De nieuwe geest van het kapitalisme

In de leemte van betovering

Ruim een eeuw geleden beschreef Max Weber de ijzeren kooi van de moderniteit; de onttovering van de wereld maakt de mens niet vrijer, eerder het tegenovergestelde. In onze neoliberale tijden is die kooi behaaglijker dan ooit – maar het blijft een kooi.

Rotterdam-Delfshaven, begin jaren vijftig, distilleerderij Henkes © Cas Oorthuys / Nederlands Fotomuseum / HH

Het is een beeld uit ons collectieve geheugen: een stuntelige Charlie Chaplin als machteloze arbeider die hopeloos verstrikt raakt tussen de tandwielen in een jaren-dertigfabriek, uit de film Modern Times uit 1935. De titel zelf is al veelzeggend. Wij denken bij ‘modern’ meestal aan allerlei positiefs, maar voor Chaplin had het de lading van irrationeel en onmenselijk. Hij laat in zijn film tot in het absurde zien hoe de kleine mens ondergeschikt wordt aan de krachten van geld en lopende band.

Dit unheimische gevoel leefde breed aan het begin van de twintigste eeuw. Henry Ford had de arbeidsdeling tot het uiterste doorgevoerd. Het lopende-banddenken werd uitgerold over de hele economie. Ook de staat dijde uit tot een enorme bureaucratie waar iedereen zich volgens vaste protocollen moest gedragen. Steeds meer mensen ontdekten dat een groot systeem, dat rationeel afgestemd was op efficiëntie, mensen kan reduceren tot radertjes. Hoe rationeel is dat uiteindelijk nog?

Het zou zomaar kunnen dat Chaplin het werk van Max Weber kende. Die had hier al over geschreven aan het begin van de eeuw, toen er nog geen Grote Oorlog en Grote Depressie waren geweest en toen er nog een enorm optimisme heerste over de zegeningen van de moderne tijd. Als jurist en economisch historicus legde hij de basis voor een nieuwe wetenschap, de sociologie. Waar voorgangers zochten naar materiële verklaringen voor de enorme veranderingen (zoals de wetten van ‘het kapitaal’) legde hij de nadruk op culturele oorzaken. Hij ging op zoek naar de mentaliteit van de moderne mens, naar de ‘geest’, zoals hij zei, van het kapitalisme. En hij wilde weten hoe individuen dit kapitalisme legitimeerden, uit welke motieven ze zich vrijwillig ondergeschikt maakten aan zulke krachten. Vóór Chaplin zag hij al dat rationalisering gepaard gaat met grote irrationaliteit.

Een van de bekendste studies van Max Weber was De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme, dat hij schreef in 1904 en 1905. Daarin legt de Duitse geleerde uit hoe het protestantse, ascetische arbeidsethos van spaarzaamheid en vlijt de ware voedingsbodem was van het moderne kapitalisme. Het was zo diep geworteld dat dit ethos behouden bleef toen het bijbehorende geloof verdampte. Het christelijk plichtsbesef werd zo getransformeerd tot winstbejag.

Het nieuwe van Weber zat er vooral in dat hij culturele waarden en ideologische waarden serieus nam als oorzaak van maatschappelijke veranderingen. Hij onderzocht verschillende protestantse stromingen die elk op een unieke manier omgingen met werk en winst maken, om te begrijpen hoe hun mentaliteit in elkaar zat. In latere werken zou hij dat gaan vergelijken met het denken in het oude China, het oude India en het oude jodendom.

Weber was pleitbezorger van een waardenvrije wetenschap. Hij wilde beschrijven, niet oordelen. Toch kon hij het niet laten om in de laatste alinea’s van zijn protestantismestudie een omineuze waarschuwing op te nemen. Het kapitalisme is voortgekomen uit morele bronnen, uit waarden, maar die zijn we vergeten. Wat overblijft, waarschuwde hij, is een vrijheidsondermijnend systeem. Een ijzeren kooi, is er vaak vertaald, maar letterlijk zegt hij: een ‘stahlhartes Gehäuse’, een staalhard omhulsel, een dwangbuis.

De protestantse ascetische levenshouding had de wereld veranderd, schrijft hij. Ze had bijgedragen aan een ‘imposante kosmos van de moderne, aan de technische en economische voorwaarden van de mechanisch-machinale productie gebonden economische orde die vandaag de dag de levensstijl van alle individuen die in dit raderwerk worden geboren met een onweerstaanbare dwang bepaalt en misschien zal bepalen tot de laatste ton fossiele brandstof is opgebrand’. Weber stelt een vraag die ook een eeuw na dato nog relevant is. Het is een vraag die hij als waardenvrije wetenschapper niet wilde beantwoorden, maar wel kon stellen: hoeveel vrijheid hebben we nog in onze liberale, rationele economische orde?

Maximilian Carl Emil Weber (1864-1920) groeide op in een gegoede omgeving in Erfurt. Zijn vader was een hoge ambtenaar en zat in de Rijksdag namens de nationale liberalen. Zijn moeder daarentegen was een diepgelovige vrouw, die charitatief werk deed. Hij stond veel dichter bij zijn moeder, al noemde hij zichzelf religieus gezien ‘niet muzikaal’.

De intelligente Weber, die school zo stom vond dat hij er stiekem de veertig werken van Goethe las, droeg de spanning tussen zijn ouders in zichzelf mee. Zijn vader was een autoritaire man en levensgenieter, zijn moeder een ascetische vrouw die voor haar gezin leefde. Kort nadat hij een keer een heel heftige ruzie met zijn vader had gehad overleed die. Weber voelde zich schuldig en stortte volledig in. Hij was net hoogleraar geworden in Heidelberg, in 1896, maar hij was voor jaren uit de running.

Zijn achtergrond is een belangrijk gegeven, want zijn persoon en ook zijn denken laten een mengeling zien van rustig, bedachtzaam, waardenvrij kijken, afgewisseld met een felle bevlogenheid en een hang naar grootsheid en adeldom. Hij had verschillende liefdesaffaires, maar niet met zijn eigen vrouw, hoewel ze vriendschappelijk met elkaar omgingen en zij na zijn dood veel heeft gedaan om zijn werk te redigeren. Zijn zwakke gestel had ook praktisch gezien gevolgen voor zijn werk. Hij nam ontslag bij de universiteit, maar die wilde hem niet laten gaan. Hij mocht aanblijven als ereprofessor, waardoor hij veel tijd kreeg om te doen wat hij wilde. Dat stelde hem weer in staat om een wetenschap te bedrijven die zich niet hield aan voorgeschreven kaders en vakjes. Zo werd hij de grondlegger van een brede sociologie.

Weber was in zijn wetenschapsleer antipositivistisch. Veel wetenschappers geloofden dat religie passé was en dat de wetenschap de mens naar nieuwe verlichting zou leiden. Weber vond dat onzin. Volgens hem moest de wetenschapper strikt in zijn eigen domein blijven en accepteren dat waarden en doelen worden gevormd in andere domeinen van het leven.

Dit was een heldere insteek, maar getuigde wel van een tragische opvatting over de moderniteit. Want terwijl domeinen zoals de wetenschap, maar ook het recht, de economie, de politiek, enzovoorts, steeds gespecialiseerder en rationeler werden, kregen ze minder zeggenschap over de doelen en waarden die overstijgend zijn. De moderne mens weet steeds meer over het hoe, maar steeds minder over het waartoe.

Volgens Weber was dit een uniek proces in de wereldgeschiedenis. Het abnormale van de moderne, westerse beschaving was niet dat we toevallig betere uitvindingen hadden of slimmere handelssystemen. De moderniteit was een cultureel en mentaal fenomeen, dat ten diepste neerkwam op rationalisering, zei Weber. Natuurlijk, er waren meer beschavingen die rationele methodes en systemen gebruikten. Maar de manier waarop dat gebeurde, was in het Westen echt anders dan waar dan ook.

Veel wetenschappers geloofden dat religie passé was en dat de wetenschap de mens naar nieuwe verlichting zou leiden. Weber vond dat onzin

Wat in het Westen gebeurde, was een groeiende nadruk op ‘formele rationaliteit’, zegt Dick Houtman, socioloog aan de Universiteit van Leuven en auteur van een handboek over Weber. ‘Dat staat bij Weber voor het systematiseren van de wereld door middel van formele regels, procedures, structuren en systemen om gegeven doelen op een voorspel- en berekenbare wijze te bereiken.’ Je zou het een nadruk op middelen kunnen noemen. Zo gingen allerlei domeinen van de maatschappij zich specialiseren.

In deze trend naar meer systematisering werd een manier van handelen dominant die Weber ‘doelrationeel’ noemt, zegt Houtman. Doelrationeel handelen is handelen waarbij je kosten en baten afweegt en bewust probeert de uitkomst te optimaliseren. Dat is anders dan je daden bijvoorbeeld baseren op tradities of gevoel of op waarderationaliteit. Dat laatste is ook wel rationeel – denk aan altijd eerlijk zijn, ongeacht de uitkomst – maar bij doelrationeel handelen staat echt de effectiviteit van je handelen centraal. Deze berekenende houding was uniek voor het Westen.

Tegelijkertijd werd de moderne wereld ‘onttoverd’, nog zo’n belangrijke stelling van Weber. Mensen gingen zich losmaken van grotere verhalen. Dit was volgens Weber een gevolg van het jodendom en het protestantse christendom, die vanuit hun geloof in de Ene God kritisch waren ten opzichte van alle andere goden en machten. Toen echter het geloof in God verdween, bleef er geen bezield verband meer over tussen alle domeinen van de maatschappij, die in zichzelf steeds rationeler en efficiënter werden maar geen overkoepelend doel meer hadden. Ze hadden allemaal hun eigen doel, ze wérden soms hun eigen doel.

Weber constateert dat de wereld steeds meer werd beschouwd als kenbaar en berekenbaar. Men ging geloven dat er ‘principieel geen geheimzinnige onberekenbare machten zijn die ertussen zouden kunnen komen, dat men veeleer alle dingen – in principe – door berekenen beheersen kan’. Dit proces noemde hij de onttovering van de wereld. De premoderne mens geloofde nog in zulke geheimzinnige machten en had magie nodig. Dat hoeft de moderne mens niet meer, want ‘technische middelen en berekening volbrengen dat’.

Rationalisering is volgens Weber verweven met controle, zegt Houtman. ‘De moderne mens denkt met berekening alles te kunnen beheersen. Rationalisering, in bijvoorbeeld wetenschap en techniek, leidt tot beheersing en controle van mens en natuur. Een doelrationele arbeidsorganisatie leidt tot een steeds efficiëntere disciplinering van mensen in en buiten de werksfeer.’

En nu komt er iets wat volgens Houtman sociologie zo fascinerend maakt. ‘De meeste mensen associëren modernisering met vrijheid. Maar Weber definieert modernisering als rationalisering en zegt dat dit vrijheid juist onder druk zet.’ Dat hadden de Verlichtingsdenkers niet zien aankomen. Juist de onttoverde mens, die ruimte nodig heeft om na te denken en te kiezen wat hij belangrijk vindt, ziet zijn vrije ruimte afnemen. ‘In de kern van de moderniteit zit dus een spanning. Weber zag die ontstaan. Ten diepste was dat een tragisch wereldbeeld. Maar volgens Weber was er geen alternatief. Je kunt een onttoverde wereld niet opnieuw betoveren.’

Lauenstein, 1917, Max Weber © Jena A. Bischoff, / AKG Images / ANP

In de tijd van Weber groeiden de bureaucratieën als kool. Hij zag naast de premoderne regeringswijzen, zoals de monarchistische hofhouding van jaknikkers rond de autoritaire Wilhelm II, tevens een rationele staat ontstaan, compleet met ‘salarissen, pensioenen, promoties, gespecialiseerde trainingen, functionele taakverdelingen, welomschreven rechtsgebieden, archiveringsprocedures en hiërarchische boven- en ondergeschiktheid’. Dit systeem kon volgens Weber de hoogste graad van efficiëntie bereiken en was in die zin de ‘meest rationele manier van autoriteitsuitoefening over mensen’.

Terwijl zijn land- en tijdgenoot Franz Kafka in romanvorm beschreef hoe beklemmend en irrationeel dit soort rationeel georganiseerde organisaties kunnen worden, onderzocht Weber sociologisch hoe ze functioneerden. Maar ook hij constateerde dat mensen radertjes werden in een groot geheel. Hoe ze worden opgesloten in rollen en processen, de ‘poolnacht van ijzige duisternis’, schrijft hij zelfs. ‘Denk aan een bijstandsmedewerker’, zegt Houtman. ‘Die zit daar achter zijn bureau en dan komt er een hulpeloze alleenstaande moeder die echt niet kan rondkomen. Die medewerker wil haar misschien wel heel graag helpen. Maar hij kan het niet. Hij moet zich nu eenmaal aan de regels houden.’

Het gebeurde ook in de economie. Ook die werd steeds voorspelbaarder en efficiënter. In plaats van horige boeren, die je het hele jaar in leven moest houden, kwamen er dagloners, die je alleen maar hoefde te betalen als je ze nodig had. Dat was veel beter te berekenen en in te plannen. Maar in dat proces worden mensen gereduceerd tot weinig meer dan hun functie in het geheel.

Daarbij zag Weber ook een nieuwe invulling van het woord ‘beroep’. Het was niet meer een ‘roeping’, een domein waar je je plichtsbesef ten opzichte van God tot uiting bracht. Hard werken en veel geld verdienen – aanvankelijk een vrucht van de christelijke, ascetische waarden – werd een doel op zich.

Geldzucht was natuurlijk niet nieuw. ‘Winstbejag, streven naar winst, naar het hebben van zoveel mogelijk geld, heeft op zich niets met kapitalisme te maken’, schreef Weber. ‘Dit streven trof en treft men aan bij obers, artsen, koetsiers, kunstenaars, cocottes, corrupte ambtenaren, soldaten, rovers, kruisvaarders, casinobezoekers, bedelaars.’ Ook zijn er altijd kapitalistische ondernemingen geweest. Maar wat wel uniek is, is het burgerlijke bedrijfskapitalisme met zijn rationele organisatie van de vrije arbeid. Met zijn rationele boekhouding en rationele scheiding van huishouden en bedrijf. Allemaal gebaseerd op een rationele wetenschap en techniek, maar ook op de vaardigheid van mensen om een rationeel leven te leiden, niet belemmerd door innerlijke weerstanden zoals het geloof in magische en religieuze machten.

Zo hebben de ‘materiële goederen van deze wereld een onontkoombare macht gekregen over de mensen, zoals nooit tevoren in de geschiedenis’, stelt Weber. En hier wijkt zijn waardenvrije beschrijving voor een onheilspellende ondertoon. ‘De geest [van het ascetische, protestantse ideaal] is uit het omhulsel geweken. Het kapitalisme berust nu op mechanische grondslag. Ongebreideld winststreven blijft over.’

‘Mensen willen zichzelf zijn. Ze willen niet meer luisteren naar instituties en verwachtingen van de wereld, maar ze willen hun gevoel serieus nemen’

Of dit omhulsel van staal, deze ijzeren kooi, een eeuw na dato nog bestaat, kunnen we op twee manieren bekijken. Het proces van rationalisering, de toename van regels en protocollen en het belang van efficiency is in al die tijd gewoon doorgegaan. Nog steeds groeit het aantal protocollen en richtlijnen die allemaal zijn bedoeld om te voorkomen dat er ooit ergens iets fout gaat, zorggeld wordt verspild, geld wordt gestolen, een consument wordt misleid, een bacterie ontsnapt of een persoonsgegeven verkeerd wordt gedeeld.

In het economische bestel heeft deze berekenbaarheid zich vertaald in automatisering. Een machine maakt nooit een fout en begint nooit te laat. In de loop van de decennia zijn mensen steeds meer vervangen door machines en algoritmes die veel voorspelbaarder zijn. Je zou kunnen stellen dat de ijzeren kooi van Weber alomvattender is dan ooit – er zitten alleen geen mensen meer in. Die zitten werkloos thuis.

Maar het andere antwoord is dat er een enorme tegenbeweging is ontstaan. Na de Tweede Wereldoorlog werd er gezocht naar een ontsnappen uit de ijzeren kooi, zegt Thijs Lijster, filosoof aan de universiteit van Groningen. ‘De denkers van de Frankfurter Schule borduurden voort op het werk van Weber. Adorno zocht het in de kunst. Marcuse zocht het in de politiek en in de seks. Mensen kwamen in opstand tegen de ijzeren kooi, tegen het rationele, kapitalistische bestel dat onze innerlijke vrijheid beknelt.’

Wat zich toen voltrok was een diep romantische wending, allereerst in de tegencultuur, maar die werd later de hoofdstroom, zegt Houtman. ‘Dat is niet meer verdwenen. Neem het populisme. In de kern zie ik dat als verzet tegen het rationalisme en efficiencydenken in de politiek. Het is geen toeval dat Fortuyn doorbrak in de tijd van de paarse kabinetten.’ Maar het gebeurt ook op godsdienstig vlak. ‘Mensen hebben religie achter zich gelaten, maar worden wel massaal spiritueel. Dat laat zien wat mensen willen: ze willen zichzelf zijn. Ze willen niet meer luisteren naar instituties en verwachtingen van de wereld, maar ze willen hun gevoel serieus nemen.’

‘Het valt allemaal onder de noemer van anti-institutionalisme’, zegt Houtman. ‘Het is een tegenreactie op de rationalisering. En hetzelfde gebeurt ook in de wetenschap, waar alle autoriteit ter discussie wordt gesteld. Mensen beweren nog steeds dat wetenschappelijk denken toeneemt naarmate religie afkalft. Dat is dus niet zo. Een afnemend vertrouwen in religieuze autoriteiten gaat gelijk op met een afnemend vertrouwen in de wetenschap. Beide komen voort uit dezelfde onvrede, het wantrouwen tegenover instituties in een onttoverde wereld.’

De romantische wending heeft ook plaatsgevonden in de economie. Dat hebben de Franse sociologen Luc Boltanski en Eve Chiapello laten zien in hun invloedrijke boek The New Spirit of Capitalism (2005, in het Frans in 1999). Zij vergeleken bijvoorbeeld managementteksten uit de jaren negentig met die van de jaren vijftig om een mentaliteitsverandering te traceren. Er is echt een nieuw kapitalisme ontstaan, zeggen ze. In de loop van de jaren zeventig namen werkgevers steeds meer afstand van de hiërarchische, fordistische structuren. Ze gingen hun bedrijf zien als een netwerk, waarbij de werknemer centraal moest komen te staan. Je moest autonome, geïnspireerde creatievelingen creëren.

‘De proteststem uit de jaren zestig heeft de weg geplaveid voor het neoliberale kapitalisme’, zegt Houtman. ‘In plaats van een top-down sturing kwamen er marktachtige arrangementen met proactieve, flexibele en zelfsturende werknemers. Bureaucratie werd vervangen door excellente individuen die passie hebben voor hun werk. Die individuen moet je niet in de nek hijgen, die moet je bevrijden van regelgeving. Dit gaat vergezeld van een nadruk op de emotionele binnenwereld van de werknemer. We zien dit ook terug in de vacatures. Google maar eens op “met een passie voor…” en je vindt honderden vacatures. Die verwachten allemaal innerlijk gemotiveerde mensen te vinden. Er is zelfs specifieke business-spiritualiteit voor, om werknemers te leren hoe zij inspiratie uit zichzelf kunnen putten.’

Uiterlijk is het kapitalisme dus veranderd. Maar Weber beschreef niet alleen uiterlijkheden, hij wilde de motivaties begrijpen, de manier waarop mensen systemen legitimeerden, zegt Lijster. ‘Het kapitalisme kostte mensen heel veel, maar blijkbaar paste het toch bij calvinistische waarden die mensen belangrijk vonden. Welnu, dat proces heeft zich herhaald, tonen Boltanski en Chiapello aan, maar nu met de romantische waarden uit de jaren zestig. Mensen eisten autonomie, flexibiliteit, zelfexpressie. En dat kregen ze, in de vorm van het neoliberalisme.’

De kooi van Weber is daarmee een stuk behaaglijker geworden. Je mag nu op kosten van je baas tafeltennissen, je kan latte macchiato drinken in het bedrijfsrestaurant en je krijgt een cursus mindfulness. Maar het doel van die cursus, weet de werkgever, is ‘ziekteverzuim terugdringen’. Uiteindelijk blijft de winst leidend voor het bedrijf. ‘Je kunt je met Boltanski en Chiapello afvragen of dit niet net zo goed uitbuiting is’, zegt Lijster. ‘Maar dan zelfuitbuiting. We werken ons nog steeds te pletter, we raken allemaal burned out, alleen nu willen we het zelf. Althans, de hoger opgeleiden. De lager opgeleiden, in de sweatshops waar onze gadgets worden gemaakt, zitten nog steeds in de oude kooi.’

En dan hebben we het nog niet eens over het nieuwe leger zzp’ers dat naar believen ingezet en gedumpt kan worden, via platforms als Uber of Helpling. De dagloners uit de negentiende eeuw zijn weer terug.

De overheid staat minder centraal dan in de tijd van Max Weber, toen de industrie nog heel plaatsgebonden was. Nu is de wereldmarkt leidend, zegt Lijster. ‘Maar dat betekent echt niet dat er minder bureaucratie is. Bureaucratie dringt nu alle domeinen binnen in de vorm van marktwerking. Zelfs op school en in de zorg moet alles voldoen aan de eisen van de markt. Het neoliberalisme heeft dat nodig, het moet markten blijven creëren en uitbreiden. Iedereen moet in alles laten zien dat hij efficiënt bezig is. Iedere cent moet worden gerechtvaardigd door middel van een paper trail. Daarin zie ik nog steeds de oude geest van het kapitalisme van Weber terug. Ook bij individuen, die “21st-century skills” moeten ontwikkelen om met anderen te kunnen concurreren op de arbeidsmarkt. We denken zelfs over persoonlijke relaties in termen van investeringen. Ons hele bestaan staat in dienst van efficiëntie en productie. Ik zie die “geest” waar Weber het over had echt als ideologie, als vals bewustzijn. Al zou hij dat zelf niet zo zeggen, dat is meer een term van Marx.’

Karl Marx dacht dat dit echt tot een eindstrijd zou leiden, maar volgens Lijster is het kapitalisme geen eenheid. ‘Het verandert. Er zijn altijd domeinen waar doelrationaliteit niet telt. Bovendien werkt het dialectisch. Rationalisering kan bevrijden en tegelijkertijd een dwangbuis worden. Het zijn twee bewegingen die steeds allebei herkenbaar zijn.’

Hertovering van de wereld was niet mogelijk, dacht Weber. Waar hij nog wel op hoopte, was op leiderschap. Een sterke, charismatische leider, die inspirerend tegenwicht kon bieden aan de sterke bureaucratie en de inhoudsloze politici die hij om zich heen zag. In de naoorlogse debatten over de Weimar-grondwet pleitte hij voor een sterke president, naar Amerikaans voorbeeld. Hij zou de ramp die daardoor mogelijk werd niet meer meemaken. Hij overleed in 1920, aan de gevolgen van de Spaanse griep.

Wat hij in elk geval aanvoelde was dat een rationele, efficiënte, optimaal georganiseerde wereld niemand bezielt. Dat een eeuw later in een van de modernste landen ter wereld de meerderheid zou kiezen voor Donald Trump, die maling heeft aan regels en rationaliteit, zou hem niet hebben verrast. Hoe verleidelijk de romantische lokroep van de vrijheid is, ongeacht uit wiens keel die komt, begrijp je pas als je de beknelling voelt van de ijzeren kooi.