In de piepzak

Andre Baillon, In de piepzak. Vertalin Frans Denissen en Hilde Rits, uitg. Nijgh & Van Ditmar/dedalus 160 blz., 329,90
In zijn ‘vooraf’ bij het boek dat de oorspronkelijk uit Antwerpen afkomstige Franse schrijver André Baillon (1875-1932) in 1926 schreef over zijn eerste verblijf, in 1923, in de Parijse psychiatrische richting La Salpêtrière, verteIt hij met hoeveeI afschuw hij pen, inktpot en papier opzij schoof toen hij werd opgenomen. De lezer moet maar denken dat het boek gedacht is, zonder verafschuwd gerei, suggereert hij als tussenoplossing, want hij kan moeilijk ontkennen dat hij vervolgens weer wel is gaan schrijven, getuige niet alleen dit boek, maar ook het boek met ‘biechten’, Een doodeenvoudig man, dat eraan voorafging en de roman Doodzonde, waarin hij daarna nog eens het Ievensverhaal van een medepatiënt verwerkte.

Het klinkt misschien wat misprijzend, maar het is waar dat Baillon literair garen gesponnen heeft bij zijn verblijf op de afdeling ‘licht gestoorden’. Baillon vergeleek deze aparte afdeling met een autobus, waar het moeilijk is na te gaan met hoeveel mensen je erin zit. Sommigen stappen in, anderen stappen uit. De schrijver mag zelf wat luchthartig over zijn verblijf doen, details wijzen erop dat hij er zeker niet voor de lol zat. Zo komt hij op een gegeven moment in een van de zes isoleerceIlen terecht, aparte huisjes die eufemistisch chalets heten, bedoeld voor 'zwaar geagiteerden’. Het verschil is dat hij niet permanent met z'n allen opgesloten zit zoals zijn buren, die de hele nacht door kunnen loeien.
Zijn retraite is, zoals hij in het begin aan zijn geliefde Claire schrijft, bedoeld om 'mij te louteren van de gedachten die mijn onbedorvenheid hebben bezoedeld’. Die gedachten hebben kennelijk vooral betrekking op de puberdochter van Claire. Die nogal ingewikkelde voorgeschiedenis doet hij in een vijftal biechten aan zijn dokter uit de doeken in Een doodeenvoudig man.
In 1932 zou Baillon een eind aan zijn leven maken, nadat hij zijn huis met bloemen had volgestrooid. Ook in de 'piepzak’ zo werd La SaIpêtrière door de patiënten genoemd - schijnt Baillon er het beste van te maken, zolang hij zich in evenwicht houdt op de kabel 'tussen de afgrond van de rede aan de rechterkant en die van de waanzin aan de linker’. Opmerkelijk is dat de rede voor hem allerminst een veilige rots is. De twee afgronden horen bij de twee Martins die met elkaar overhoop liggen: Martin I die zichzelf beoordeelt, soms zeer streng, en Martin II die zijn beoordelaar voor de gek houdt en niet anders zou kunnen.
Over zichzelf blijft Baillon summier en als hij iets vertelt - over de watten in zijn hoofd, zijn onrust en angsten, zijn paniek wanneer Claire één dag niet op bezoek komt - onthoudt hij zich nagenoeg van commentaar. In litera- tuur is hij niet geïnteresseerd, zelfs niet als de beroemde Colette hem een prijs komt overhandigen; op een lezing over zijn werk geeft hij laatdunkend commentaar. Des te meer belangstelling legt hij aan de dag voor zijn mede-inzittenden, van wie hij prachtige portretten schetst, zoals hij ook met een paar regels de sfeer in de inrichting schetst, die soms zelfs iets idyllisch heeft. 'En het koppie, meneer Martin?’ 'Mindergespannen, mevrouw. En het uwe?’ Zo gaat het er, soms, aan toe. Het dialoogje komt voor in een serie korte blikken op de vrouwenafdeling, kort maar afdoende: 'ze is een op de grond gevallen potlood ze wacht tot iemand het opraapt. ’ Maar als er opeens tumult ontstaat, verandert het potlood in een sissende slang.
Voor de meesten geldt hetzelfde als voor Baillon zelf: alles gaat goed zolang hij maar rustig bezig is, maar o wee als die eigen spelregels verstoord worden of als de beschutting van de inrichting wordt bedreigd. 'Vreemd, ’ merkt Bornet op, 'hoe vrolijk een mens is als hij treurig is. Echte kinderen zijn we?’ 'En of! Maar hoe moet dat later, in het leven, wanneer we onze oude spelletjes weer gaan spelen?’ Inderdaad, twee jaar later, nadat hij op het platteland rust leek te hebben gevonden, moest Baillon weer worden opgenomen.