De macht van de media

In de schaduw van het beeld

De stencilmachine was belangrijk voor de omwenteling in de jaren zestig. De West-Duitse tv speelde een grote rol in de glasnost. Vietnam, Watergate, de val van de Muur – de media waren bepalend.

Op het hoofdkwartier van de Amerikaanse, in 1960 opgerichte links-activistische organisatie Students for a Democratic Society was het veelal een drukte van jewelste. Mensen die in en uit liepen. Gerinkel van telefoons. Geklop van schrijfmachines. Stemmen. De ruimte waarin dit alles zich afspeelde, was niet minder druk, met daarin ‘een onopgemaakt bed, een paar waszakken, een koffiekan en een half opgegeten reep chocola’. Aldus journalist Jack Newfield in een van de eerste boeken over de toenmalige studentenbeweging, A Prophetic Minority uit 1966. De wanden van de ruimtes waren behangen met posters, foto’s en knipsels, schrijft hij. Daaronder een foto van Bob Dylan, een cartoon uit de Village Voice en de generatiesticker bij uitstek: die met de tekst Make Love, Not War. Toch was er te midden hiervan één afbeelding die Newfield écht opviel. Dat was een foto van een stencilmachine met daaronder, handgeschreven, de woorden ‘Our Founder’ (Onze Grondlegger).

De anekdote is veelzeggend voor een fenomeen dat sinds de jaren zestig overal in de westerse wereld waarneembaar is: dat media meer macht krijgen én, minstens zo belangrijk, dat alle betrokkenen dit ook beseffen. Getuige een jarenlange discussie in het vakblad van de (Nederlandse) branche, De Journalist, was dat ook bij ons het geval. Aanleiding tot die discussie was een ‘causerie’ van journalist en stukjesschrijver mr. Eduard Elias. Hij beweerde in april 1960 dat Nederlandse kranten ‘ronduit vervelend’ en bovendien veel te volgzaam waren, aan de leiband van persvoorlichters liepen en steeds weer de gunst van machthebbers zochten. Daarmee toonden zij ‘gebrek aan eigenwaarde voor ons beroep en onze persoon’.

Hierop kreeg Elias in eigen kring van alle kanten bijval. Hoogtepunt was een artikel in hetzelfde vakblad naar aanleiding van een klacht over opdringerige fotografen tijdens een bezoek van Juliana aan de Deltawerken in de zomer van 1964. In dat artikel werd onderscheid gemaakt tussen de ‘koningin der aarde’, zoals de klassieke metafoor voor de pers luidt, en de koningin der Nederlanden. Het is niet moeilijk te raden wie van de twee het volgens De Journalist uiteindelijk voor ’t zeggen had.

In de wereld van politiek, economie en bestuur werd tegen een dergelijke voorstelling van zaken scherp geprotesteerd. Zo beweerde de burgemeester van Den Bosch tijdens een bijeenkomst met katholieke journalisten dat ‘mensen in overheidsdienst objectiever zijn dan de pers’. Kort tevoren (1963) had zijn collega uit Amsterdam, Gijs van Hall, hetzelfde verkondigd. Niet verwonderlijk daarom dat lokale bestuurders en journalisten steeds vaker botsten. De aanleiding was telkens dezelfde: terwijl de bestuurders zaken binnenskamers wilden houden, wilden de journalisten er juist over berichten. ‘Het onhandige in dit spel’, schreef De Journalist, ‘is dat de kiezers nu gaan vermoeden, dat hun gemeentebestuur en met name ook hun wethouders iets te verheimelijken hebben.’ Zo was het natuurlijk ook.

‘Meer vrijmoedigheid gevraagd’, stond begin 1964 boven een artikeltje in De Journalist. Het was een zoveelste teken aan de wand.

Het was nog maar het begin van de ontwikkeling, want in de volgende dertig jaar, met als hoogtepunt de jaren tachtig, zou de oplage van de Nederlandse kranten zowel in absolute als in relatieve (aantal kranten per hoofd van de bevolking) zin voortdurend stijgen. Tegelijkertijd breidde het aantal uren televisie zich uit. Er kwam een tweede net (1965), er verschenen piraten op de radiomarkt, er lagen meer en meer tijdschriften in de kiosk. Ondertussen werd steeds vaker en steeds luider over de maatschappelijke betekenis van de pers gesproken – een thema dat in naoorlogs Nederland aanvankelijk alleen ter sprake kwam als het over de verzetspers ging. De betekenis van dit alles werd door historicus Henri Baudet al vroeg en scherp doorzien. Op een eind 1963 gehouden symposium beweerde hij dat de journalist de schakel vormt ‘tussen de maatschappij en allerlei instanties en groepen en krachten, die aan de andere kant de maatschappelijke beweging leiden. Hij [de journalist] constateert, interpreteert, controleert, eventueel: kritiseert.’ Baudets conclusie loog er dan ook niet om: ‘In zekere zin vormt de journalistiek een parlement.’

Iconisch in dit verband is een boek dat de Amerikaanse historicus en latere bibliothecaris van de Library of Congress Daniel Boorstin enkele jaren eerder had gepubliceerd: The Image, met als ondertitel: What Happened to the American Dream. Deze publicatie vond plaats op een veelzeggend moment, namelijk kort nadat de televisie de (Amerikaanse) huiskamer had veroverd. Boorstin was een van de eersten die zich de betekenis hiervan realiseerden. Vandaar zijn betoog: dat het in de Amerikaanse (lees: moderne) cultuur niet zozeer gaat om de vraag wat iets is maar hoe het oogt. Oogt het goed (mooi, lekker, bruikbaar enzovoort), dan is het goed (mooi enz.). In de huidige samenleving werd de werkelijkheid volgens hem in toenemende mate overschaduwd door beelden. Hierdoor werd macht ‘virtueel’. Zij was niet langer in handen van degenen die de middelen tot dwang bezaten, zij was in handen van degenen die beschikten over de middelen tot manipulatie: beelden.

De eerste keer dat dit op grote schaal zichtbaar werd, was tijdens de Vietnamoorlog. Zoals we weten liep die niet goed af, ook voor de Amerikanen niet. Maar al voordat het zo was, klonk in kringen van leger en politiek steeds weer dezelfde klacht: dat de oorlog niet ter plekke op het slagveld maar in eigen land en in de media verloren was. Vooral vooraanstaande militairen hadden de neiging de journalistiek de schuld te geven. Politici gingen er maar wat graag in mee. Zo herhaalde Nixon in zijn in 1978 gepubliceerde memoires nog dat de verslaggeving van de oorlog aan het thuisfront tot ‘ernstige demoralisatie’ had geleid. Hoewel journalisten dit laatste vanzelfsprekend niet beaamden, stemden zij wel van harte in met de hun toebedeelde rol. Klassiek in dit verband werd een opmerking van de in zijn tijd beroemde James Reston (‘Scotty’) in The New York Times op de dag dat Saigon viel (30 april 1975): dat de historici het er vermoedelijk over eens zouden worden dat de oorlog beslist was door de camera’s: ‘They brought the issue of the war to the people, before the Congress or the courts, and forced the withdrawal of American power from Vietnam.’

Een visie als deze op de macht van de media lag begin 1975 te meer voor de hand omdat de val van Nixon op dat moment nog maar een half jaar geleden was. Over de achtergrond hiervan bestond bij publiek en media nog minder twijfel – en zou sinds de verschijning in 1976 van de iconische film van Alan Pakula op basis van het boek van twee Washington Post-_journalisten zelfs volstrekte zekerheid bestaan: de media hadden het gedaan! De onderzoeksjournalistiek van Bob Woodward en Carl Bernstein, in de film _All the President’s Men gespeeld door Robert Redford en Dustin Hoffman, was volgens media­criticus Ben Bagdikian ‘the single most spectacular act of serious journalism of the [20th] century’. Tallozen zeiden het hem na.

In de jaren die volgden, zouden alle betrokkenen – vooraanstaanden uit de wereld van overheid, economie en bestuur, journalisten én publiek – keer op keer bevestigd worden in de gedachte dat de macht zich verplaatste van het doen naar het denken, van de daden naar de beelden, van de politiek naar de journalistiek. Dit gebeurde niet alleen in de Verenigde Staten maar ook elders, ja zelfs in een dictatuur als de Sovjet-Unie. Volgens sommigen (zie het eind vorig jaar in De Groene Amsterdammer gepubliceerde essay van Leon Aron) werd het regime door de samizdat volledig uitgehold. Een prachtige en langzamerhand klassieke illustratie van zo’n uitholling is te vinden in het verhaal van de val van de Muur. Want al kwam die voor ons gevoel vrij plotseling, bij West-Duitsers bestond sinds lang de overtuiging dat het ding eigenlijk al lang verdwenen was, niet letterlijk natuurlijk maar virtueel. Immers elke avond als ard, zdf en andere West-Duitse televisiekanalen hun uitzending begonnen, verlieten de Ooster­buren massaal het eigen land. ‘Abends kommt der Klassenfeind’, zoals Der Spiegel in 1977 in een vijfdelige serie artikelen betoogde.

Een fraaie samenvatting van dit beeld werd kort na de val van de Muur door Dieter Buhl gegeven, sterjournalist bij het weekblad Die Zeit en in 1990 een tijdlang fellow bij een Amerikaans onderzoekscentrum. Daar schreef hij onder de titel Window to the West een paper met als boodschap dat de Oost-Duitsers weliswaar met succes een stenen muur hadden gebouwd maar er niet in geslaagd waren een elektronische muur op te trekken. Plekken waar geen West-Duitse tv ontvangen kon worden, waren om die reden volgens Buhl als woonplaats niet erg in trek. Beroemd in dit verband werd het zogenoemde Tal der Ahnungslosen, het enige deel in Oost-Duitsland waar men geen West-Duitse televisie kon ontvangen, Noord-Oost Mecklenburg. De bewoners zouden er dom gebleven zijn, onnozel. Hoewel een parabolische antenne maar liefst 25.000 Ostmarken kostte, meer dan een jaarsalaris, zorgde de overgrote meerderheid van de Oost-Duitsers ervoor dat ze over zo’n ding beschikten. Want Oost-Duitse tv was saai, West-Duitse spannend. De ene ongeloofwaardig, de andere betrouwbaar. De eerste een-, de tweede veelzijdig. Enzovoort. Weliswaar kregen de Oost-Duitse autoriteiten behoorlijk hoofdpijn van al die westerse invloed, aldus nog steeds Buhl, ze konden er niets tegen doen. ‘Als spreekbuis van dissidenten en ontsnappingsroute voor de massa werd de druk door de West-Duitse televisie en in mindere mate radio op de Oost-Duitse machthebbers stukje bij beetje opgevoerd. Aldus drong de elektronische naald keer op keer door in het schijnbaar veilige harnas van het regime.’ De gevolgen waren ernaar: Oost-Duitsers ervoeren de glasnost heel wat eerder dan anderen achter het IJzeren Gordijn.

Artikelen en boeken waarin aldus over de macht van de media gesproken wordt, zijn er in overvloed – over zo goed als alle landen in de afgelopen vier, vijf decennia. En toch zijn ze vermoedelijk deels, zo niet grotendeels onjuist. Aldus beweren onder meer de historici die geruime tijd na de val van de Muur de Oost-Duitse receptie van de westerse media onderzochten, Michael Meyen van de Universiteit van München voorop. Het klopt, zo stellen zij, dat de Oost-Duitse televisie in de jaren zestig en in een groot deel van de jaren zeventig in eigen land weinig belangstelling genoot. Maar ontvangst van West-Duitse televisie was in diezelfde jaren niet eenvoudig. Er was wel signaal maar dat was ronduit belabberd als het stormde of regende: veel sneeuw dus en weinig beeld. Dat was niet erg stimulerend voor het kijkgedrag. Bovendien waren er nogal wat Oost-Duitsers, hoeveel is moeilijk te zeggen, die inderdaad overtuigd waren van de slechtheid van het westerse (wereld)beeld. Dat wilden ze helemaal niet zien. En tot slot, belangrijkste van al: de ddr-­­regering bleef niet machteloos toekijken en gaf Oost-Duitse televisiemakers al begin jaren zeventig de opdracht andere, ‘vermakelijke’ programma’s te produceren.

Dat lukte en had tot gevolg dat in 1976 ongeveer 37 procent van de Oost-Duitsers naar de eigen zenders keek – en aangezien de kijkdichtheid gewoonlijk bij vijftig tot zestig procent (van alle televisiebezitters) ligt, keek een meerderheid dus naar de eigen beelden. Het was een neiging die zichzelf versterkte, want wie de ‘eigen beelden’ niet gezien had, kon de volgende dag niet meepraten. Vermoedelijk is het daarom eerder zo dat er bepaalde Oost-Duitse programma’s waren die ‘iedereen’ bekeek, dat hetzelfde gold voor sommige West-Duitse programma’s en dat de kijkers dus op cruciale momenten – politiek, voetbal, uitgelezen series – van zender wisselden. Dat bleef zo tot de Muur viel.

Waarom dan het beeld van een massaal overlopende Oost-Duitse bevolking, zo vraag je je af. Het antwoord hoeft niet ver gezocht te worden: het was lovend voor het Westen, ideologisch geladen dus. Dit wil niet zeggen dat het geheel onjuist is, het betekent dat het overdreven is en van het gehalte van de meeste sweeping statements: een halve waarheid die minstens zo veel zegt over degene die hem verkondigt als over degene op wie zij betrekking heeft. Nader onderzoek naar de rol van de media in de Vietnam­oorlog of de Watergate-affaire komt tot een vergelijkbare conclusie.

Spraakmakend in dit verband werd de studie van Daniel Hallin uit 1986, The Uncensored War: The Media and Vietnam. De conclusie hiervan was dat het verhaal van die enorme invloed van de media op de ontwikkelingen één groot apenbrood was. De belangrijkste misvatting was dat de media zich vanaf het begin tegen de oorlog hadden gekeerd. Dat was volgens Hallin verre van het geval. De kritische reacties begonnen pas in 1968, vanaf het zogenoemde Tet-offensief en de aanval op de Amerikaanse ambassade in Saigon. Van die aanval toonde de televisie uitvoerige beelden en die overtuigden het publiek er inderdaad van dat het Vietnamese avontuur veel te gevaarlijk was. Maar tot eenzelfde conclusie kwam de Amerikaanse politiek. Vandaar dat Robert McNamara, minister van Defensie, ontslag nam en zijn opvolger, Clark Clifford, van verdere offensieven zo veel mogelijk afzag. Het is waar, aldus nog steeds Hallin, dat de beroemdste Amerikaanse televisiepresentator van dat moment, Walter Cronkite, na een bezoek aan Vietnam eveneens tot de conclusie kwam dat verder vechten geen zin had en dat Johnson beweerde dat deze opmerking hem geraakt had, maar dat wil nog niet zeggen dat Cronkite en andere journalisten het beleid maakten. Juist niet: zij volgden het beleid en beweerden wat de politiek eveneens beweerde.

Over de Watergate-affaire valt iets vergelijkbaars te vertellen – het sterkst gebeurde dat door Stanley Kutler in The Wars of Watergate uit 1990. ‘Hoe meer documenten vrijkomen, des te kleiner wordt de rol van de media’, concludeerde hij. ‘Niet hun onderzoek maar goed-getimede lekken [naar de pers] vormden het eigenlijke nieuws.’

Is dat verhaal van de mediamacht dan allemaal onzin? Speelde de stencilmachine geen rol in de omwenteling van de jaren zestig? Waren journalisten in dat revolutionaire decennium uiteindelijk net zo volgzaam als in de jaren vijftig? Is het dominante Watergate-verhaal niet meer dan een leuke film? Speelde de West-Duitse tv geen rol in de glasnost en droeg de samizdat niet bij aan de val van het communisme? De lijn naar het heden doortrekkend: is al die ophef over de media als zoveelste macht en over recente nieuwe-media-revoluties niets dan kletskoek, verkondigd door degenen die er als eersten baat bij hebben, journalisten, bloggers, Facebookers en alle anderen die zichzelf graag belang toekennen?

Natuurlijk niet. Zonder enige twijfel hebben de verhalen over de media in of bij Vietnam, Watergate, de val van de Muur of de revolutie van de jaren zestig mythologische trekjes. Zo belangrijk als ze her en der, in de Pakula-film over Watergate bijvoorbeeld, voorgesteld worden, zijn media nooit geweest en zullen ze vermoedelijk ook nooit worden. Maar dit besef rechtvaardigt niet de tegenovergestelde conclusie. Het is niet voor niets dat journalisten tegenwoordig embedded een oorlog verslaan, het is geen toeval dat politici krampachtig radiostilte proberen te bewaren, alle verhalen over de rol van cnn in de internationale politiek van de jaren negentig komen niet uit de lucht vallen, net zo min als de vele studies van dit moment over zogenoemde media-effecten. Anders gezegd: er is in de afgelopen halve eeuw wat betreft de positie en de macht van de media wel degelijk iets veranderd. Om de beroemde eerste zin van Huizinga’s In de schaduwen van morgen uit 1935 over de zinnen en waanzinnen van zijn tijd te parafraseren: we leven in een gemediatiseerde wereld en we weten het. Het kan voor niemand onverwacht komen als de beelden opeens alles overschaduwen, ons in onze alledaagse werkelijkheid in verbijstering achterlatend.