70 jaar Holland Festival: Fin de Partie: Théâtre d’aujourd’hui

In de roos van de wanhoop geschoten

Ik keer me sterk tegen modernismen, indien ze mij het gevoel geven dat er met het leven zelf een loopje genomen wordt, wanneer men zich grapjes veroorlooft met de bedoeling de schepping te ontluisteren. Soms is het alsof men tegen de waarheid en de schoonheid staat te wateren en daarbij de lachsalvo’s verwacht (en ze meestal nog krijgt ook!) van een mensheid, die de fut verloren heeft om te sterven, de warmte om lief te hebben, de nederigheid om te dulden. Ionesco is om die redenen een van mijn bêtes noires, omdat ik eenvoudig niet geloof in de innerlijke noodzaak van zijn deels macabere, deels absurde verzinsels, waarbij de inventies aan elkaar worden gekit door een soort aanstellerij van dikwijls slechte smaak.

Small hf 3 5

Toen daarom geruchten tot me doordrongen over Samuel Becketts Fin de Partie dacht ik, ditmaal wel spijtig omdat ik En attendant Godot zo zeer had bewonderd. Et tu Brute!, daar hebben we het weer, helaas, helaas!

Hoe kon ik anders denken na de inhoud gehoord te hebben van deze lange één-acter. Een zekere Hamm zit blind en lam in een soort bunker opgesloten met zijn knecht Clov, die hij als zoon heeft aangenomen. Clov tyranniseert hem met het sadisme van een brute imbeciel, Hamm ergert Clov, ze willen van elkaar af, maar zijn aan elkaar gebonden. Niet alleen de wereld, waarin deze beide ellendigen samen zijn mist elk sprankje van schoonheid of illusie, maar zelfs de natuur heeft haar kleuren, haar gloed verloren. In een hoek staan twee grote vuilnisvaten, daarin wonen de vader en moeder van Hamm, die in hun jeugd hun benen verloren hebben bij een tandem-ongeluk. Zij zijn de verantwoordelijken voor het feit dat Hamm leeft en worden nu om die reden vervloekt.

Na het aanhoren van deze feiten lag het voor de hand te menen, dat de Ierse, Frans schrijvende auteur het prototype had geschapen van dat soort kunst, waarop zij, die het ernstig menen met de menselijke waardigheid (en misschien mag ik hieraan toevoegen goddelijke voorzienigheid, of welk woord men maar wil gebruiken ter aanduiding van het onbegrepen en ongrijpbare element van het leven) horen te spugen.

Zo ging ik dus zwaar gewapend en niet van zins me in de luren te laten leggen naar de nachtvoorstelling, welke het Theatre d’Aujourd’hui in het Amsterdamse De la Mar heeft gegeven, miste ten gevolge van de brand in Scheveningen het pantomimisch nastuk Acte sans paroles, maar… kwam er diep onder de indruk uit. Want Fin de Partie verschilt van kwalijk-moderne smakeloze flauwiteiten net zoveel als echte wanhoop van enghartig cynisme. Ik zat onderhand te bedenken of deze bittere clownerie niet de precieze symbolisering is geworden van onze angsten en, direct hierop aansluitend, sprong ik over naar een verontrustende vraag: zouden, vroeg ik me af, afgestorvenen, stel dat ze vóórtbestonden in een vorm zodat zij zich het aards bestaan nog konden herinneren, zich eerlang verbazen over dit staaltje van tot kunst geworden voorgevoel van de ondergang van onze planeet, die nadien een feit was geworden? Dit was natuurlijk maar een korte gedachtenvlucht, toen de concentratie verslapte, want zo min als de mens met zijn wezen kan geloven dat hij zal sterven, zo min gelooft hij, alle artikelen en waarschuwingen ten spijt, ooit aan de ondergang van de wereld.

Wat ik wil zeggen is dat Fin de Partie de magistrale en zeer gedurfde vormgeving is van een soort wanhoop die nu en thans maar ook vroeger een bekend gevoel is, waaraan helaas elk mens, indien hij geen botterik of een onbenul is, wel eens ooit ten prooi is geweest. Het is de orchestratie in toneeltaal van woorden als: ‘Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten’ en omdat deze kreten van het mensenhart haast niet uitgesproken kunnen worden, omdat er wegens hun intimiteit een gêne is om ze zo maar pardoes te verwoorden, grinniken we onder het uitspreken een tikje verlegen, wat bij een toneelschrijver zoveel zeggen wil als dat hij zijn waarheid als een clownsnummer vermomt.

Fin de Partie is niet anders dan een anderhalf uur durend clownsnummer, zeer nadrukkelijk door de schrijver als zodanig aangegeven met alle traditionele grapjes van dien, struikelen met trapjes, met uitvoerig uitgesponnen domheden en wijd uitgewerkte onhandigheid, maar met als ondergrond een radeloze waarheid, welke op het eind, dank zij de meesterlijke regie van Roger Blin, verpletterend, tot doodse stilte manend, naar buiten breekt.

Wat deze farce der bittere wanhoop onderscheidt van de gewassen der flauwe cultuur is de tederheid, die niet meer helemaal kan worden bereikt maar niettemin nooit wordt losgelaten. Een laatste, nog niet gedoofd kooltje warmte is aanwezig dat de wezens, die weten dat ook dit weldra een sintel geworden zal zijn, koesteren. De kwaadaardige, kindse oude man in het vuilnisvat klopt tegen de wand om zijn vrouw te troosten en bewaart een stukje van zijn laatste cracker voor haar. Hamm streelt zijn speelgoedhondje. Er breekt door kieren heen een herinnering aan herinnering van liefde door.

Na zijn En attendant Godot heeft Becketts somberheid zich nog verdiept. Zelfs de laatste hoop op verlossing heeft hij opgegeven.

Het ontwikkelingsproces van de wereld, dat de schrijver verontrust, heeft hij in zijn fantasie zo in een veel verder gevorderde staat uitgebeeld. Hier staan we voor het laatste stadium van ontmenselijking. De algehele verkilling heeft zich weldra voltrokken, men heeft de laatste tip van de genade losgelaten. Het indrukwekkende is dat de wezens, die letterlijk door God verlaten worden, zo goed de waarde kennen van hetgeen zij verliezen. Dat is het hartbrekende van het stuk. Ze zijn geen robotten maar mensen, gedompeld in het allerdiepste leed dat mogelijk is. Ze lijken slechts gedrochten, naargeestige rudimenten van wat een mens was, ze zijn het niet, ze zijn onze broeders. Zelfs in deze staat hechten ze nog aan het leven en sommen op wat hun gebleven is. Het blijkt dat Adam en Eva niet werkelijk uit het paradijs gedreven werden, er bleef nog zoveel heerlijks over, pas zij zijn de verstotenen. Bewust maken ze mee hoe hun faculteiten verschrompelen en verstenen. Niets van de bevleugeldheid van de mens is overgebleven, niets rest dan een flauwe herinnering. Gisteren, o gisteren. Toen was er nog een decibel meer van de ziel aanwezig dan vandaag, daarom wekt de gedachte aan gisteren bij de moeder in haar vernederde staat nog een glimp van extase.

We kunnen Beckett eenzijdigheid verwijten, we kunnen het oneens zijn met deze visie en gebelgd omdat volgens ons het leven nog heel wat heerlijks bezit, vooral ook omdat de prometheïsche kant van de mens, datgene waarmee hij voortstormt in de geest, meer vóór- dan achteruit is gegaan. We kunnen ons beledigd voelen omdat de aanminnige dingen, de lieflijkheid van de jeugd, de argeloosheid van het kind, de rijkdom van de natuur ons inziens dit pessimisme niet wettigen. Het is mogelijk geërgerd te zijn omdat de schrijver van het embleem, dat op ons wapen is geschilderd: geloof, hoop, liefde, het kruis en het anker heeft verwijderd (maar nog niet helemaal het hart).

Dit is een zaak van persoonlijk inzicht; het verleent ons niet het recht om de kunstwaarde van hetgeen Beckett en zijn vertolkers tot stand hebben gebracht te betwisten. Waarom mag Chaplin zijn melancholieke misverstand als middelpunt stellen en Beckett zijn wanhoop, die bovendien een groter actuele rechtvaardiging heeft, niet? Waarom aanvaarden we de begrenzing van een persoonlijk temperament in de poëzie, in de beeldende kunst wél en bij het toneel niet? Komt het misschien omdat we de sociale kant van het toneel belangrijk vinden, zodat we de wanhoopsboodschap, om pedagogische redenen, niet geëigend voor het volk achten?

Mijns inziens is de censuur op ideologische grond, die alom het hoofd opsteekt nu het gaat om de extreem negatieve boodschap van Beckett, even verwerpelijk als welke andere censuur ook. Dit is een soort Idil-houding, die onwaardig is voor kunstbeoordelaars, die gewoon zijn de kunst op haar waarheidsgehalte te schatten. Dat Beckett eerlijk is en dat uitspraken als ‘hij weent dus leeft hij’ aan zijn hart zijn ontwrongen, ik geloof niet, dat een mens dit goeder trouw zou kunnen ontkennen.

Een van de zeer interessante kanten van Fin de Partie lijkt me het feit dat Beckett de grens heeft gemarkeerd van een tijd die voor sommigen reden geeft tot het gevoel van Godverlatenheid. Het is alsof we een stuk van de omtrek ener cultuurperiode met een duidelijke lijn zien aangegeven. Dat die grens verlegd zal worden doordat iemand nog verder zal gaan dan deze schrijver lijkt me onmogelijk. Dit is het laatste woord. Hierop kan nog slechts volgen óf ondergang óf wedergeboorte, in welke zin is niet te voorspellen.

De voorstelling onder regie van Roger Blin, aan wie het werk was opgedragen en die de hoofdrol speelde, was subliem. Onvergetelijk zal voor mij blijven de apotheose, wanneer, na de uitvoerige, tot grimmige clownerie gechargeerde tekening van de omstandigheden, Hamm zijn situatie doorziet en accepteert, met Clov naast zich, letterlijk in elkaar krimpende van pijn. Daar zat de vernederde mens als een onttroonde koning, het wanhoopsmasker verstard op het gezicht, de kalot als een kroon op het hoofd, het vervuilde en vale purper van zijn kleed als een ontluisterde vorstenmantel om de leden, de bootshaak als een scepter in de hand, na de doorbraak van tederheid, die er even geheerst heeft als Clov nog eens een lied heeft trachten te zingen, als Hamm flarden van verzen door zich heeft laten stromen, als hij nog een laatste keer de speelgoedhond tegen zich aan heeft gedrukt. Dit was als een laatste schemer van verloren licht. Nu schikt hij zich, deze koning van het leed, de mens, het schepsel dat God verlaten heeft en aanvaardt grimmig en verbeten zijn lot. Het stuk onthult zich als een parabel voor mensen, die het geloof verloren hebben. Zelden heb ik iets gezien op de planken, dat zó aangrijpend was als dit.

En nu ga ik tóch neerschrijven, wat ik de laatste uren herhaaldelijk heb opgetekend en weer geschrapt omdat ik de consequenties zelf bijna niet aandurfde: Ik geloof dat Fin de Partie, op zijn eigen onbehouwen, schrille, brutale manier een soort mysteriespel is, onhebbelijk en uitdagend van vormgeving, zoals dat op het ogenblik is te verwachten, en uitzichtloos en ontzettend, zoals het leven, volgens de diagnose van sommigen dreigt te worden. Misschien zal, als de aarde het houdt, over duizend jaar als de ethiek van de Elckerlyc onbegrijpelijk is geworden (als dat ooit gebeurt?) ergens dit curiosum worden opgevoerd. En ik hoop, dat de toeschouwers van dan een diep medelijden voelen opwellen voor mensen, die dit als hun waarheid beschouwden en liever nog zou het me zijn, wanneer ze dit dieptepunt van de levensbeschouwing niet eens meer konden begrijpen. Maar de man, die zo onverbiddelijk heeft durven denken en voelen, dat hij het in de kunst heeft weten te registreren, verdient deze hoogachting.