De opkomst van ecodorpen

In de kosmische snelkookpan

Op steeds meer plekken leven ecologische eigenheimers in gemeenschappen waar een andere invulling wordt gegeven aan ‘het goede leven’. Ook tussen de Noord-Hollandse polderweilanden is zo’n ‘ecodorp’ in aanbouw: ‘Wij willen laten zien hoe het anders kan.’

Medium img 0637 20bewerkt

Geruisloos komt Fred Jan Twigt over het asfalt aan glijden op zijn ‘wike’: een ligfiets met een surfzeil, een wind bike dus. Het is een broeierige woensdagmiddag in juni, een dunne wolkensluier hangt over de uitgestrekte velden, in de verte zijn een paar villa’s te ontwaren, maar verder is het grasland met plukjes bomen zo ver het oog reikt. Twigt parkeert het voertuig naast een vlaggenmast in een berm bezaaid met wilde bloemen. ‘Ecodorp Bergen’, staat er op het wapperende doek. Hier, te midden van de Noord-Hollandse polderweilanden en pal naast een rustiek vogelreservaat, bouwt een groepje gelijkgezinden aan een alternatieve samenleving op kleine schaal. Een plek ‘waar mensen op een harmonieuze en respectvolle manier samenleven in liefdevolle verbinding met elkaar, de aarde en de kosmos en met ruimte voor de ontplooiing van ieders kwaliteiten’.

Twigt (62) heeft een gezond gebruind gezicht en vertelt met een zachte stem het verhaal achter de nederzetting in Bergen. Vanaf het begin is hij bij het project betrokken, je mag hem de initiatiefnemer noemen, maar de leider is hij niet. In het ecodorp werken ze op basis van gelijkwaardigheid.

Verbonden door een gedeelde zorg om de groeiende individualisering en commercialisering is er een internationale beweging ontstaan van ecologische eigenheimers die dwars tegen de tijdgeest ingaan en leefgemeenschappen stichten waarin op een radicaal andere manier wordt omgegaan met de medemens en de natuur. Volgens pleitbezorgers als Twigt zijn het onmisbare bouwstenen voor een duurzame toekomst.

Toen Twigt een paar jaar geleden terugkeerde uit Afrika was de schok groot. In Nederland zit iedereen de godganse dag aan schermen gekluisterd, merkte hij. Niemand heeft oog voor de wereld om zich heen. Dan reed hij op de snelweg en zag hij al die mensen in de file staan en dan dacht hij: waar zijn we in hemelsnaam met z’n allen mee bezig? Waarom doen die arme mensen die zo troosteloos uit het autoraam turen zichzelf dat aan? Ja, hij wist het antwoord wel: ze moeten naar hun werk, geld verdienen om de hypotheek af te lossen. Maar waarom?

Twigt was architect, had een opleiding gevolgd aan de TU Delft en was vervolgens naar Afrika vertrokken om voor de Verenigde Naties te werken. Daar leefde hij in dorpjes die nog in contact stonden met de natuur: kleine gemeenschappen waarin onderlinge zorg vanzelfsprekend was. ‘’s Avonds keken ze naar de sterren, niet naar de televisie.’

In Nederland leven we in hokjes, constateert Twigt. Totaal van elkaar afgesloten, ieder voor zich. En iedereen is bang – voor terrorisme, voor vluchtelingen, voor oorlogen die zich duizenden kilometers verderop afspelen. Die angst wordt bewust gevoed door politici, met hulp van de media want – dit citaat haalt Twigt uit een toneelstuk – ‘angst is het meest waardevolle wat er is, omdat je er mensen mee kunt manipuleren’.

Maar genoeg hierover. Hij wil zich er helemaal niet mee bezighouden, want ‘alles wat je aandacht geeft groeit. Protesteren is een heilloze weg, door er tegenin te gaan voed je het systeem alleen maar.’ Dus als Twigt mensen met oogkleppen op ziet leven denkt hij: ‘Ga je gang maar; doe het lekker op jouw manier, wij kiezen een andere weg. Wij willen laten zien hoe het anders kan.’

‘Goedemorgen, buenos días, good morning, buongiorno, guten Morgen.’ Het is vandaag ‘wereldworteldag’ en dat betekent dat we moeten wortelen met mensen uit allerlei landen en in allerlei talen, legt de zingende vrouw uit. Vijfentwintig kelen echoën de melodie van ochtendgroeten. Ze hebben hun handen ineen gehaakt en vormen een cirkel.

‘Nu gaan we allemaal rondlopen en hardop uitspreken welke negatieve bagage we vandaag niet bij ons willen dragen’, vervolgt een andere vrouw na het lied. Ze beent zelf als eerste weg uit de kring, terwijl ze verkondigt wat haar dwars zit. De anderen ijsberen ietwat onwennig door de ruimte en prevelen wat voor zich uit – nog niet naar tevredenheid van de initiatiefnemer: ‘Hebben jullie dan nergens last van?’ ‘Waarom is het zo’n shitweer?!’ roept iemand, tot hilariteit van de groep.

Zoals iedere donderdag is het vandaag meewerkdag in het ecodorp. Ondanks de stortregen zijn zo’n vijftien vrijwilligers naar het terrein gekomen om te helpen klussen. Op een krijtbord staan in kernwoorden de taken gekalkt: ‘sloten schoonmaken’, ‘hek’, ‘stenen sjouwen’, ‘takken opruimen’. Voordat de laarzen worden aangetrokken en de regenjacks omgeknoopt, wordt er – ‘sluit de ogen en adem diep’ – nog even van de stilte genoten.

De ochtendlijke opstartsessie vindt plaats in ‘De Herberg’, de gemeenschappelijke ruimte waar de ‘community’ samenkomt voor lunch, diner, vergaderingen, feesten en kringgesprekken. Het heeft een grote keuken, een lange eettafel, een meditatieruimte en een paar extra bedden voor gasten. In het provisorische bibliotheekje zijn oosterse wijsgeren beter vertegenwoordigd dan hun westerse collega’s.

Het industriële geraamte van De Herberg contrasteert met de lieflijke inrichting. Stalen balken met tl-verlichting hangen boven vrolijke fauteuils, djembé’s en gitaren liggen in de hoek, tegen de wand staat een antieke houten piano en op de muur prijkt een gedicht van de soefi-mysticus Rumi: ‘Wees blij met iedereen die langskomt. De hemel heeft ze gestuurd om jou als raadgever te dienen.’ Om iedereen zich veilig te laten voelen moet de ruimte warmte en compassie ademen, zegt Twigt.

Medium img 0660
‘Wees blij met iedereen die langskomt. De hemel heeft ze gestuurd om jou als raadgever te dienen’

Op het terras, onder een slinger van Tibetaanse gebedsvlaggetjes, zit Pauline Strijbis (49). Zij vertelt me alvast wat over het dorp dat hier moet verrijzen. Want hoewel een toegewijde club vrijwel dagelijks op het terrein te vinden is, staat het project nog in de kinderschoenen. ‘We zitten nog in de fase waarin we ons hardop afvragen hoe het ecodorp er precies uit moet komen te zien’, zegt Strijbis. ‘Daar heeft iedereen natuurlijk zijn eigen ideeën over, maar ik denk wel dat er een gedeelde basis is. Het moet een mini-maatschappij worden waarin niet geld, maar het leven centraal staat, waar je kunt wonen en werken en waar een groot deel van je sociale leven zich afspeelt.’

Dat betekent trouwens niet dat ze zich afsluiten voor de buitenwereld, onderstreept Strijbis: ‘Wij willen een open dorp zijn dat mensen inspireert.’ Er komt een camping, er worden festivals en workshops georganiseerd en schoolklassen krijgen een uitnodiging om een kijkje te komen nemen. Ze zijn overtuigd van hun levenswijze en schromen niet dat uit te dragen, in de hoop anderen aan te steken.

Jarenlang leefde Strijbis het leven dat zoveel Nederlanders leven. Prachtig nieuwbouwhuis, auto voor de deur, drie kinderen, partner met een goede baan. Maar ze voelde zich niet gelukkig. In haar oude omgeving was iedereen in de ban van materiële geneugten: er moesten telkens meer en nieuwere apparaten worden aangeschaft, ’s avonds werd er naar de breedbeeldtelevisie gestaard, het liefst met een iPad op schoot. ‘Het was een wereld waarin ik me totaal niet thuis voelde’, zegt Strijbis.

In het ecodorp probeert men een radicaal andere invulling te geven aan ‘het goede leven’. En dat is exact wat we vandaag de dag nodig hebben, betoogt de Nederlandse filosoof Marius de Geus, die zich als denker bezighoudt met de politieke kant van milieuvraagstukken en als burger zijn best doet om zo duurzaam mogelijk te leven. In het onlangs verschenen boek Filosofie van de eenvoud richt hij zijn pijlen op de moderne consumptiemaatschappij, waarin ‘het beeld van “het goede leven” en menselijk geluk steeds meer versmalt tot toenemende welvaart en een eindeloze verruiming van consumptiemogelijkheden’.

We lijken vergeten dat matiging en eenvoud geen straf zijn, maar veeleer een bron van voldoening en geluk. Wanneer we, zoals de inwoners van het ecodorp, loskomen van de obsessieve hang naar consumptie en status kan dat ons leven verrijken, schrijft De Geus. Initiatieven als het ecodorp vervullen wat dat betreft een voortrekkersrol.

‘Voor mij is het belangrijk dat mijn ecologische voetafdruk kleiner wordt’, vertelt Strijbis. ‘Iedereen heeft een eigen woning vol met onnodige troep. Ik heb bewust gekozen voor een eenvoudiger leven. Meer bezit betekent minder ruimte en hoe meer je werkt, hoe minder tijd je overhoudt voor wezenlijke dingen. Dat besef is hier echt tot me doorgedrongen.’

Gemakkelijk was het niet om haar oude leventje definitief gedag te zeggen. ‘Het was een behoorlijke stap, je hebt toch een gezin met drie kinderen’, zegt Strijbis. ‘Maar ik wist dat het niet langer ging.’ Een tijdje lag ze in de knoop met zichzelf. Ze begon spirituele boeken te lezen, zat even in een klooster en voelde een sterke drang om te dansen. De eerste keer dat ze meedeed bij een les Biodanza wist ze: wauw! hier ben ik thuis.

Bij Biodanza, de ‘dans des levens’, staan drie vragen centraal. Wat wil ik doen? Met wie wil ik zijn? En waar wil ik wonen? ‘Ik had heel sterk het verlangen om in een gemeenschap te wonen’, zegt Strijbis. Toen ze een oproep plaatste in haar Biodanza-nieuwsbrief had ze al snel een clubje geïnteresseerden verzameld dat zich later zou aansluiten bij de groep die het terrein in Bergen op het oog had.

Er blijkt genoeg animo voor het stichten van woongemeenschappen met een ecologische inslag. Met name in Zuid-Europa tieren de duurzame nederzettingen welig. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het aangename mediterrane klimaat, maar ook met het feit dat Griekenland, Spanje en Portugal hard getroffen werden door de crisis. Niet dat ecodorpen bevolkt worden door gefrustreerde werklozen, maar de economische terugslag gaf aanleiding tot bezinning: waarom hechten we zoveel waarde aan materiële welvaart? Kunnen we niet met minder toe? Is de manier waarop we onze economie hebben ingericht überhaupt wel houdbaar? Het zijn vragen die ook in Bergen hardop gesteld worden.

In Nederland steken her en der soortgelijke projecten de kop op. Bij het overkoepelende netwerk zijn zo’n twintig initiatieven bekend, waarvan een deel in aanbouw is, of nog slechts op papier bestaat. Op dit moment telt ons land zo’n tien ‘ecodorpen’, waaronder het dorp in Bergen, die up and running zijn.

Qua insteek lopen de projecten nogal uiteen. Op het Utrechtse landgoed Stoutenberg is een ‘Franciscaans milieuproject’ actief, waar een religieuze gemeenschap volgens de leer der Minderbroeders leeft in verbondenheid met de natuur. In Varik, een dorpje aan de Waal, staat een veerhuis met daarin ’s lands eerste Village Trade Centre: een handelshuis met enkel lokale producten dat de ambitie heeft om uit te groeien tot ‘een internationaal centrum voor de nieuwe economie’. En in Oost-Nederland staat een wijk met ‘aardehuizen’: zelfvoorzienende woningen gemaakt van duurzame materialen.

Het zijn stuk voor stuk sympathieke initiatieven, zegt Twigt, maar het is iets anders dan wat ze in Bergen willen realiseren. ‘Het risico van een ecowijk is dat, als de bouw eenmaal is afgerond, mensen zich terugtrekken in hun eigen huis en dat het gemeenschapsgevoel verdwijnt. Terwijl dat in ons ecodorp nu juist centraal staat.’ Het wonen in groepsverband is een belangrijke drijfveer voor de idealisten die in Noord-Holland zijn neergestreken. Iedereen die ik spreek benadrukt het belang van de ‘community’ en de bereidheid om elkaar bij te staan.

Medium img 0613
Bij de ‘dans des levens’ staan drie vragen centraal. Wat wil ik doen? Met wie wil ik zijn? En waar wil ik wonen?

Natuurlijk zijn er ook spanningen, daar draaien de ecodorpelingen niet omheen. ‘Als je zo intensief in een groep leeft, ga je je aan elkaar ergeren’, zegt Twigt. ‘Het is voor mezelf ook een enorme leerschool. Hoe bewaar ik de innerlijke vrede?’ Het zijn dezelfde trivialiteiten die in ieder huishouden tot conflict kunnen leiden: troep die blijft slingeren, vieze wc’s en altijd weer dezelfde mensen die de afwas doen. Maar waar in een traditioneel gezin ouders met autoriteit geschillen kunnen beslechten, moeten in de egalitaire gemeenschap kringgesprekken uitkomst bieden.

Constant overleg is nodig om het met elkaar te rooien, zegt Twigt. Besluiten worden in het ecodorp genomen volgens een sociocratisch model, dat er – kort gezegd – op neerkomt dat een besluit pas doorgang vindt als niemand meer beargumenteerde bezwaren heeft. Twigt heeft een opleiding gevolgd om zich de sociocratische beginselen eigen te maken en geeft nu regelmatig workshops aan andere organisaties.

Het is beter dan een simpele democratie, vindt hij – daar kunnen minderheidsstandpunten immers worden genegeerd – en praktischer dan het streven naar consensus: in een sociocratie zijn bezwaren alleen valide als ze onderbouwd en constructief zijn. Twigt: ‘Het is een ideaal model voor lokaal zelfbestuur: het creëert onderling vertrouwen en zorgt ervoor dat iedereen gehoord wordt.’

Zelfs poncho’s blijken niet bestand tegen de waterpartij die deze donderdagochtend uit de hemel komt. Doorweekt ploeteren de vrijwilligers door – weer of geen weer, er moet nog een hoop gebeuren. Onverstoorbaar steken ze hun spades in de donkere aarde, zeulen met hekwerken en rijden kruiwagens vol onkruid richting de composthoop.

Het vinden van een geschikte locatie blijkt, althans in Nederland, het grootste obstakel voor groepen die de ambitie koesteren om een ecodorp te stichten. Wat dat betreft hebben de ecodorpelingen in Bergen het getroffen: samen hebben ze vijftien hectare grond bemachtigd in een van de duurste gebieden van Nederland.

Het is een plek met historie: een oud militair vliegveld waar Duitse bommen tijdens de Tweede Wereldoorlog een deel van de Nederlandse luchtmacht uitschakelden. Na de Duitse bezetting werd het een mobilisatiecomplex en opslagplaats voor militair materieel dat tijdens de Koude Oorlog permanent bewaakt werd.

In 2013 kwam het complex onder de veilinghamer. ‘Ik wist direct dat dit de perfecte plek was om onze droom te realiseren’, zegt Twigt, terwijl we een oude munitiebunker passeren. Maar toen hij hoorde dat de waarde van de grond in de miljoenen werd geschat leek het erop dat het bij een droom zou blijven. ‘Dat bedrag konden we natuurlijk nooit ophoesten.’

In plaats van de handdoek in de ring te gooien, zette de groep een tandje bij. Ze werkte haar plannen tot in detail uit en raadpleegde verschillende experts. De grond onder het oude vliegveld was vervuild en er konden zelfs nog bommen liggen. Miljoenen zouden er dus niet geboden worden.

Op een bepaald moment had een vrouw uit de groep een droom, waarin haar een getal toekwam. Een, twee, drie vier, vijf, zes. Als ze 123.456 euro zouden bieden, zou het terrein voor hen zijn. Natuurlijk klonk het onwaarschijnlijk, maar ze had het gecheckt met orakelkaarten en de pendel en beide bevestigden de droomboodschap.

Een paar weken later werd, in het gebouwtje dat nu De Herberg heet, de uitslag bekendgemaakt. Er waren zes biedingen binnengekomen, ook een paar projectontwikkelaars hadden hun oog laten vallen op het terrein. Maar er was slechts één partij die keurig aan alle voorwaarden had voldaan. De ecodorpelingen in spe hadden hun huiswerk beter gedaan dan de concurrentie: doordat ze de risico’s in kaart hadden laten brengen en helder voor ogen hadden wat zij wilden realiseren, durfden ze onvoorwaardelijk te bieden. ‘Zo zagen die projectontwikkelaars dat het terrein in handen kwam van een stel idealisten’, lacht Twigt.

Kijk, daar staat mijn kosmische snelkookpan.’ Twigt gebaart naar een terpje met een Yurt erop. ‘Die Mongolen waren niet gek’, bewondert hij de constructie van de ronde tent die traditioneel afkomstig is van de Centraal-Aziatische steppe. ‘Geniaal in z’n eenvoud en ontzettend comfortabel. Als ik in de winter een paar houtblokken in het kacheltje gooi is het hier zo warm. In zo’n ronde ruimte voel ik me enorm sereen, ik weet niet wat het is.’ Een matras, een kast en een klein stapeltje boeken, meer heeft hij niet nodig.

‘Ruzie om de kliko. Dat zal hier niet snel gebeuren. De mensen hier zijn gewend om zelfreflectie te beoefenen’

Het is een behoorlijke klus om een militair vliegveld om te toveren tot een groen dorp, maar er is al ontzettend veel gebeurd, vertelt Twigt. ‘Dit’, wijst hij naar een braakliggend stuk grond, ‘was bedekt met betonnen platen, die we er stuk voor uit moesten wrikken.’ Drie hectare beton werd er verwijderd, acht loodsen gingen tegen de vlakte en er werden meer dan vierduizend struikjes gepland om de vervuilde bodem te saneren.

Op den duur moet het terrein plaats bieden aan zo’n tachtig inwoners. ‘Dat is het minimale aantal voor een ecodorp’, zegt Twigt. Naast een van de overgebleven loodsen staat een prototype van een ecowoning: een zeshoekig verblijf met wanden van stro en leem, duurzame materialen, goed geïsoleerd en ‘een huis dat ademt’. Twigt: ‘De mensen die hier komen wonen hoeven geen kast van een huis, ook omdat we veel centrale voorzieningen delen.’

Medium img 0641

Volgens de officiële definitie, afkomstig van duurzaamheidspionier Robert Gilman, is een woongemeenschap pas een ecodorp wanneer het een ‘volledig uitgeruste nederzetting op menselijke schaal is, waarin menselijke activiteiten harmonieus zijn geïntegreerd in de natuurlijke omgeving’ en waar ‘een gezonde menselijke ontwikkeling wordt ondersteund die succesvol kan worden gecontinueerd tot in het oneindige’.

Het ‘eco’-label roept soms misplaatste verwachtingen op, merken ze in Bergen. Bijdehante betweters hebben al snel iets gevonden dat de duurzaamheidspretentie ondermijnt. Nadat ze een kunststof welkomstbord hadden gemaakt, werden ze er fijntjes op gewezen dat plastic natuurlijk geen ecologisch materiaal is. En er rijden regelmatig graafmachines op het terrein, die – uiteraard – benzine verbranden. ‘Maar ja’, zucht Twigt, ‘we kunnen moeilijk alle werkzaamheden met de hand verrichten.’

Uiteindelijk willen ze zo veel mogelijk zelfvoorzienend zijn. Maaltijden moeten straks bereid worden met ingrediënten uit de gemeenschappelijke moestuin en het liefst hebben ze niets te maken met grote energiemaatschappijen. ‘Op het dak van De Herberg liggen zonnepanelen en we hebben nog drie windmolentjes in de opslag’, zegt Twigt, ‘maar de vergunningen om die neer te zetten ontbreken nog.’

Soms gaat het allemaal frustrerend traag, zucht hij. Aan de mensen hier ligt het niet, maar de bureaucratische rompslomp waar ze mee te kampen hebben is om gek van te worden. Al jaren wachten ze op uitsluitsel van de gemeente. Gisteren waren er ambtenaren en een wethouder op bezoek om eigenhandig poolshoogte te nemen. ‘En ja, dan zijn ze positief’, zegt Twigt. ‘Dan krijgen we complimenten over wat we hier aan het doen zijn en vertrouwen ze ons toe dat ze het een sympathiek initiatief vinden.’

Maar dan begint het lange wachten weer. Maanden geleden hebben ze al een vergunning aangevraagd voor tijdelijke bewoning. Want het complex is – drie jaar na de verkoop – officieel nog steeds militair terrein en dus mag Twigt geen vaste intrek nemen in de Yurt en blijft het ecodorp gevangen in een ergerlijke patstelling: de buitenwereld ziet een stelletje hippies bivakkeren op een braakliggend terrein, terwijl de ecodorpelingen hun handen gebonden weten door de stroeve ambtenarij. ‘Het is ontzettend vermoeiend’, zegt Twigt. ‘We hebben werkelijk voor elk bouwwerkje een vergunning nodig.’

Het heeft Anna Spohr (49) er niet van weerhouden haar toekomstige woning alvast op het terrein te parkeren. Spohr is de eigenaar van ’s Nederlands eerste tiny house, een volwaardig houten huisje van zeventien vierkante meter, voorzien van alle gemakken: een keukentje, een woonkamer, een slaap- en een meditatieruimte en zelfs een ligbad. ‘Genoeg om comfortabel te leven, maar dan moet het wel opgeruimd zijn’, zegt ze, terwijl ze het huisje aan kant maakt. ‘Tiny en tidy, iedere dag opruimen hoort er nu eenmaal bij.’

De tiny-housetrend is komen overwaaien vanuit de Verenigde Staten, waar het werd geboren uit noodzaak. Toen mensen in de nasleep van de financiële crisis hun huis uit werden gezet begonnen ze op eigen houtje een onderkomen te bouwen. Met een klein potje spaargeld kun je zelf een tiny house in elkaar zetten, daar hoeft geen hypotheek aan te pas te komen.

Dat gevoel van volkomen onafhankelijkheid trok Spohr, die jarenlang als documentairemaker voor onder meer de vpro en Human werkte. ‘Ik ben een enorme fan van Joris Luyendijk’, zegt ze. ‘Ik volgde zijn blog toen hij voor The Guardian schreef over de bankenwereld in Londen. Dat is gewoon een en al machismo, winstbejag en kuddegedrag. Ik was helemaal klaar met banken. Het beetje spaargeld dat ik had heb ik toen aan dit project gegeven. Ik verlies mijn geld liever aan een idealistische club dan aan een stel speculanten.’

Het is ‘een feest’ om in het ecodorp te zijn, zegt Spohr. ‘Je proeft hier de wilde natuur nog. Je ziet vossen over het terrein sluipen, er zitten allerlei soorten uilen in de bomen.’ En de mensen hier zijn niet kleinburgerlijk, maar menen dat we veel meer met elkaar kunnen delen. ‘Ik geloof in het “nieuwe wij”, dat de grenzen van het gezin overstijgt. In mijn andere woning had ik nauwelijks contact met de buren. Ja, we kregen ruzie om iets onbenulligs als de kliko. Dat zal hier niet zo snel gebeuren, daarvoor is deze gemeenschap te veel met elkaar begaan. De mensen hier zijn gewend om zelfreflectie te beoefenen, je voelt die warmte.’

Wie, net als politiek filosoof Marius de Geus, gelooft dat de ontwrichting van het klimaat een cultureel probleem is (meer specifiek: het gevolg van een westerse cultuur met haar ‘op bezit gerichte individualisme’), kan in de ecodorpen een hoopvolle tegenbeweging zien. Dit soort duurzame communes proberen een praktisch alternatief te bieden voor de consumentistische tijdgeest. In de ogen van veel eco-libertaire denkers waarop De Geus zich beroept, vormen ze zelfs de basiseenheden van de ideale ecologische samenleving.

Fred Jan Twigt heeft niet de behoefte om als een evangelist het woord te verspreiden, maar hij is er heilig van overtuigd dat mensen alleen in kleinschalige ecogemeenschappen in harmonie met de aarde kunnen leven. Als de mensheid nog een kans wil maken om te overleven, moeten we terugkeren naar het lokale niveau, zoals de Afrikaanse dorpjes waar hij werkte: ‘Dat waren eigenlijk een soort ecodorpen avant la lettre.’

Zoals we nu met de aarde omgaan is volgens Twigt volledig gestoord. Het is niet zo ingewikkeld, iedereen die zijn gezonde verstand gebruikt moet toch inzien dat we de natuur niet straffeloos kunnen uitputten en manipuleren. ‘Ja de supermarkten liggen vol, maar tegen welke prijs?’ sombert hij. ‘De ecologische kosten blijven uit het zicht van de consumenten, maar zijn daarom niet minder reëel.’ We willen almaar meer en nieuwere spullen en oefenen meer en meer druk uit op de aarde. Twigt voelt aan zijn klompen aan dat het misgaat.

Maar hoor hem nou, daar gaat-ie weer. Hij wil er helemaal niet mee bezig zijn, alle energie die hij heeft wil hij wijden aan het ecodorp. Opdat hier een harmonieuze mini-maatschappij mag groeien en opdat goed voorbeeld doet volgen.


Beeld: (1) gemeenschappelijke ruimte De Herberg van Ecodorp Bergen; (2) prototype van een ecowoning met wanden van stro en leem, daarachter een tiny house; (3) loskomen van de hang naar consumptie en status; (4) Ecodorp Bergen moet op den duur plaats bieden aan zo’n tachtig inwoners