maken. Eén keer in de week hadden we een groepsgesprek met de psycholoog. ’s Middags aten we warm en er was een woonkamer waar iedereen zat. De mensen uit de groep werden ook vrienden. Psychiatrische patiënten zijn vaak heel gevoelige, aardige mensen die het op de een of andere manier niet redden. Maar toen kwamen de managers en die hebben het terrein ontmanteld. Eerst ging het groen weg en toen werden de woningen verkocht aan gewone burgers uit Heiloo. In 2009 is de dagkliniek helemaal wegbezuinigd. Mensen uit het dorp komen hier nu theedrinken, maar cliënten zijn niet meer welkom.’

Medium tabel1

Alfredo heeft meegemaakt wat in beleidsjargon ‘beddenafbouw’ wordt genoemd: het schrappen van locaties om te verblijven, behandeltrajecten en personeel binnen de ggz. Sinds de jaren tachtig probeert de overheid het aantal opnameplekken in psychiatrische klinieken, instellingen voor verslavingszorg en algemene ziekenhuizen terug te dringen. Het is de praktische uitwerking van het ideaal van ‘ambulantisering’, dat sinds de jaren zeventig door cliëntenbewegingen bevochten wordt. Zij willen dat mensen met psychische problemen zelfstandig kunnen wonen, werken en zelf hun dagritme kunnen bepalen. De ggz is het eens met dit ideaal. Opnames kunnen mensen, zeker als ze gedwongen zijn, beschadigen, traumatiseren. En als mensen te lang binnen de muren van hun instellingen verblijven, worden ze te afhankelijk, te passief: ze ‘hospitaliseren’. Het is beter als ze zelfredzaam leren zijn en alleen noodzakelijke zorg krijgen, liefst thuis. Vandaar dat Alfredo’s dagkliniek is verdwenen. En vandaar ook dat GGZ Noord-Holland-Noord ‘de samenleving’ het terrein op wil krijgen. Voor veel ggz-instellingen zijn zulke maatregelen echter niet alleen de uitwerking van een ideaal, maar ook van de bezuinigingen waar overheid en verzekeraars om vragen. Het afstoten van panden en het minderen van klinisch personeel is een manier om in krappe tijden te besparen.

Niet iedereen kan echter zichzelf redden. Alfredo: ‘Ik kom veel mensen tegen uit die tijd die met hun ziel onder hun arm lopen. Zij zijn door het sluiten van de dagkliniek stuurloos geworden. De een loopt de hele dag wat rond, de ander fietst, ze weten het gewoon niet.’ Bij zijn vrouw, die meerdere psychotische crisissen heeft gehad, ziet Alfredo bovendien wat experts ons bevestigen: zorg aan huis kan in de huidige vorm niet alle crisissituaties aan. ‘Als je in crisis raakt, kan een paar keer op een dag iemand langskomen van het fact-team. Maar buiten kantooruren krijg je telezorg. Dan bel je in en op een scherm komen er dan nitwits met het advies “ga maar een kopje warme melk drinken”. Als je helemaal ontspoort, dan is opname eigenlijk het beste. Maar dat vindt de hulpverlening niet: je moet doorzetten, je moet thuisblijven. Soms is er wel plek in Hoorn of Den Helder, maar tegen de tijd dat ze ergens geplaatst kan worden, ben ik kapot. Ik voel me er vaak echt alleen voor staan.’

Medium hh 60231668
Den Haag, 2016. Een dakloze man slaapt in de parkeergarage van de Grote Markt © Martijn Beekman / HH

Ooit, in de negentiende eeuw, leek het een goed idee om ‘geesteszieken’ af te zonderen van de samenleving, in statige landgoederen in de bossen of duinen. Daar zouden zij rust en regelmaat vinden. Voor die tijd werden zij verzorgd door familie, zwierven rond of verpieterden in dolhuizen in de steden. Santpoort, de eerste psychiatrische instelling in Nederland, werd opgericht vanuit humanistische idealen. De kliniek, zo’n dertig kilometer ten westen van Amsterdam, voorzag in onderdak, arbeid en vertier. Mensen konden werken in de tuinen of de wasserij en er was een feestzaal met muzikale optredens. Het concept bleek een groot succes: er kwamen steeds meer klinieken bij en elke nieuwe kliniek vulde zich met mensen die in de samenleving niet konden meedraaien.

Helaas bleken de patiënten nauwelijks te genezen; veel mensen zaten er voor het leven. Terwijl de slaapzalen overstroomden, stegen ook de kosten en daarmee het ongenoegen bij de overheid. Begin jaren dertig verzon een psychiater bij de GGD Amsterdam ‘de rijdende psychiater’: psychiaters en sociaal werkers moesten naar de mensen toe, in plaats van andersom. Een soort fact-team avant la lettre. Hoewel hiermee de grondslag voor de ambulante psychiatrie was gelegd, hielpen de rijdende psychiaters niet om mensen uit klinieken te houden. Ze waren een aanvulling, geen alternatief. Het aantal opnameplekken bleef stijgen, tot een piek van 28.000 in 1956. Historica Gemma Blok, gespecialiseerd in de geschiedenis van de psychiatrie, zegt daarover: ‘Men denkt dat de klinieken makkelijke opslagplaatsen waren voor lastige mensen. Dat klopt niet. Ook in de jaren vijftig stuurden artsen mensen pas naar de kliniek als mantelzorgers het echt niet meer aankonden. Hoe het dan toch kon groeien? Zolang de psychiatrie bestaat, is er een toenemende vraag naar opnames geweest.’

In de jaren zestig zwollen de kritische geluiden over de psychiatrische instellingen aan. Is de patiënt nu zo gek, of is de maatschappij dat? vroegen kritische hulpverleners, familieleden en ex-patiënten zich af. Verschillende instellingen kozen voor een democratischer model, zij veranderden in ‘socio-therapeutische gemeenschappen’ waarin de hiërarchie tussen bewoners met psychische stoornis en hulpverleners zo veel mogelijk werd opgeheven.

Met argusogen keken de media naar die vrijzinnige gemeenschappen. Toen in 1971 in Dennendal, een instelling voor verstandelijk gehandicapten, een vrouwelijke patiënt in bad verdronk, was De Telegraaf er snel bij om het langharige personeel de schuld te geven. Volgens de krant zou de anti-autoritaire houding van de hulpverleners tot anarchie en verwaarlozing van de patiënten hebben geleid. Deze beschuldiging bleek later onterecht, maar de toon was gezet. De ruzies tussen directeur Carel Muller – die de verstandelijk gehandicapten ‘pupillen’ noemde en de volle ruimte tot zelfontplooiing wilde geven – en conservatievere bestuursleden namen toe. In de zomer van 1974 kwam het tot een climax: Muller en zijn medestanders bezetten de instelling. Er kwamen 120 politiemannen en een waterkanon aan te pas om de bezetting te beëindigen. Het personeel werd gearresteerd, de bewoners verscheept, en de instelling gesloten.

‘Als je helemaal ontspoort, dan is opname het beste. Maar dat vindt de hulpverlening niet: je moet doorzetten’

De Dennendal-affaire was het begin van het einde in het geloof dat socio-therapeutische gemeenschappen een goed alternatief zijn voor traditionele instellingen. De Nederlandse ‘gekkenbeweging’ werd radicaler, geïnspireerd door het voorbeeld van de democratische psychiatrie in Italië, waar de regering besloot op te houden met het bouwen van nieuwe klinieken en mensen ‘vrij te laten’. Ook in Nederland, vond men, moesten de klinieken sluiten.

Tineke van den Klinkenberg nam in de jaren tachtig als wethouder in Amsterdam de vernieuwing van de psychiatrie op zich. Ze schrok destijds van de hevigheid van de discussie: ‘Er was ongelooflijk veel kritiek op het functioneren van Santpoort. De cliëntenbeweging en de pvda en de cpn – mijn partij – wilden dat alle patiënten naar huis gingen. Nou, ik had daar toch een iets ander idee over. Ik zei toen in de raad: “Jullie denken dat jullie de psychiatrische problematiek bij motie kunnen afschaffen!” Uit werkbezoeken aan Santpoort had ik al de conclusie getrokken dat je die mensen niet zomaar eventjes de straat op kunt sturen. En hoe het er in Italië aan toe ging sinds ze daar de klinieken hadden gesloten… Op een vakantie in Rome zag ik een vrouw die zichzelf mutileerde, in het openbaar, op de trap van een kerk. Niemand keek naar haar om. Ik dacht: als dit het beeld is als we iedereen loslaten, dan weet ik niet of ik daar vrolijk van moet worden. Dat wil je toch niet in Nederland? Je moet een goed alternatief regelen voordat je een kliniek kunt sluiten.’

Van den Klinkenberg wilde bedden uit Santpoort verschuiven naar bedden in kleinschaliger klinieken binnen Amsterdam. Daarnaast wilde ze wijkteams en crisisdiensten opzetten. Nu, dertig jaar later, concludeert Van den Klinkenberg dat het niet volgens wens is verlopen: ‘De wijkteams zijn nooit goed van de grond gekomen. Er was weerstand vanuit de instellingen en ook ongeloof dat het zou kunnen. Er was geen openlijke tegenwerking, maar zeker ook geen medewerking. Bij Santpoort zeiden ze dat er onvoldoende geld was voor de teams. Of dat zo was… Er kwam geld vrij door de afbouw van plekken. Maar er zat natuurlijk ook weer een bezuiniging in.’ Ze zucht even. ‘Die veranderingen gaan altijd gepaard met bezuinigingen, dat is het verschrikkelijke ervan.’

Er was ook in die tijd te weinig geld voor begeleiding, beaamt Rick Kwekkeboom, lector Community Care aan de Hogeschool van Amsterdam. ‘Als je wilt dat deze mensen zelfstandig kunnen wonen, dan moet je ervoor zorgen dat ze voldoende ondersteuning krijgen, ook in tijden dat het “goed” gaat. Die ondersteuning is eigenlijk altijd, soms moedwillig en soms onbewust, over het hoofd gezien.’

Is het wel goedkoper als ‘de man met het rugzakje’ in de samenleving wil meedraaien? Zelfs het Trimbos-instituut, kennisinstituut voor geestelijke gezondheidszorg, weet het niet. Een langdurige opname kost meer dan een ambulant team, maar een kliniek voorziet meteen in onderdak en dagbesteding. Alle duizenden kleine dingen waaruit het dagelijks leven bestaat moet een ambulante patiënt zelf regelen. Als hij weet aan te kloppen bij de juiste gemeenteloketten, dan verschuiven de kosten van ggz naar gemeente. Ontspoort hij alsnog, dan kunnen ook de kosten bij politie en justitie hoog oplopen.

Vrolikstraat, Amsterdam, 1993: een man slaat zijn onderbuurmeisje met een tafelpoot op het hoofd. Het twaalfjarige meisje overlijdt. De man stond bij de politie als ‘verward’ bekend. Een oudere buurtbewoner fulmineerde tegen NRC Handelsblad: ‘Een gek! Dat wisten we allemaal. Hij liep op straat te schelden en te tieren. Zo iemand had al lang in een werkkamp moeten zitten! Maar nee, dan stoppen ze hem hier in een huisje in de Vrolikstraat.’

Van den Klinkenberg herinnert het zich nog goed: ‘Dat heeft echt voor een terugslag gezorgd. Er werd toen sterke twijfel geuit: redden we dit? Media, instellingen en politici zeiden: zie je wel, dat kan allemaal gebeuren als deze mensen in de wijk wonen. In de buurt van de Vrolikstraat ontstond een hele protestbeweging. Dat is iets wat altijd gebeurt: het wordt tien keer uitvergroot. Terwijl je niet alles kunt beheersen. En er lopen meer gekken rond buiten dan binnen de psychiatrie.’

Na ‘de Vrolikstraat’ richtte Amsterdam in allerijl meldpunten in. Het incident zette ook tijdelijk een rem op de afbouw van opnameplaatsen (zie grafiek). Officieel veranderde er door de Vrolikstraat echter niets aan het ambulantiseringsbeleid; experts en overheid zagen geen alternatief. Onderzoekers adviseerden het ministerie van Volksgezondheid in 1996: doorgaan met bedden afbouwen. Wat daarvoor in de plaats moest komen bleef onduidelijk. Ondertussen bepaalde een nieuwe wet in 1994 dat mensen niet langer gedwongen mochten worden opgenomen ‘voor hun eigen bestwil’, maar alleen als zij een gevaar vormden voor zichzelf of anderen.

Zo onstond eind jaren negentig een voorloper van ons huidige ‘verwarde-mensenprobleem’. Verschillende groepen ‘zorgwekkende zorgmijders’, mensen die psychiatrische hulp nodig hebben maar daar zelf anders over denken, bevolkten de straten. Verslaafde, psychotische of dementerende daklozen veroorzaakten overlast en belandden vaak in de politiecel zonder dat zij een strafbaar feit hadden gepleegd. Om het tij te keren, kwamen er in Amsterdam negen extra bedden voor crisisopvang en twaalf voor langere klinische zorg.

In de jaren erna namen de problemen met daklozen in de grote steden alleen maar toe. Mensen gebruikten en sliepen in stations, onder bruggen, zelfs in rioolpijpen. Gealarmeerd door noodkreten van de politie nam vice-premier Gerrit Zalm in 2006 maatregelen om de overlast terug te dringen. Er kwamen meer ambulante teams en het aantal beschermd-wonenplekken, waar meerdere mensen samen wonen onder 24-uursbegeleiding, steeg flink. Hiervoor werd 175 miljoen uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten gereserveerd.

Even leek het te lukken: de daklozen verdwenen van de straten. De niet-verslaafde burger kon weer met een gerust hart door Hoog Catharijne lopen. Maar al een jaar later concludeerde de overheid dat deze aanpak wel erg veel geld kostte. Tijdens de crisis werd dan ook vastgesteld dat Nederland in Europees opzicht relatief veel bedden had voor psychiatrische patiënten. Daar kon wel wat vanaf, vond de overheid. De ggz stemde in vanuit idealistische motieven. In 2010 spraken de grote ggz-instellingen af om te gaan afbouwen. Die afspraken werden twee jaar later concreet, toen minister Schippers met de ggz, zorgverzekeraars en cliëntenorganisaties overeenkwam dat in 2020 het aantal opnameplaatsen in ggz-instellingen met een derde moest zijn verminderd ten opzichte van 2008. Het ging om ongeveer tienduizend bedden.

‘Het gaat te snel’, zegt zorgmanager Lodewijk van Grasstek. ‘In 2013 hadden we nog 259 bedden in Amsterdam, nu nog 155, en met het groeiende toerisme kloppen er alleen maar meer mensen op onze deur. Elke dag zijn we bezig: hoe kan iemand weer naar buiten, want de volgende staat al weer op de stoep en is er net een tikje erger aan toe. Het is goed dat je mensen niet langer behandelt dan nodig, maar nu is het doorgeslagen.’

Ook cliënten merken dat. Zoals Ilse, die al ruim twee jaar wacht op specialistische behandeling voor haar dissociatieve stoornis, en die alleen onder een schuilnaam in dit artikel wil omdat ze bang is dat de instelling haar anders nog langer laat wachten. ‘Het is tegenwoordig bijna onmogelijk om bij een crisis opgenomen te worden. Gevaar voor jezelf is niet erg genoeg. Een paar jaar geleden kon het nog wel, maar toen werden mijn opnames steeds slechter. Er was steeds minder personeel, met minder kennis, ze hadden geen tijd meer voor een gesprekje. Ik douchte een keer om vier uur ’s middags. Toen sleepten ze me uit de douche, omdat ze het geen normale tijd vonden. Het is alsof je een ding bent dat zo snel mogelijk moet worden opgeknapt. Als je het niet doet volgens hun regels zetten ze je op straat. Dat deden ze bij mij toen ik een overdosis pijnstillers had genomen. In de regen, zonder vervoer of telefoon. Ik had geen idee waar ik heen moest.’

En zorg aan huis dan? Tot zij terecht kan bij de gespecialiseerde psycholoog krijgt Ilse af en toe bezoek van een fact-team, net als Alfredo en zijn vrouw. Voor Ilse is het echter bij lange na niet de zorg die zij nodig heeft. ‘Het fact-team wil alleen praten over leuke dingen en vindt dat mijn netwerk mijn crisissen maar moet oplossen. De crisisdienst kan een psychiater inschakelen voor een opname, maar in 99 procent van de gevallen blijft het bij een babbeltje. Dat is echt van: ga maar tv kijken, of drink wat warme melk.’

‘Ik douchte een keer om vier uur ’s middags. Toen sleepten ze me uit de douche, omdat ze het geen normale tijd vonden’

Toen minister Schippers met de ggz afsprak om de opnameplekken en het personeel binnen de instellingen af te bouwen, zei zij ook dat het bespaarde geld moest naar extra ondersteuning aan huis voor mensen met ernstige psychische aandoeningen. Dat is echter niet of nauwelijks gebeurd, concludeerde het Trimbos-instituut in 2016. Hoe kan dat? Trimbos-onderzoeker Frank van Hoof: ‘Het grootste probleem is dat er geen plan was. Er is alleen afgesproken dat we bedden gaan afbouwen, maar niet wat en hoeveel we gaan opbouwen aan ambulante zorg. Daarover zijn geen concrete afspraken gemaakt.’

Verschillende ggz-bestuurders vertellen ons dat zij afbouwen omdat ze erin geloven en omdat de verzekeraars hen erop controleren. Maar ook erkennen ze dat ze zichzelf in de vingers snijden als ze tegelijkertijd uit eigen zak in extra ambulante zorg investeren. Het geld daarvoor hebben ze immers nog niet binnen. Voor zorg binnen hun muren krijgen ze nog altijd meer geld dan voor zorg aan huis. Dus proberen ze opnames zo kort mogelijk te laten duren, en schrappen ze ‘lichtere’ klinische zorg zoals langdurige programma’s voor verslaving. Zo voldoen ze aan de eis van beddenafbouw, terwijl er structureel weinig verandert. Volgens het Trimbos-instituut is het aantal opnames niet gedaald, alleen zijn er relatief meer gedwongen opnames. Want wie een gevaar vormt voor anderen, willen we van straat kunnen halen.

Dat beseft Anja, moeder van een 21-jarige zoon met een psychotische stoornis, maar al te goed. ‘Ik heb wel gedacht: ik ga juist niets meer proberen, dan komt hij in zo’n bericht terecht over een verwarde persoon. Want zo ver moet je het laten komen om echte hulp te krijgen.’ Anja’s zoon is een chronische zorgmijder, een moeilijke groep binnen het huidige systeem. De mogelijkheden tot drang- en dwangbehandeling in Nederland zijn beperkt. Daarnaast veroorzaakt de wettelijke versplintering van de zorg problemen. Gemeenten zijn nu verantwoordelijk voor ondersteunende zorg, zoals hulp bij huishouden, financiën en dagbesteding, terwijl de ggz zich moet beperken tot behandeling van stoornissen. Als instellingen bijvoorbeeld iemand behandelen bij wie nog geen diagnose is gesteld, lopen ze het risico dat de verzekeraar de kosten niet vergoedt.

Medium tabel2

Mensen die geen verwijsbrief hebben gehaald bij de huisarts, die hun deur niet opendoen, op wie geen eenduidige diagnose te plakken valt, of juist te veel – zij dreigen in de gaten van de zorg te vallen. Dat gebeurde ook met Anja’s zoon. ‘Vorig jaar juni, op een maandagavond, zei hij ineens: ik heb hulp nodig, ik wil crisisopvang. Heel uitzonderlijk, want in zijn visie is iedereen gek behalve hij’, vertelt ze. ‘Hij kon naar de crisisopvang, maar krap een week later stond hij weer op straat, zonder enige ondersteuning. Eerst heb ik zelf geprobeerd om hulp voor hem te regelen, maar dat ging van het kastje naar de muur. Halverwege juli kreeg hij, nadat hij de deur van de huisarts had platgelopen, een verwijzing voor gespecialiseerde ggz. De wachttijd was acht weken. Toen hij eindelijk mocht komen, is hij door alle stress niet gegaan. Hij vindt dan dat de psychiater hem moet proberen te bereiken, omdat het zo slecht gaat. Dat werkte dus niet.’ Anja, die werkzaam is in de gehandicaptenverpleging, heeft nu zelf de zorg voor haar zoon op zich genomen. ‘Eigenlijk heb ik twee banen. Soms trek ik het allemaal niet meer, maar met mijn kind kan ik niet breken.’

Samen Doorpakken, Samen Verder Doorpakken en Doorpakken! Als we het vaak genoeg herhalen, gaat het ons deze keer wel lukken, moet het zevenkoppige Aanjaagteam Verwarde Personen hebben gedacht toen het de titels van hun drie opeenvolgende rapporten verzon. Het Aanjaagteam kreeg in september 2015 van minister Schippers de opdracht om de problemen in kaart te brengen en met oplossingen te komen. Er kwamen subsidiepotjes voor projecten, de tot wondermiddel bestempelde ‘psycholances’ en meldpunten.

‘Aan enthousiasme was in het team geen gebrek’, zegt Leen van Leersum, teamlid en oud-ggz-bestuurder. Hij is net terug van yoga en maakt een ontspannen indruk. Hij is dan wel met pensioen, maar toen hij werd gevraagd het belang van patiënten en familie te vertegenwoordigen twijfelde hij geen moment. ‘We waren allemaal blij dat er eindelijk aandacht was voor psychisch kwetsbare mensen.’

Volgens Van Leersum was het direct al duidelijk dat de aanleiding om het team op te richten, de stijging van overlast door verwarde personen, niet helemaal klopte. Het is niet vast te stellen of er daadwerkelijk meer incidenten zijn, of dat de politie er door een nieuwe code (code: E33) vanaf 2011 steeds meer is gaan turven. Ook is ‘verward persoon’ voor de politie een ruim begrip: in naar schatting een kwart tot een derde van de gevallen is er een vermoeden van psychische problematiek, bij de rest gaat het bijvoorbeeld om dronkenschap of een woedeaanval. Van Leersum: ‘Al zorgt het tekort aan opnameplaatsen voor problemen, het kan de enorme toename in de politiecijfers niet verklaren. Het is niet zo dat er nu opeens overal verwarde mensen op straat overlast veroorzaken. Maar hoewel ik niet geloof dat er sprake is van een stijging dacht ik: we moeten deze kans gewoon grijpen.’

Ook de politie greep haar kans. Dat zij steevast opdraaien voor het vervoer van mensen met psychische klachten naar ggz-instellingen ergert agenten al jaren. Pieter-Jaap Aalbersberg, hoofdcommissaris in Amsterdam, kondigde aan per 1 januari 2017 te stoppen met het vervoer. Minister Schippers maakte direct geld vrij voor een speciale ambulance, de psycholance.

Voor ggz-bestuurders is het lastiger manoeuvreren: als je meegaat met het verhaal uit de media dat ‘verwarde personen’ overlast veroorzaken, maak je kans op meer middelen en betere samenwerking met gemeenten, maar je loopt ook het risico dat je het stigma op psychische stoornissen verder vergroot. Hoe bereik je het beste voor patiënten? Het Aanjaagteam is daar niet geheel in geslaagd, geeft Van Leersum toe: ‘De oorspronkelijke focus van de minister lag bij overlast. Wij hebben geprobeerd het te verschuiven. Toch vrees ik dat we de harde kanten beter hebben uitgewerkt. Preventie had wel steviger vertegenwoordigd mogen worden in ons advies.’

Voor overlastbestrijding is altijd meer geld dan voor preventie. En zo blijven we pleisters plakken op een bloedende wond. Dat was uiteindelijk ook de uitkomst van Zalms daklozenaanpak. In 2014 constateerde het Trimbos-instituut in een rapport met de jubelende naam Het kán dus! dat de leefsituatie van veel daklozen was verbeterd en dat de overlast drastisch was afgenomen. Aan de preventiekant was echter niet zo veel gebeurd: ‘Zodra de ergst zichtbare dakloosheid en overlast in de openbare ruimte waren opgelost namen de gevoelde urgentie en de bestuurlijke aandacht navenant af.’ Zalms project eindigde, en daarmee de geldstromen. De verslaafden van toen worden nu aangespoord om zelfstandig te gaan wonen. Maar alleen gaan wonen is doodeng voor een ex-verslaafde, zoals twee dames in beschermd wonen ons vertellen: ‘Negen van de tien redden het buiten niet. Die vrouwen komen allemaal terug, of ze komen niet terug, maar die gebruiken weer, daar gaat het slecht mee.’

Mensen met verward gedrag, mensen met ernstige psychische aandoeningen – ze zijn er altijd al geweest, maar hoe de maatschappij met hen omgaat is op z’n zachtst gezegd schizofreen te noemen. De overheid voert een zigzagkoers: ze wil de dure klinische zorg afbouwen, maar stelt daar niet genoeg ondersteuning in de wijken tegenover. Pas als de politie aan de bel trekt, en de media volgen, lijkt de koers te wijzigen. Dan worden de projecten, teams en meldpunten uit de grond gestampt en stijgt het aantal opnameplekken weer. Maar zo’n koerswijziging is steeds tijdelijk, gericht op overlastbestrijding. Daarmee los je geen structuurfouten op. En die structuurfouten zijn alleen maar groter geworden nu het zorggeld is versplinterd tussen ggz en gemeenten, die eindeloos moeten overleggen met elkaar en met verzekeraars om de gaten in de zorg deels te kunnen dichten. De grote verliezers in dit alles? Psychisch kwetsbare mensen en hun familie.

30 april 2016: een ‘verwarde’ man springt van het dak van het Amsterdamse Slangenpand. 4 juni 2016: een 51-jarige vrouw met een borderline persoonlijkheidsstoornis steekt zichzelf in brand nadat ze uit een instelling is gezet. 7 september 2016: de autistische en schizofrene Cyprian (23 jaar) wordt door twee agenten in zijn eigen huis doodgeschoten als ze hem ophalen om te laten opnemen. Cyprian zou met een mes hebben gedreigd, maar drie aanwezige hulpverleners zeggen geen mes te hebben gezien. Bij de rijksrecherche lopen momenteel meerdere onderzoeken naar ‘verwarde personen’ die zijn overleden door politie-optreden.

Voor de samenleving kan het confronterend zijn als mensen met rugzakjes de stad in wandelen. Maar voor die mensen zelf is het minstens zo confronterend. Terwijl de media volstaan met berichten over beangstigende ‘verwarde personen’ veroorzaakt het overgrote deel van die groep helemaal geen overlast. Bovendien blijkt uit onderzoek van het Erasmus MC dat ze veel vaker slachtoffer zijn dan dader: op jaarbasis is bijna de helft van de mensen met ernstige psychische problemen buiten de klinieken slachtoffer van een misdrijf, zoals fysiek geweld of seksueel misbruik. Het lijkt erop dat zij meer bescherming tegen de boze buitenwereld nodig hebben dan andersom.

De boze buitenwereld: Alfredo kijkt ernaar vanuit het raam van de instelling GGZ Noord-Holland-Noord. Hij veroorzaakt geen incidenten, maar heeft wel voortdurend te maken met de scheuren die ontstaan als ideologie en praktijk uit elkaar lopen. ‘We moeten allemaal in de wijk gaan wonen, maar daar zijn we helemaal niet welkom. Er was hier groot protest van de buurtbewoners toen mensen vanuit de instelling naar de buurt gingen. Mensen dachten dat hun kinderen niet meer op straat konden spelen… Soms denk ik: hoe zou dat in de jaren zeventig zijn gegaan? Dat moet liefdevol zijn geweest. Het wordt nooit meer zoals het is geweest, maar ja, dat is de vooruitgang. Toch denk ik dat het zal veranderen, Ik hoop op een meer liefdevolle maatschappij. Dat het hart teruggeplaatst wordt.’

Over dit onderzoek

Voor dit onderzoek spraken wij ongeveer veertig betrokkenen: vertegenwoordigers van belangenverenigingen zoals GGZ Nederland, Landelijk Platform GGz/MIND, Stichting Borderline en Federatie Opvang, leden van het Aanjaagteam, cliënten, GGZ-bestuurders, psychiaters, psychologen, verpleegkundigen, politie, ambulancediensten, juristen en onderzoekers. Hiernaast lazen wij talloze rapporten en artikelen, en liepen we mee met het FACT-team GGZ Noord-Holland-Noord. Politiechef Aalbersberg wilde niet ingaan op ons interviewverzoek.

Zie platform-investico.nl voor meer informatie