In de politiek hoort geen humor

Onlangs zei Hans Maarten van de Brink, schrijver, hoofdredacteur bij VPRO: ‘Ironie is het wapen van bange mensen.’

Van Kooten en De Bie zijn de meesters van ironie. Dus bange mensen.
Dus nu weg bij de VPRO, want Hans Maarten houdt niet van bangeriken.
Ikzelf behoor ook tot het type der schijtlaarzen dat vlucht in de ironie. Sterker: ik ben zelfs voor een ironische levenshouding. Een houding die altijd afstand neemt van de dingen, waarin de humor als het ware ingebouwd is en die, per definitie, altijd kritisch staat tegenover alles en iedereen - niet in de laatste plaats tegenover de eigen persoon.
Ironie zal ongetwijfeld iets lafs hebben, maar ik ben voor de lafheid. Ironie heeft alles in zich waar ik van hou, zoals gepassioneerde naïviteit. Ik hou van mensen die, tegen alles in, doen waar ze zin in hebben, zeggen wat ze willen, ook al maken ze daar vijanden mee.
Ik hou tevens van de hypocrieto’s, zij zijn mij het dierbaarst. De hypocrieto’s koesteren de dubbele moraal, al zijn ze daar in het openbaar natuurlijk tegen. De hypocrieto’s kennen een mooi geheim van het leven: ze wantrouwen elk praatje, want ze weten hoe ze zelf zijn.
Leve de ironie.
Waar ironie, en humor, niet thuishoort, is in de politiek. Gek genoeg wordt ironie in de Tweede Kamer meteen smakeloos. Ik ben altijd geschokt wanneer er in de Tweede Kamer wordt gelachen. Als iemand iets grappigs zegt en alle kamerleden gieren het uit, dan deugt er iets niet, dan wankelt onze democratie.
Bij de Groenen en bij de SP zitten veel voormalige trotskisten. Die hebben eigenlijk helemaal geen humor, maar die gebruiken nog steeds de Lenin-humor. Lenin-humor is letterlijke ironie - het omgekeerde zeggen van wat je bedoelt - maar dan vaak in een retorische vraagstijl en met de onmiskenbare bedoeling om scherp en grappig tegelijk te zijn. ‘Ik zie ons kameraadje Kok, deze zogenaamde gewone jongen die ooit in de FNV heeft gezeten, alweer speculantje spelen op de beurs omdat dit goed is voor het volk.’ Omdat de Lenin-humorist altijd bang is dat zijn boodschap niet goed overkomt, gebruikt hij veelvuldig het woord 'zogenaamd’, want alles is 'zogenaamd’, en om dat weer te compenseren op de humorbalans gebruikt hij regelmatig verkleinwoordjes.
In de Amsterdamse gemeenteraad kom je nog wel Lenin-humor tegen en Jan Marijnissen (SP) maakt soms gebruik van Lenin-humor. Eerlijk is eerlijk, soms is hij echt grappig; ik mag daar altijd graag naar luisteren. Zijn befaamde 'effe dimme’ tegenover de kamervoorzitter kan ik niet vaak genoeg op de televisie herhaald zien, omdat de heer Weisglas van de VVD - die toevallig kamervoorzitter was - op een verschikkelijke manier voor lul werd gezet.
Toch had Marijnissen niet 'effe dimme’ mogen zeggen. Ja, het mag natuurlijk wel, maar het hoort niet. Jan maakte op dat moment de Kamer menselijk waar hij niet menselijk hoort te zijn. Zo'n kamervoorzitter is namelijk een pratend meubelstuk, meer niet.
In de Kamer past geen humor, geen ironie en ook geen gescheld. Net zomin als rechters geen humor horen te hebben als ze in toga zijn. Of agenten in uniform. (Vroeger had Het Beste de rubriek 'Humor in uniform’, die bestond alleen maar uit moppen waarom je niet kon lachen, omdat het grappen van militairen betrof.)
Politiek maakt mensen angstig.
En inderdaad, wat ons dan rest, is de ironie. Een ironische kijk maakt het aanvaardbaar dat de vliegtuigen over je kop razen, dat je op een wachtlijst staat en dat je buurman in een week zestig miljoen verdiend heeft op de beurs, omdat hij betaald werd in opties.
Anders wordt het leven te angstig.