In de ogen van het edelmoedige paard

Het boek waarmee hij de mensheid op haar naaktst liet zien, en de draak stak met het zogenaamd superieure menselijke verstand, ging in uitgedunde vorm de eeuwigheid in als kinderboek. Van Gulliver’s Travels (1726) van Jonathan Swift zijn de eerste twee delen, de reis naar Liliput en die naar het reuzenrijk Brobdingnag, eindeloos verfilmd en naverteld. Het venijn van Swifts satire zat echter in de staart, in het derde boek en vooral in het vierde. In het vierde deel onderneemt de scheepsarts Gulliver een reis naar het land van de Houyhnhnms, die eruitzien als paarden, maar bovenmenselijk slim en goed zijn. Zij houden er slaven op na, Yahoos genaamd, walgelijke naakte wezens zonder enig verstand die verdacht veel op mensen lijken. De ironie van Swifts verhaal is dat Gulliver graag bij de Houyhnhnms wil horen, en ook dénkt dat hij bij hen hoort, terwijl hij in de ogen van het edelmoedige paard een beest is. Heel langzaam dringt het tot hem door: ‘Als ik dacht aan mijn gezin, mijn vrienden, mijn landgenoten of het mensengeslacht in het algemeen, zag ik hen zoals ze werkelijk waren: Yahoos naar uiterlijk en innerlijk.’

Swift was een satiricus, afkomstig uit Ierland, die uit persoonlijk ressentiment en maatschappelijke woede in Gullivers reizen Engelse praktijken op de hak nam. Het verslag van de reis naar het land van de Houyhnhnms is een wonder van dubbele ironie, omdat Swift met zijn paardenrijk een zogenaamd Utopia schetst waartegenover Gulliver zich gedwongen ziet de loftrompet over zijn eigen wereld te steken, met zeer dubbelzinnig resultaat. Het is nog steeds een indrukwekkend staaltje van misogynie, dit slotdeel van Gulliver’s Travels, in onuitwisbare indruk misschien slechts geëvenaard door Joan Derk van der Capellen tot den Pols manifest Aan het volk van Nederland (1781). Beider blik op de menselijke soort heeft mij nooit meer helemaal verlaten.