In de paradox

Ik ben nooit eenzaam geweest, maar ik heb me wel altijd eenzaam gevoeld. Eenzaamheid als een pak dat je dagelijks draagt.

Mijn werkkleding ook: alles wat ik schrijf, schrijf ik aan mezelf. Als vermanende brieven van een vader aan een zoon die niet luistert en aan zijn vader niet durft te zeggen dat hij ‘het’ niet kan.

Het – dat is eigenlijk ‘het leven’.

Eenzaamheid beschermt je dan tegen pijn en angst. Pijn die je altijd voelt wanneer je in de toekomst kijkt (daar zit nooit iets van geluk bij) en angst voor de dood die je steeds duidelijker merkt en die bedreigender wordt naarmate je vaker het idee hebt dat je nog niets van waarde hebt gerealiseerd dat je leven rechtvaardigt.

Freud schijnt er in alles behoorlijk naast te hebben gezeten, maar toch moet ik vaak aan hem denken. Mijn vader liet zich een keer ontvallen: ‘In feite was mijn leven afgelopen nadat ik alles had gedaan om levend uit de oorlog te komen en we Indië kwijt waren.’ Ik begreep dat, maar dacht toch: en ik dan, pap! Ik bedoelde: ik ben van na de oorlog, was ik het niet waard om voor te leven? Ach, we moeten daar niet te dramatisch over doen. Het was voor die man erger dan voor mij: tevergeefs indologie gestudeerd, tevergeefs in Indië geprobeerd iets tot stand te brengen, tevergeefs in de oorlog gevochten, tevergeefs – naar eigen zeggen – in leven gebleven; de balans was zelfs door een paar naoorlogse kinderen niet meer in evenwicht te krijgen. Wat onze ouders ons te bieden hadden, waren schutkleuren waarmee we onopvallend door het leven konden kruipen, want wie opvalt, maakt zich kwetsbaar.

‘En toen ben je gaan stelen?’ vroeg Jan van de Lande me. Hij was de bekendste jeugdpsychiater van Nederland. Mijn ouders hadden me naar hem gestuurd omdat zij wel eens wilden weten wat er met mij aan de hand was. Ik zou zijn rapport van toen wel eens willen lezen.

Ik hield niets voor mezelf; ik wilde dromen van anderen waarmaken. Ik nam bestellingen op: een lp van de Beatles, eentje van de Stones, lippenstift, nagellak, een fles wijn – allemaal gratis door mij geleverd in ruil voor gezelschap tegen de eenzaamheid. Om jezelf in stand te houden, moet je soms regels overtreden; je moet ingaan tegen de heersende moraliteit; het dievenpad is voor velen de weg naar maatschappelijke acceptatie.

Ik hoefde niet opgenomen te worden, ik was betrekkelijk normaal, wat voor mijn ouders een opluchting was, maar wat ikzelf betreurde: ik wilde uitzonderlijk zijn, abnormaal, buiten de boot vallen – en dan gered worden.

Wie De avonden van Reve kent, zal het niet verwonderen dat niet alleen het boek maar juist de laatste regels mij diep troffen: ‘“Het is gezien”, mompelde hij, “het is niet onopgemerkt gebleven.” Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.’

Jij zag het, maar je wilde ook dat jij gezien werd.

Om jezelf in stand te houden, moet je soms regels overtreden

Het is gezien – hier was het niet alleen het gedrag van de ouders maar ook: het leven.

O, dat lidwoord ‘het’ is zo vaak voorbij gekomen en gegaan.

Het: het geluk dat even voorbij waaide zonder dat je het wist, het verlangen naar de liefde die je had en verknalde, je zag het in de stukken van Strindberg.

Het, het onzijdige lidwoord.

Onzijdig – niet mannelijk en niet vrouwelijk. Enigszins laf.

Altijd gezocht naar De Vriendschap, De Vrouw, De Kring, De Bende; ik denk wel eens dat aanpassen geschiedt om eenzaamheid te weerstaan.

Kom, mijn kleinzoon is jarig. Ik ga vandaag dus weer andere mensen ontmoeten.

Ik noem het ‘in de paradox’ stappen, want hoewel ik me eenzaam voel, word ik angstig van veel lieden om me heen.

Het liefst ben ik alleen, omgeven door veel mensen, op afstand.