In de naam van de vader, de zoon en de kleinzoon

China is traditioneel een land van mannen. Vrouwen zijn driemaal slavin: van hun vader, van hun echtgenoot en ten slotte van hun zoon. De voorouders kijken na hun verscheiden mee of alles goed gaat. En sinds 1979 is er de éénkind-, of beter de éénzoonpolitiek.

‘HET GEZIN IS de hoeksteen van de samenleving’, zei ooit Piet Steenkamp, voormalig voorzitter van het CDA. In China bestaat die uitdrukking niet; de centrale rol van deze sociale eenheid is te vanzelfsprekend. Zeker in het premoderne China. Het gezin was niet de hoeksteen van de samenleving, het was de samenleving. Of beter gezegd de familie was dat. Het Chinese woord jia omvatte immers niet alleen de ouders en hun kinderen. Alle mensen die afstamden van dezelfde overgrootvader beschouwden zichzelf als lid van dezelfde familie.
Idealiter woonden alle mannelijke afstammelingen, hun vrouwen en kinderen onder hetzelfde dak, maar dat was alleen weggelegd voor de zeer welgestelden. Onder de kap van het boerenhuis woonden de patriarch met zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen en veestapel. Het karakter voor jia bestaat uit twee elementen: een dakje met daaronder een varken – overtuigend bewijs dat China sinds de vroegste tijden een land van boeren is geweest.
En een land van mannen. Vrouwen verzorgden de moerbeibomen en weefden kleren, maar het belang van deze bijdrage werd niet hoog gewaardeerd. ‘Beter een mismaakte zoon dan een mooie dochter’, zo luidt een oud spreekwoord. De vrouw ging tijdens haar leven door drie fasen van slavernij heen. Als meisje was ze ondergeschikt aan haar vader, in het huwelijk aan haar man en als oude vrouw was ze gehoorzaamheid verschuldigd aan haar zoon. Welgestelde mannen namen dikwijls een of meer concubines in huis. De kinderen van de eerste vrouw erfden de bezittingen, maar een concubine met de nodige fysieke en mentale kwaliteiten kon haar eigen kinderen met succes naar voren schuiven.
Aan het keizerlijk hof zorgde deze praktijk continu voor gekonkel en doodslag. Beroemd is het geval van Wu Zhao, een zevende-eeuwse concubine die de keizer een zoon baarde om vervolgens de wettige keizerin te laten afzetten en vermoorden. Nadat haar man was overleden, besteeg Wu zelf de troon en stond die tot aan haar dood, toen ze al in de tachtig was, niet meer af. Een ongehoorde inbreuk op de patriarchale traditie van het confucianisme. Om die reden is Wu in de officiële annalen beticht van usurpatie, doodslag, seksuele excessen en andere wandaden.

De familierelaties waren (en zijn) in China veel subtieler benoemd dan in het Westen. Zo heet bijvoorbeeld een oudere zus jiejie en een jongere meimei, de oudere broer gege en de jongere didi. De familie was een heilig verband waarvan men nooit meer los raakte. ‘This form of social immortalitiy has something of the character of religion’, schreef de cultuurhistoricus Lin Yutang in de jaren dertig van de twintigste eeuw. Onderwerp van verering waren de voorouders, geesten die vanaf gene zijde het leven van hun nageslacht konden beïnvloeden.
Vanaf de vroegste tijden werden zij daarom via rituelen geëerd. In het drieduizend jaar oude Boek der liederen wordt beschreven waar het bij deze plechtigheden om te doen was: ‘De geesten hebben goed gegeten en gedronken. Zij zullen ervoor zorgen dat de vorst lang leeft. Door de zonen van zijn zonen en kleinzonen van zijn kleinzonen zal zijn lijn nooit doorbroken worden.’
Wat begon als een hofcultuur verspreidde zich al snel over het hele land. Iedere familie had zijn eigen altaar, waarop de jiapu stonden – langwerpige houten blokken met daarop de namen van de voorvaderen. De voorouderverering is de oudste religie van China en misschien wel de enige inheemse. Shangdi, een oud-Chinees woord dat met ‘god’ wordt vertaald, betekent letterlijk de ‘opperste voorvader’.
Wat de families bij elkaar hield, was de deugd van xiao – liefde voor en absolute gehoorzaamheid aan de ouder. Ieder Chinees kindje werd vroeger op school gedrild in de Xiaojing, het heilige boek van de ouderliefde. Daarin wordt de verhouding van de zoon tot de vader, van de jongere broer tot zijn oudere en van de onderdaan tot de vorst op één lijn gesteld: allen hebben de plicht om de hoger geplaatste te gehoorzamen.
Het Chinese karakter voor onderwijs en religie, jiao, heeft als stam het karakter voor xiao, maar met toevoeging van een element dat ‘zorgen voor, maken dat’ betekent. Het doel van religie en onderwijs was met andere woorden het bijbrengen van gehoorzaamheid aan god en de leraar. De god op aarde wel te verstaan, want de keizers hebben zichzelf altijd beschouwd als paus en keizer in één persoon. Wat toekwam aan god kwam evengoed toe aan Caesar. De naleving van xiao was belangrijker dan het volgen van een persoonlijk geweten of de vrijheid van denken – geloofsartikelen die in het Westen bepalend zijn geweest voor de ontwikkeling van de wetenschap, de ontdekking van de wereld, de democratie en de rechten van de mens. Deze fundamentele kloof tussen het westerse en het Chinese denken is rechtstreeks terug te voeren op de rol van de familie in de Chinese samenleving.

De macht van de superieur was niet onvoorwaardelijk. Hij moest zich naar de lager geplaatste deugdzaam gedragen. Centraal daarin stonden ren (medemenselijkheid), li (de juiste riten) en yi (rechtschapenheid). Als de keizer – de vader van het land – zich daar niet aan hield, had het volk het recht om hem door middel van een ‘rechtvaardige opstand’ van de troon te stoten. In de praktijk is dat vele malen gebeurd – de geschiedenis van het land is een komen en gaan van dynastieën.
Mao – de grote iconoclast – probeerde het fundament van de Chinese cultuur omver te werpen. Als ‘drager van de helft van de hemel’ werd de vrouw gelijkgesteld aan de man. Op het platteland werden boerengezinnen gedwongen op te gaan in volkscommunes en iedereen moest elkaar aanspreken met ‘kameraad’. Tijdens de Culturele Revolutie kwam het zelfs voor dat het ene familielid het andere aangaf als ‘contrarevolutionair element’ – zo groot was de angst voor de terreur van de Rode Gardisten. De trauma’s die deze verloochening van het eigen bloed met zich meebrachten, zijn nog steeds niet verwerkt.
In het huidige China is alles terug bij het oude. De communes zijn opgeheven, de rijke mannen nemen weer concubines en het woord ‘kameraad’ wordt alleen nog maar bij wijze van grap gebruikt. Toen in mei dit jaar de verwoestende aardbeving in de provincie Sichuan toesloeg, vloog premier Wen Jiabao onmiddellijk naar het rampgebied om leiding te geven aan de reddingsactiviteiten. Vertederd loofden kranten en tv de liefde voor het volk van ‘grootvadertje Wen’.
De premier is een oprecht man, maar hij weet ook dat het volk natuurrampen interpreteert als hemelse uitingen van onvrede met de heersende dynastie. Onvrede over de corruptie van de Communistische Partij, de rechteloosheid van de boeren, de abominabele staat van het milieu. Redenen te over om tegen de huidige leiders van de Chinese familie een rechtvaardige opstand te beginnen.