Amerika in Somalië

In de naam van het recht

In een ver land bommen gooien om niet-veroordeelde verdachten plus wie zich in hun buurt bevindt te doden, geeft dat niet een probleempje met het internationaal recht? Die vraag is oorverdovend afwezig na de Amerikaanse aanvallen in Somalië.

AMSTERDAM – Het is zó twintigste eeuw dat niemand erbij lijkt stil te staan. Maar laten we de Amerikaanse militaire interventie in Somalië van vorige week eens situeren in het Rijndal oostelijk van Nijmegen. Fundamentalistische strijders, die door het Belgische leger worden opgejaagd, trachten er Duitsland in te glippen als opeens Amerikaanse vliegtuigen bommen afwerpen. Volgens een lokaal parlementslid komen er 27 burgers om en de drie verdachten die het doelwit waren ontspringen de dans ook nog. Maar een staartje heeft het niet, want Balkenende – die nergens van op de hoogte was – laat vanuit Den Haag weten dat de Verenigde Staten nu eenmaal ‘het recht hebben’ om te jagen op wie op hun _most wanted-_lijsten prijkt. En dus is het allemaal perfect legaal. Of hebben we hier toch een probleem met dat pre-_war on terror-_concept, het internationaal recht? Ja, is het kortste antwoord. Willem van Genugten, hoogleraar internationaal recht aan de Universiteit van Tilburg: ‘De VS zetten de lijn door die ze met de inval in Irak en de opsluiting van verdachten op Guantánamo hebben getrokken. Ze beroepen zich op hun recht op zelfverdediging en de internationale opsporing van terreurverdachten. Maar de Amerikaanse interpretatie van die rechten bij hun aanval in Somalië is categorisch fout.’ Het gaat al meteen mis bij het inzetten van de oorlogsvliegtuigen boven Somalië. Dat mag als er een Somalisch verzoek tot militaire bijstand is geweest. Op de vraag van Amerikaanse journalisten of er zo’n verzoek is geweest, weigerde het Pentagon ‘commentaar te geven’. Oftewel: nee. Ook de Somalische interim-president ging niet op die vraag in.

Dan volgt het aanvallen van de voertuigen met vluchtende strijders. Van Genugten: ‘De VS beroepen zich bij deze aanval – net als bij eerdere acties tegen terroristen in het buitenland – op hun recht op zelfverdediging tegen al-Qaeda. In het internationaal recht zijn er twee vormen van zelfverdediging: preventief en pre-emptief. De laatste betreft een reactie op een aanval die nog niet heeft plaatsgevonden maar waarvan op basis van degelijk inlichtingenwerk vaststaat dat deze snel zal plaatsvinden. Zeker sinds de aanslagen van 11 september 2001 wordt dat in het internationaal recht geaccepteerd. Maar een preventieve aanval – het aanvallen van een vijand omdat je dreiging van hem verwacht in de toekomst – mag zeker niet.’ Ook niet als Somalische strijders onderdak boden aan al-Qaeda, hoeveel risico een fundamentalistische regering in Mogadishu ook geeft.

De Verenigde Staten beriepen zich bij hun aanval ook op de rechtmatige vervolging van verdachten, want onder de vluchtende strijders zouden de aanstichters zijn geweest van de aanslagen op Amerikaanse ambassades in Tanzania en Kenia in 1998. Dit punt stuit Van Genugten het meest tegen de borst: ‘In elk rechtssysteem moet je verdachten eerst arresteren en berechten voor je een vonnis voltrekt. Het is absurd om in de naam van het recht mensen te bombarderen zonder vorm van proces. En dan ook nog een hele groep waar je verdachte zich onder zou bevinden. De VS hebben dat ook in Guantánamo gedaan: ze vervolgen een groep om collectieve schuld die alle groepsleden zouden hebben voor de daden die enkele groepsleden, bondgenoten of mensen die hun bescherming genoten, hebben gepleegd. Maar je moet bestraffing altijd individueel maken, niet collectief.’

De Amerikaanse aanval, gevolgd door de officiële goedkeuring van de Somalische interim-president, klinkt voor Van Genugten als ‘handjeklap’: ‘Er gaat wel heel veel misbruik van rechten door elkaar lopen. Ten eerste: misbruik van soevereiniteit van Somalische kant, door het sanctioneren van buitenlandse aanvallen tegen binnenlandse vijanden, terwijl de tol onder de eigen burgers nog onbekend is. Twee: misbruik van het recht op zelfverdediging door de VS door een preventieve aanval uit te voeren. Ten derde: misbruik van internationale opsporing van verdachten door hun vermoedelijke verblijfplaats plat te gooien. Dat komt neer op eigenrichting.’

Vreemd genoeg vielen dit soort geluiden, of zelfs maar twijfels in deze richting, niet te lezen in westerse kranten. Het onderwerp werd niet aangesneden door het Witte Huis, uiteraard, maar ook niet door Europese landen of EU-buitenlandgezant Javier Solana. Zelfs niet vanuit de Verenigde Naties, waar de nieuwe secretaris-generaal Ban zich – hoe verrassend – ‘bezorgd’ toonde.

In de westerse pers werd eigenlijk alleen gesproken over het nut van de aanvallen. ‘Het laakbare van zulke acties is niet zozeer de ingreep zelf, als wel het feit dat deze niet wordt gedragen door een kansrijke strategie’, vond bijvoorbeeld NRC Handelsblad. De Britse premier Tony Blair draaide hetzelfde argument juist om – zij hebben een strategie, dus we zitten goed als we die tegengaan: ‘Als we de wereld rondkijken, zien we in verschillende delen mondiaal terrorisme. Het is een duidelijke ideologie, een duidelijke strategie. Ik denk dat wanneer het de lokale besluitvorming tracht te verdraaien het juist is dat we op moeten staan.’

Wat strategie betreft is het dan wel zo nuttig om de indruk te wekken dat je het recht aan je kant hebt. Die indruk is in de Arabische wereld in elk geval niet gewekt, getuige de vele boze stukken, van ingezonden brieven tot commentaren, die klagen over de ‘dubbele standaard’ die het Westen hanteert als het om internationaal recht gaat. Het wordt de klagers niet erg moeilijk gemaakt. .