In de lijn van Plath en Woolf

Het boek der tranen noemt zichzelf een essayboek, maar het laat zich het best lezen als een gedicht. Heather Christle onderzoekt wat het betekent om te huilen, verontrustend en troostrijk tegelijk.

Huilen biedt houvast maar kan je ook juist verder mee de mist in trekken © Khalik Allah / Magnum / HH

Er is een subtiel verschil tussen de Engelse en de Nederlandse titel: wat in vertaling Het boek der tranen is gaan heten was oorspronkelijk The Crying Book. Het Engels is preciezer, want het essayboek van Heather Christle gaat niet over tranen, maar over huilen.

Christle, van huis uit dichter, onderzocht wat het eigenlijk is, huilen – of misschien is ‘zoeken’ hier een geschikter woord. Haar huilboek is tastend en bedachtzaam, afwisselend persoonlijk en beschouwend. Anekdoten rijgt ze aan observaties, herinneringen rijgt ze aan feiten, en wetenschappers leggen evenveel gewicht in de schaal als dichters. In korte teksten, zelden langer dan een pagina, bespiegelt Christle bijvoorbeeld op traangas, traankruikjes, huilbaby’s, Ghanese beroepsrouwers, de kwestie welke kamer het meest geschikt (want het meest treurig) is om in te huilen (de keuken), wittevrouwentranen, het videowerk I’m Too Sad to Tell You van Bas Jan Ader en negatieve Amazon-recensies van een huilende pop. En die gedachten brengen haar weer op andere gedachten; over de dichtersscene waar ze deel van uitmaakt, over kinderen die rouwen om poppen, over de geboorte van haar dochter en de dood van een vriend en over de ouderwetse t-uitgang in de Engelse taal, die haar bevalt: leave, left, weep, wept.

Soms komen Christle’s losse gedachten dicht bij een conclusie. Interessant zijn bijvoorbeeld haar observaties over huilen als manier om een sociale rol of verhouding te bevestigen. Zo is er het verhaal van een acteur die tranen forceert door te fantaseren dat hij op de Titanic zijn gezin in een bootje laat vertrekken terwijl hijzelf achterblijft. Niet zijn onherroepelijke verdrinkingsdood doet hem huilen, maar zijn heldendaad – zijn performance van mannelijke zelfopoffering ten overstaan van de andere passagiers. In een andere passage is het Christle zelf die zich juist tegen sociale conventies verzet door tranen van blijdschap terug te dringen wanneer ze haar moeder vertelt dat ze zwanger is.

Vaker is Christle’s zoektocht echter veel associatiever. Een gedachte over de woorden die we met huilen in verband brengen, zoals tranen die stromen, leidt naar de ruimte, waar diezelfde tranen zweven, om vervolgens via het werk van Bas Jan Ader uit te komen bij losse gedachten over vallen – en dan blijkt dat ze het al die tijd niet zozeer had over huilen als wel over zwaartekracht. Zo gaat Christle langs begrippen als water, tijd, evenwicht, symmetrie, deuren, kamers, huizen en muren. Deze begrippen zijn even helder als zwaar van betekenis: je kunt ze vatten in een emoji en eindeloos interpreteren; een kind begrijpt ze en een filosoof onderzoekt ze. Want het huilen is voor Christle ook een aanleiding om het te hebben over het spanningsveld tussen het ongrijpbare en het tastbare. Huilen is tenslotte het concrete bewijs van een soms niet te bevatten verdriet.

Zo sec mogelijk, ‘met droog en ongezwollen gezicht’ onderzoekt Christle de metaforen

Zelf huilt Christle haar hele boek door. Op pagina 79 stelt haar therapeut een diagnose: cyclothymie, een stoornis die wordt getekend door stemmingswisselingen. (‘Bipolair light’ volgens Google.) Haar verdrietige periodes omschrijft Christle als mist, al is ‘omschrijven’ niet helemaal het juiste woord. Mist is simpelweg een van de zaken die aan bod komen tijdens haar onderzoek. Mist is de reden dat een duikboot in 1880 in tweeën werd gereten door een ander schip, mist staat symbool voor de onzekere omstandigheden tijdens militaire operaties (‘the fog of war’). Mist is de verwarring die je tijdens je zwangerschap overvalt en mist is het verdriet dat ‘alles groot, grotesk maakt’. Huilen biedt houvast (‘Ik huil omdat ik bang ben mezelf in de mist te verliezen’) maar kan je ook juist verder mee de mist in trekken. Schrijven biedt dan meer greep, en geeft Christle de mogelijkheid om van een afstandje naar haar verdriet te kijken. ‘Ik wil niet huilen’, schrijft ze. ‘Ik wil dichter zijn. Ik wil de woorden bekijken met een droog en ongezwollen gezicht.’ En ergens anders: ‘Wanneer de mist optrekt kan ik omhoogwijzen en zeggen: Kijk, het is een wolk.’

In zinnen als deze analyseert Christle niet alleen haar eigen verdriet maar onthult ze ook haar poëtica van het dichterschap. Voor Christle is een dichter een aanwijzer. Hij neemt de lezer niet bij de hand, hij wijst. Hij toont de mist zonder er zelf in verdwaald te raken. Het wijzen als metafoor voor een nuchtere blik komt ook terug in een aangehaalde brief van Federico García Lorca: ‘Ik zou op de werkelijkheid willen wijzen, haar onthullen, een gedicht maken dat geen andere klank bevat dan het wijzen van een vinger.’ Zo bezien is het misschien niet Christle die zoekt, maar laat ze vooral de lezer zoeken. Zij wijst, terwijl de lezer associeert en betekenis toekent. Ze laat ruimte voor zijn interpretatie. Het boek der tranen noemt zichzelf een essayboek, maar het laat zich het best lezen als een gedicht.

Als je Christle’s boek zo beschouwt, als een gedicht, begrijp je ook waarom ze die symbolische begrippen – het water, de kamers, de zwaartekracht – steeds laat terugkeren. Het is een manier om haar verhaal te slijpen, om wat groot en ingewikkeld is terug te brengen tot iets compacts en concreets. Ook de dichter ontdoet zijn taal van al het overtollige zonder daarbij in simplisme te vervallen, en ook hij doet dat door gebruik te maken van beelden en woorden die zwanger zijn van betekenis: metaforen. De metafoor is op zijn beurt ook weer een van de begrippen die Christle onderzoekt. Zo beschouwt ze bijvoorbeeld de betekenis van de brug, of althans de betekenis van een sprong van de brug. ‘Een brug is diepzinnig, staat stijf van de verbindingen. Misschien wel zo stijf dat hij meer metafoor dan bouwwerk is. John Berryman sprong van een metafoor en kwam om het leven.’ Ook de metafoor wordt op die manier zo sec mogelijk, ‘met droog en ongezwollen gezicht’, onderzocht. Tegen het einde duikt het fenomeen fantoompijn op, dat volgens Christle tekortschiet als metafoor: te makkelijk, te uitgekauwd. Ze vertelt over mensen die daadwerkelijk aan deze aandoening lijden en bezwaar maken tegen de fantoompijnmetafoor. Zo doet Christle iets heel ingenieus: door de focus te verleggen van de inbeelding naar de pijn, van de metafoor naar de patiënt, wijst ze de metafoor niet zozeer af, maar blaast ze hem nieuw leven in. Ze zet de verhouding tussen echt en niet echt opnieuw onder spanning, terwijl ze intussen de metafoor zélf ter discussie stelt.

Van alle metaforen die in Het boek der tranen voorkomen, is de lijn de meest betekenisvolle. Het is als het ware de metafoor die alle metaforen samenbrengt. De begrippen die Christle onderzoekt, resoneren doordat ze op één lijn worden gezet, als een versregel. Want ook losse woorden prikkelen pas wanneer ze met elkaar worden gecombineerd. Maar de lijn keert ook op andere manieren terug, het is simpelweg de manier waarop Christle de wereld beschouwt. Ze kijkt naar verhoudingen, naar evenwicht, naar volgorde. Ze kijkt naar lijnen die elkaar ontmoeten of die juist uit elkaar lopen. Mooi is haar observatie van Sylvia Plath, wier verschillende identiteiten op zeker moment ‘op één lijn kwamen te liggen, als bij een zonsverduistering’. De parallel heeft sowieso Christle’s voorkeur. Zo schrijft ze ook over ‘evenwijdig huilen’: ‘het soort huilen dat met kunst gepaard gaat maar er niet per se door wordt veroorzaakt. Het is niet de plot die de tranen trekt; er is iets anders gaande. Dit spreekt me aan, omdat ik evenwijdige lijnen altijd boven loodlijnen heb verkozen. Loodlijnen zijn tsjechoviaans; de eerdergenoemde revolver gaat af. Evenwijdige lijnen zijn hitchcockiaans; de aanwezigheid van de bom volstaat.’ Het is een metafoor voor een metafoor: de loodlijn is recht-toe-recht-aan, maar de parallel laat ruimte om te associëren.

De belangrijkste lijn die Christle opvoert, is de bloedlijn. Verspreid door het boek huilt ze niet alleen zelf, maar huilt ook haar moeder, en de moeder van haar moeder. Terwijl er in haar familiegeschiedenis een patroon van wanhoop, suïcidaliteit en elektroshocktherapie begint te ontvouwen, en terwijl je leest hoe Christle zwanger wordt, bevalt en haar dochter ziet opgroeien, begrijp je steeds beter wat die bloedlijn voor haar betekent: haar kind staat in een lijn van instabiele vrouwen. Het verklaart ook waarom Christle zich tegen haar eigen tranen verzet. Soms toont ze zich barmhartig tegenover haar verdriet, maar meestal is ze streng voor zichzelf. Ze vertelt over de keer dat haar moeder en zus zich overgaven aan een huilbui, terwijl ze zichzelf inhield. Ze zag hun gezin als een driehoek en als zij óók zou huilen, zou het evenwicht zoek zijn. Tegenover haar empathie voor huilende vrouwen staan haar eigen pogingen om het huilen te stoppen, haar drang tot controle, wat ook weer extra betekenis geeft aan haar verlangen om alles sec te beschouwen, om slechts aan te wijzen.

Toch geeft het huilen Christle ook iets. Het maakt haar minder eenzaam – en dat is een andere manier waarop de lijn een rol speelt. Haar stemmingswisselingen verbinden haar niet alleen met haar voorouders maar ook met andere vrouwen die zichzelf zochten in die ‘mist der wanhoop’; zelfdestructieve schrijvers als Plath en Virginia Woolf, of de zogenaamd hysterische vrouwen uit de casussen van minachtende mannelijke wetenschappers. De lijn die Christle tussen die vrouwen en zichzelf trekt, is verontrustend en troostrijk tegelijk – net als het huilen zelf.