In de schaduw van vlezige dames

Als de dichter Pierre Kemp niet had plaatsgenomen in rijkelijk van dames voorziene treincoupés zou zijn naam alleen nog in vergeelde kloosterfolianten terug te vinden zijn.

Wiel Kusters, Pierre Kemp. Een leven . € 39,95

Hugo Claus was ongekend enthousiast toen hij in februari 1962 in zijn brt-radiorubriek ‘Levende poëzie’ werk van 'de Limburger Pierre Kemp’ besprak. Kemp, geboren in 1886, was anderhalve generatie ouder dan Claus, maar het is niet onwaarschijnlijk dat de jonge Vlaamse reus diens werk pas kort daarvoor had leren kennen. In kleine kring werd Kemp weliswaar al veel langer gewaardeerd om zijn fijnzinnige, soms ook kolderieke verzen, bredere erkenning ondervond hij pas nadat hem onder meer de Constantijn Huygensprijs (1956) en de P.C. Hooftprijs (1959) was toegekend. Claus vergeleek Kemp met Gezelle en e.e. cummings, hij vond dat wie in 'zijn karpersprongen zichzelf niet herkent’, het lezen van poëzie beter achterwege kon laten. Kemp was 'gek, knettergek’.
Enigszins verrassend was dat wel, die bewondering. Kemp behoort op het eerste gezicht tot een totaal ander universum dan Claus, sociaal en literair. Zeker als beginnend dichter had hij niets van de rebelse modernist die in experimentele uitdrukkingsvormen de spot dreef met het traditionele burgerlijke bestaan. Kemp was eerder een geborneerde provinciaal met een intuïtieve afkeer van de bohémien en diens epaterende artistiekerigheid. Aan Simon Vestdijk, een van de eersten die zijn buitengewone talent ten volle onderkenden, schreef hij dat hij teruggetrokken leefde en 'uit principe al sinds jaren niet meer’ komt waar hij 'kunstenaars, op welk gebied dan ook’, denkt te ontmoeten.
Zelfs een Bourgondiër kan deze geboren en getogen Maastrichtenaar moeilijk genoemd worden. Kemp ging zo onopvallend mogelijk gekleed - als 'man in het zwart’, daar zag je het steenkoolgruis niet op -, lekker eten was aan hem niet besteed en hij dronk geen druppel alcohol. Hij was een katholiek met een calvinistische inslag, pas toen hij al lang en breed volwassen was ontdekte hij in zinnelijkheid iets anders dan louter zondigheid. Van zijn vroege, stichtelijk religieuze poëzie zal Claus, de blasfemische antikatholiek, vermoedelijk geen weet hebben gehad. En als dat wel zo was: des te bewonderenswaardiger dat hij dwars door alle conventionele levensbeschouwelijkheden de authentieke stem van een dichter herkende.
Voor de radiomicrofoon las hij een klein gedicht voor dat van Kemps katholicisme geen sporen droeg, maar dat evenmin de kwalificatie 'gek, knettergek’ rechtvaardigde, een bijna mediterrane hulde aan de 'Zonsopgang’:

Er drijft een hoed van licht naar boven.
Ik reik en wil hem om mijn kop
en kan mijn onmacht nauw geloven:
de zon komt op.
Haar prachtig stro valt in ovalen
en hoopt zich langzaam op mijn haar.
Ik voel mij zo vreemd ademhalen,
terwijl ik in de volte staar
van licht, dat staat rond me uit te breiden
de hoed, die alles om mij vat,
wat ik vanaf mijn kindse tijden
heb lief gehad.

Authenticiteit staat nooit aan het begin van iemands ontwikkeling, ze is er op z'n best het resultaat van. Ook bij Kemp: hij was in de veertig toen hij tot deze eenvoud in staat was, hoewel hij daar al veel eerder van onder de indruk was. Zijn dichterlijke debuut, de bundel Het wondere lied, is van 1914, zijn 'tweede debuut’ - Stabielen en passanten, een bundel met Gezelle-achtige 'kleengedichtjes’ waarin God alleen nog in pantheïstische pluriformiteit voorkwam - van 1934. Zonder dat tweede debuut zou Kemp tot het legertje moraliserende katholieke dichters hebben behoord waarvan de namen alleen in vergeelde kloosterfolianten bewaard worden. Vanaf genoemde bundel was hij de volstrekt originele dichter die als geen ander ernstig was in zijn lichtzinnigheid en omgekeerd.
Dit alles valt op te maken uit de zojuist verschenen biografie van Kemp, de eerste, maar naar het zich laat aanzien tevens de definitieve. Wiel Kusters heeft alles uitgeplozen wat er uit te pluizen valt, het is onwaarschijnlijk dat zich nog eens iemand aandient om dit karwei over te doen. Kusters was er trouwens ook voor in de wieg gelegd, als poëziekenner én als dichter. Hij schreef talloze artikelen over Kemp, in 1991 ook al een boekje - Pierre Kemp, vroeg en laat - waarin hij de breuk en de continuïteit tussen de jonge en de rijpe dichter probeert aan te tonen. Zijn eigen poëzie, aanvankelijk sterk onder invloed van het meer hermetische modernisme - over Kouwenaar schreef hij een voorbeeldige studie - ontwikkelde zich, ongetwijfeld mede onder invloed van Kemp, in een meer traditionele, zeker ook toegankelijker richting. In de inleiding bij deze forse biografie zinspeelt hij op die verwantschap. Niet alleen woont Kusters al jaren op 'minder dan vijf minuten lopen’ van het huis in de Maastrichtse Turennestraat waar Kemp van 1929 tot zijn dood in 1967 heeft gewoond, ook constateert hij dat Kemp zijn grootvader had kunnen zijn.
Toch moet het schrijven van deze biografie voor de literaire kleinzoon een niet geringe klus zijn geweest. Over belangrijke aspecten van Kemps leven - zijn jeugd, zijn huwelijk - is bitter weinig bekend. En het wel bekende deel is van een verpletterende monotone saaiheid. De man was een heremiet, hij kwam nooit ergens. Precies één keer heeft hij Maastricht voor wat langere tijd verlaten, in 1915, toen hij op initiatief van de jezuïetenpater Jos van Well, die hem als een soort mentor de weg wees in de grote, vreemde wereld van de literatuur en de kunst, in Amsterdam driekwart jaar als leerling-journalist bij De Tijd werkte.
Maar dat verblijf veranderde de provinciale eenzaat niet in een enthousiaste kosmopoliet. In de stad was hij niet geïnteresseerd, de grachten associeerde hij met 'lucht van zondigheid’. Als kunstrecensent in spe vond hij alles zielloos en oppervlakkig. Kemps verhouding tot het modernisme was, vriendelijk gezegd, problematisch. Een jeugdige Vlaamse bewonderaar met wie hij een tijdlang correspondeerde, Adriaan de Roover, liet hij weten dat 'de kunst van Klee en Miro’ hem niet boeide, 'een vrouw moet er in de schilderkunst en beeldhouwkunst (en ook in de dichtkunst) blijven uitzien, dat je er als gezond en niet onpotentioneel (sic!) mens mee naar bed zoudt willen gaan’.
Vrouwen beschouwde Kemp als zijn specialiteit, het is niet te veel gezegd dat hij het begluren van vrouwen letterlijk tot kunst heeft verheven. Een groot deel van zijn leven kon hij zich tweemaal per dag een klein half uur in die kunst bekwamen, namelijk als hij per boemeltrein naar de mijn Laura in Eygelshoven tufte, waar hij vanaf 1916 op de loonadministratie werkte.
Voor Kemps dichterschap is dat forensenverkeer van beslissende betekenis geweest, in alle opzichten. De schoonheid van het Limburgse landschap en meer nog die van zijn vaste vrouwelijke medepassagiers moeten hem van zijn steile geloofsopvattingen hebben genezen en dus ook van zijn pathetische ideeën over het dichterschap als priesterlijke roeping. Langzamerhand moet het onmogelijk zijn geworden 'altijd edele gedachten’ te denken en zich als 'waar dichter’ als 'verlosser der mensheid’ te zien, zoals hij zich eerder had voorgehouden. De meisjes met wie hij nu steelse blikken wisselde en dubbelzinnige conversaties voerde kanaliseerden zijn zinnelijkheid niet langer in een straf idealisme maar in speelse, imaginaire vormen, ook poëtisch.
Zijn gedichten werden korter, liefst moesten ze in één treinrit op papier staan, ze werden lichter van toon en, bovenal, gekruid met humor en erotiek. Soms komt deze lichtvoetige en levenslustige poëzie in de buurt van Toon Hermans, die andere zuidelijke troubadour van het zonnige en het naïeve, soms ook van die van Drs. P, met wie Kemp het talent voor het kolderieke en absurde deelt, in zijn beste werk is hij de verwonderde evenknie van Gorter en Van Ostaijen. Gaandeweg moet het ook hemzelf duidelijk zijn geworden dat zijn kracht niet in het grote, klassieke 'lyrisch-epische gedicht’ lag, dat hem in 1922 nog voor ogen zweefde, maar in het kleine, onbeduidende terzijde, het intermezzo, het versje. Met de uitgebreide documentatie van de totstandkoming van dit onpretentieuze mengelwerk, en dus met Kemps 'tweede debuut’, begint het boeiendste deel van Kusters’ biografie.
Maar dan is de lezer al gevorderd tot hoofdstuk 10, pagina 269. De hoofdstukken daarvoor tonen het dilemma van de biograaf die over te weinig betrouwbaar materiaal beschikt. Ze zijn nogal redundant en te gedetailleerd met het oog op het belang van de behandelde stof. Wel geven ze een interessant beeld van het incestueuze karakter van het literaire leven in de provincie.
De centrale figuur is de al genoemde pater Van Well, die zich, voorzover valt na te gaan, zonder dubieuze bijbedoelingen over de getalenteerde arbeiderszoon Kemp ontfermt. Hij geeft hem tot vervelens toe de raad zich als een discipel van Franciscus toe te leggen op het eenvoudige, het kinderlijke, het volkse (en daarbij vooral op God te blijven vertrouwen), hij zorgt ervoor dat Kemps debuutbundel er komt en regelt dat er recensies verschijnen.
Aanzienlijk boeiender wordt Kemps levensverhaal als hij in de schaduw van de vlezige dames - hij schreef een Elegie om het verlies van 10 kilo sex-appeal - kleur op de wangen krijgt en alle hoogdravendheid laat varen. Eindelijk komt er ruimte voor de naïeve toon waar Van Well op aandrong en waar ook Kemp al vroeg, maar toen nog vergeefs, bij zwoer; de missie van Van Well zit erop, hij verdwijnt van het toneel.
Kemps ook in correspondenties gedocumenteerde relatie met zijn muzen, respectievelijk 'inspiratricen’ komt nu uitvoerig aan bod. Curieus in dit platoons-erotische spel is dat Kemp, de gemankeerde faun, niet alleen met Amaranth en Turkoois - in de op Mallarmé en Debussy geïnspireerde Namiddag van een stille katholiek - de Vrouw-in-het-groen, de muze van de Tulpenboom en diverse andere poëtisch omgedoopte dames flirt en vervolgens over hen schrijft, maar dat hij hun ook inspraak gunt in de totstandkoming van de definitieve versies van de betreffende gedichten. En aangezien zijn muzen anoniem wensten te blijven, ligt het voor de hand dat die gedichten talloze cryptische verwijzingen bevatten die alleen de 'medespelers’ konden begrijpen.
Kusters ziet dit heimelijke spel van aantrekking en afstoting, van concurrentie en jaloezie - ik denk terecht - als een soort renaissance van de laatmiddeleeuwse hoofse liefde. Tot werkelijke seksuele contacten tussen Kemp en zijn muzen schijnt het nooit gekomen te zijn, en vermoedelijk was dat ook niet zijn opzet. Het ging hem om het spel, het voorspel zo men wil, en de sublimatie daarvan in zijn poëzie.
Misschien zijn mooiste poëzie schreef de ouder wordende, ziekelijke en gedesillusioneerde Kemp. Van de man die zich ooit als 'enfant de Dieu’ optimistisch en monter toonde is weinig over, leven wordt zich voortslepen, blijkens

Critisch

Ik voel mij door het licht verplicht
te leven,
maar eer ik me aan die plicht om ’t licht
wil geven,
moet ik weten, of het nog anders is
dan in brand gevlogen duisternis.

Nu hij het dagelijkse contact met zijn muzen moet missen verliest het leven alle bovennatuurlijke energie en glans. Misschien een schrale troost als een van zijn reisgezellen hem schrijft dat 'de elektrische trein’ die op de lijn Maastricht-Valkenburg-Heerlen op komst is, volkomen ongeschikt moet zijn voor het imaginaire liefdesspel. Kemp wist dat ook, hij schreef een Vaarwel aan de romantiek der oude treincoupé’s. Hij wist dat de kleine, schemerige coupés een al dan niet gefantaseerde intimiteit toestonden die in moderne treinen met hun open, lichte ruimten onmogelijk zou worden.

De welvingen van de bustes staan als kranten
vol van het gemengde nieuws en alle kanten
zijn even doorgedaglicht of -gelampt.
Geen schaduw meer waarlangs geheimnis schampt
in het badineren boven plooienval,
maar kaal-koel licht, egaal en overal!

Kemps optimistische wereldbeeld lag in gruzelementen. En ook zijn beeld van de vrouw. Zijn eigen vrouw speelt in dit boek zo min als in zijn leven een rol van betekenis, maar ze kan onmogelijk ingenomen zijn geweest met Kemps fratsen. Het weinige wat we over haar uit zijn pen te weten komen klinkt pijnlijk denigrerend.
Maar ook wat de oudere Pierre Kemp in het algemeen over vrouwen schrijft krijgt misogyne trekken. 'Een vrouw is een toestel van vlees en been’ - dat schrijft hij (in 1955) nota bene aan een van zijn muzen. En een jaar later: mannen behalen op vrouwen hooguit pyrrusoverwinningen; zij 'moesten zich maar eens bedenken bij het veroveren der forten of zij de vlag niet liever halfstok er op zouden planten dan geheel’. En nog erger, de slotregel van het gedicht Zwartst pessimisme, ook uit 1956: 'Een vrouw is iets van tussen haar benen,/ meer niet.’
In het Maastrichtse stadspark herinnert sinds 1986 een monument aan een blijmoediger periode van de dichter. We lezen het gedicht 'De la musique avant toute chose’: 'Toen ik die boog daar had geürineerd/ en ik het zonlicht er in ving, prees ik intens,/ ver van de wijsheid die mij was geleerd:/ Wat schoon kristal is er toch in de mens!/ En in extase voor het lieflijke geluid:/ Welk een muziek gaat van de mens toch uit!’ Het is goed dat Wiel Kusters nu ook een fraai en evenwichtig literair monument voor deze gestoorde levensgenieter heeft opgetrokken.

Wiel Kusters
Pierre Kemp: Een leven
Vantilt, 744 blz., € 39,95