De vele levens van het Niod

In de spiegel van de geschiedenis

Deze maand 75 jaar geleden, drie dagen na de bevrijding, werd het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie opgericht. Meerdere keren vond het Niod zichzelf opnieuw uit. Maar in de toekomst zal het elk argument voor zijn bestaansrecht hard nodig hebben.

Collectie affiches, onderdeel van het Niod-archief © Collectie Niod

In tijden waarin een mondiale crisis het leven van alledag verregaand ontwricht, komt op een gegeven moment altijd de vraag op: hoe zullen we later op deze ingrijpende periode terugkijken? In de Tweede Wereldoorlog was dat niet anders. Sterker, terwijl de oorlog nog in volle gang was, werden zowel in het bezette Nederland als in kringen rondom de regering in ballingschap in Londen verregaande plannen gesmeed voor een na de bevrijding op te richten instituut voor oorlogsdocumentatie. Dat instituut zou allerhande oorlogsmateriaal moeten verzamelen, ordenen en onderzoeken, om er vervolgens over te publiceren. Als die taak erop zat, zou het instituut kunnen worden opgeheven: de oorlog zou verwerkt zijn en Nederland zou weer vooruit kunnen kijken. Dat was althans de gedachte.

Op 8 mei 1945, slechts drie dagen na de bevrijding, werd inderdaad het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie opgericht. En nu, precies 75 jaar later, bestaat dit tijdelijk bedoelde instituut nog steeds.

Toegegeven, de naam is intussen iets veranderd: het heet tegenwoordig Instituut voor Oorlogs-, Holocaust en Genocidestudies. En de reikwijdte van het onderzoek is behoorlijk verbreed, want behalve de Tweede Wereldoorlog onderzoekt het instituut tegenwoordig ‘de uitwerking van oorlogen, de holocaust en andere genociden op individu en samenleving in de twintigste en eenentwintigste eeuw’.

Dat het nog bestaat mag een wonder heten, want ten minste drie keer scheelde het weinig of het instituut zou zijn opgeheven. Maar telkens als de rol van het instituut definitief leek uitgespeeld, lukte het om zichzelf onmisbaar te maken: het slaagde er steeds in om aan te sluiten bij de behoefte van de Nederlandse samenleving om zich rekenschap te geven van verschillende donkere episodes uit haar eigen verleden. Hoe kreeg het instituut dat voor elkaar? En: heeft het anno 2020 nog steeds bestaansrecht?

Dat het instituut er zo snel na de bevrijding kwam, is voor een groot deel te danken aan historicus Nico Posthumus. Al voor de oorlog had de hoogleraar naam gemaakt door twee instituten op te richten, waaronder het nog steeds bestaande Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Tijdens de bezetting besefte hij dat al het mogelijke oorlogsmateriaal – van notulen en verordeningen van het bezettingsapparaat tot aan dagboeken en brieven van ‘gewone’ burgers – na de oorlog van belang zou worden. Zorgen dat dit materiaal behouden bleef ‘is een culturele taak’, schreef Posthumus in 1943, ‘die het Rijk aan het tegenwoordige geslacht verschuldigd is op zich te nemen’. Hij zag meteen een nieuw instituut voor zich.

Ongeveer tegelijkertijd trad in Londen de jonge, ambitieuze Radio Oranje-journalist Loe de Jong in overleg met Gerrit Bolkestein, de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in ballingschap. Het is onduidelijk of De Jong op precies hetzelfde idee als Posthumus was gekomen, of dat Bolkestein al via via over de plannen had gehoord. In elk geval schreef De Jong een speech voor Bolkestein, die de minister op 28 maart 1944 voor Radio Oranje uitsprak. ‘In afwachting van het uur der bevrijding kunt gij thans reeds uw deel bijdragen’, zei Bolkestein. Hij riep iedereen op om zoveel mogelijk ‘eenvoudig, dagelijks materiaal’ zoals dagboeken en brieven te bewaren voor ‘het grote historische monument, dat, zo hoop ik vurig, eens door de beste mannen en vrouwen in ons midden zal worden opgetrokken – den levenden ter herinnering, het nageslacht ter bezieling’.

Bolkesteins oproep had effect: veel mensen in bezet Nederland gingen nu een dagboek bijhouden, en mensen die er al een hadden zagen in de toespraak aanleiding om het schrijven van een dagboek nog serieuzer te nemen. Zo besloot Anne Frank om haar dagboek te herschrijven; ze dagdroomde ervan om het ooit uit te geven onder de titel Het Achterhuis – men zou denken dat het een detectiveroman was.

Meteen na de oprichting ging het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie aan de slag om materiaal te verzamelen. ‘Chef’ Loe de Jong hield een serie radiopraatjes om mensen aan te sporen materiaal in te sturen, en zijn medewerkers hingen stad en land vol met affiches. Bovendien vergaarde het instituut belangwekkende archieven van het Duitse Rijkscommissariaat, waarin de besluitvorming over de nazificatie van Nederland minutieus was vastgelegd. Ook legden de veelal jonge, joodse medewerkers – die in de oorlog vrijwel allemaal veel familie en vrienden hadden verloren – vast hoe de rechtszaken tegen bekende collaborateurs en hooggeplaatste nazi’s verliepen. Met een aantal van hen namen ze zelfs uitgebreide interviews af.

Het instituut slaagde erin om in een spectaculair korte tijd een enorme collectie – in totaal zo’n drie kilometer aan documenten – op te bouwen. Een aantal van die documenten had meteen praktisch nut, want rechercheurs konden ze inzetten voor de bijzondere rechtspleging. Maar na die eerste, bruisende periode kwam een terugslag. De aandacht voor de oorlog nam af, de bestraffing van ‘foute’ Nederlanders liep op zijn eind. Mensen wilden liever vooruitkijken en alle bezettingsellende vergeten.

Het was in deze periode, drie jaar na oprichting, dat het instituut voor het eerst in zijn voortbestaan werd bedreigd. De minister van Financiën, Piet Lieftinck (pvda), voerde vanwege de wederopbouw een streng bezuinigingsprogramma door. Hij wilde het liefst alle instellingen die uit de oorlog voortvloeiden zo snel mogelijk opheffen. Dat hij persoonlijk weinig ophad met geschiedschrijving, maakte de situatie voor Oorlogsdocumentatie er niet rooskleuriger op.

Op het moment dat het voortbestaan van het instituut acuut in gevaar was, waren de leden van het ‘directorium’ – een verzuild driemanschap van hoogleraren dat de dienst uitmaakte – met vakantie. Gelukkig was dagelijks leider Loe de Jong gezegend met een scherp politiek-strategisch inzicht. Nu was hij er toevallig van op de hoogte dat het Nationaal Steun Fonds (nsf), de instelling die in de oorlog als ‘bankier van het verzet’ had gefunctioneerd, ongeveer tien miljoen gulden in kas had waarvoor geen duidelijke bestemming was. Kon dat bedrag niet worden gebruikt om het instituut te laten voortbestaan? Immers, zo redeneerde De Jong, de bezettingstijd zou pas helemaal zijn afgewikkeld als het instituut zijn taak had volbracht. Hij slaagde erin om de regering te overtuigen en met nsf-middelen de toekomst van het instituut voorlopig veilig te stellen.

Maar wanneer zou de taak van het instituut dan zijn volbracht? Om die vraag te beantwoorden stelde het directorium een publicatieschema op. Behalve materiaal verzamelen was het immers vanaf het begin de bedoeling dat het instituut monografieën en bronnenverzamelingen zou publiceren over de belangrijkste onderwerpen uit de bezettingstijd. Bijvoorbeeld over de drie grote, collectieve stakingen, maar ook over onderwerpen als de ondergrondse pers en de jodenvervolging. Na voltooiing van die monografieën en bronnenpublicaties zou er een synthese moeten komen, het ‘Hoofdwerk’, waarin alle nieuwe inzichten een plaats zouden krijgen. Als het Hoofdwerk af was, zou het instituut opgedoekt kunnen worden. De verwachting was dat dit in 1958 het geval zou zijn.

Al snel was echter duidelijk dat het veel langer zou duren. Deels doordat er nog steeds nieuw materiaal werd gevonden, maar ook door de beladenheid van de oorlog als onderzoeksobject. Iemand als Jacques Presser, die door het instituut was aangetrokken om de monografie over de jodenvervolging te schrijven, had in de oorlog zijn eigen vrouw verloren. Het lukte hem jarenlang niet om een letter op papier te krijgen.

Met het Hoofdwerk ging het niet veel beter. Het instituut had een verzuild auteursteam aangetrokken van vier gerenommeerde historici (een katholiek, een protestant, een sociaal-democraat en een liberaal), maar ondanks een aanzienlijk honorarium bleken zij moeite te hebben om zich volledig aan hun omvangrijke – en weinig vrolijke – taak te kunnen wijden. ‘Ik ga weer naar Dartmoor’, verzuchtte een van de historici tegen zijn vrouw als hij naar het instituut vertrok, verwijzend naar een beruchte Engelse gevangenis. In 1955 werden zij uit hun lijden verlost. Loe de Jong, die de jaren ervoor enorm aan gezag had gewonnen, werd nu als auteur aangewezen. Hij beschouwde de opdracht niet alleen als ‘een dure plicht’, maar ook als ‘een kostelijk voorrecht’. Hij stelde zich voor zijn boek ‘niet te omvangrijk’ te maken: ‘Een omvang van 1000-1200 bladzijden in een maximum van twee delen, niet al te dik’. Vóór 1 januari 1961 zou het af kunnen zijn, verwachtte hij.

Collectie brieven, onderdeel van het Niod-archief © Collectie Niod

In de beginperiode van het instituut was Oorlogsdocumentatie heel duidelijk een politiek Rijksinstituut geweest, dat zich conformeerde aan de geschreven en ongeschreven regels van de verzuilde, naoorlogse maatschappij. Niet voor niets had het instituut voor zichzelf een maatschappelijke functie voor ogen, ‘waarvan een richtige invulling bijdraagt aan het gezag van de overheid’.

Vanaf het moment dat Loe de Jong de regeringsopdracht tot het schrijven van het Hoofdwerk kreeg, werd Oorlogsdocumentatie meer en meer ‘het instituut van L. de Jong’. Maar het was aanvankelijk nog onduidelijk in hoeverre hij in staat zou zijn om onafhankelijk te opereren. In de eerste jaren na de opdrachtverlening kreeg het instituut te maken met een testcase die voor de toekomst van cruciaal belang zou blijken te zijn.

Als het ‘Hoofdwerk’ over de oorlog af was, zou het instituut opgedoekt kunnen worden. De verwachting was dat dit in 1958 het geval zou zijn

Deze zaak draaide om het onderzoek van de Leidse hoogleraar A.J.C. Rüter, die vlak na de oprichting van het instituut de opdracht kreeg om een monografie te schrijven over de Spoorwegstaking van 1944-1945. Het onderzoek werd royaal gesubsidieerd door de Nederlandse Spoorwegen – niet verwonderlijk, want president-directeur Hupkes had zelf de staking geleid; hij verwachtte een heldenepos. Dat schreef Rüter allerminst. Hij wilde niet alleen de mythevorming rond de staking doorprikken, maar ook de loyale samenwerking van de NS met de bezetter benoemen. Want gedurende bijna de hele oorlogsperiode hadden de NS ervoor gezorgd dat de treinen, met transporten van oorlogsmaterieel naar het Duitse front én met joden naar concentratiekampen, keurig op tijd hadden gereden.

Toen NS-directieleden in de gaten kregen dat Rüter een kritisch boek zou schrijven, waren ze not amused. Ze bluften dat het onderzoek ‘eigendom’ was van de NS – die hadden er immers voor betaald – en dat het dus door de NS tegengehouden zou kunnen worden. Het bestuur van Oorlogsdocumentatie probeerde de zaak te sussen door te stellen dat het boek niet zonder toestemming van de NS-directie zou worden gepubliceerd. Het leek er dus op dat het instituut concessies aan de inhoud wilde doen.

Maar dat was buiten de vastberadenheid van Rüter gerekend. De auteur was niet van plan om ook maar één letter aan zijn manuscript te veranderen en liet dat duidelijk merken. Bovendien stelde hij terecht vast dat hij het auteursrecht bezat. Hij overtuigde het instituutsbestuur, dat uiteindelijk van de verzoenende tactiek afstapte. Het leidde tot een clash met de NS, die de publicatie van het boek jarenlang traineerden. Uiteindelijk moest staatssecretaris Scholten (chu) eraan te pas komen. Die besliste dat de studie ongewijzigd kon worden gepubliceerd. Rüters boek Rijden en staken: De Nederlandse Spoorwegen in oorlogstijd verscheen in 1960, zonder concessies aan de inhoud. Het was een belangrijk moment: Oorlogsdocumentatie had de wetenschappelijke onafhankelijkheid succesvol bevochten.

De affaire-Rüter maakte de weg vrij voor het Hoofdwerk van De Jong. Maar De Jong had zijn taak toch wat te optimistisch ingeschat: in 1961 stond nog geen letter op papier. Dat deerde niet, want tussen 1960 en 1965 presenteerde De Jong de 21-delige televisieserie De bezetting, die de nts op primetime uitzond – elke drie maanden een nieuwe aflevering. Bij elke uitzending zaten miljoenen mensen aan de buis gekluisterd. De afleveringen trokken niet alleen zulke hoge kijkcijfers omdat er nog maar één televisienet was, maar ook omdat De Jong, als een soort nationale schoolmeester, voor het eerst een samenhangend verhaal vertelde over Nederland in oorlogstijd. Door de inzet van het massamedium televisie was hij – en met hem het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie – nu voor de hele bevolking dé autoriteit over de Tweede Wereldoorlog geworden.

En in 1965 publiceerde Presser eindelijk zijn aangrijpende studie Ondergang: De vernietiging en verdelging van het Nederlandse Jodendom, 1940-1945. Het boek liet, in de worden van historica Evelien Gans, ‘een duizendkoppige hamer neerkomen op menig Nederlands hoofd’. Ineens kwam de jodenvervolging in het middelpunt van de belangstelling te staan en kantelde het traditionele beeld van een heroïsch Nederlands volk dat collectief verzet had gepleegd tegen de Duitse overweldiger; ineens was Nederland het land waaruit procentueel het hoogste aantal joden van West-Europa was gedeporteerd.

Ook werd het instituut – in de persoon van De Jong – steeds vaker om een oordeel gevraagd over het oorlogsverleden van publieke figuren. Prins Claus (positief), Weinreb (negatief), Menten (negatief), Aantjes (negatief) – het instituut kon reputaties maken of breken. Overigens deed de affaire-Aantjes ook afbreuk aan de reputatie van De Jong, aangezien hij Aantjes, destijds cda-fractieleider in de Tweede Kamer, ten onrechte van lidmaatschap van de Waffen-SS had beschuldigd.

Op dat moment, eind jaren zeventig, stond De Jong al lang en breed bekend als de ‘geschiedschrijver des rijks’. Vanaf 1969 publiceerde hij met ijzeren regelmaat delen van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog; de publicatie van elk deel ging vergezeld van drukbezochte en minutieus voorbereide persconferenties, waarin De Jong nieuwe ‘onthullingen’ uit de doeken deed.

De Jong was er een meester in om draagvlak voor zijn werk te creëren. Hij legde zijn concept-manuscripten altijd voor aan een relatief grote groep van meelezers en deskundigen. Hij nam hun commentaar op detailniveau graag over, zolang het maar niet de grote lijn van zijn verhaal aantastte, een verhaal dat altijd uitging van een duidelijk moreel kader van collaboratie en verzet.

‘De Jong was voortdurend aan het onderhandelen’, zegt de Belgische historicus en Niod-watcher Pieter Lagrou. ‘Hij wilde een standaardwerk, geen steen in de vijver. Zijn werk was niet-provocatieve geschiedschrijving. Hij toonde zich kritisch, maar wel op een manier dat het voor iedereen nét aanvaardbaar was.’ Slechts één keer boog De Jong duidelijk voor zijn meelezers, onder wie enkele oud-militairen. Aanvankelijk wilde hij het geweld van het Nederlandse leger tijdens de koloniale oorlog in Indonesië ‘oorlogsmisdrijven’ noemen, maar na zware druk veranderde hij die term in ‘excessen’.

De publicatie van De Jongs geschiedwerk vormde lange tijd ‘een prachtige verzekering’ voor het voortbestaan van het instituut, dat vanaf de jaren zeventig doorgaans Riod werd genoemd. Toch zou in de jaren zeventig de discussie over de tijdelijkheid van het instituut weer opspelen. De Jong zei dat het ‘een ziekelijk verschijnsel’ zou zijn als het instituut na voltooiing van zijn geschiedwerk zou blijven voortbestaan. Ook de opvatting van de rijksarchivaris, die vond dat de archieven van het Riod toebehoorden aan het Rijksarchief in Den Haag, hielp niet mee.

Gelukkig voor het instituut kwam in 1977 met Arie Pais (vvd) een nieuwe minister van Onderwijs in de regering. Hij was, wellicht mede door zijn joodse achtergrond, van mening dat het ‘alom gerespecteerde instituut’ ook na de voltooiing van De Jongs geschiedwerk zou moeten voortbestaan ‘om belangrijke maatschappelijke steun te kunnen blijven bieden aan generaties die de naweeën van de Tweede Wereldoorlog ondervonden’. Weer was het instituut gered.

Loe de Jong sorteert archiefmateriaal in het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam, 1950 © Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad

Op 28 april 1988 presenteerde Loe de Jong in aanwezigheid van koningin Beatrix het laatste deel van Het Koninkrijk, dat in totaal bijna zestienduizend pagina’s besloeg, verdeeld over twaalf delen en 26 banden. 33 jaar na het verkrijgen van de opdracht was De Jongs levenswerk voltooid. Maar wat betekende dat voor het bestaansrecht van het Riod?

De belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog leek opnieuw te verminderen. De door de regering ingestelde commissie-Kossmann kwam daarom met de aanbeveling dat het instituut zijn onderzoeksterrein zou verbreden: zowel in tijd (beginnend bij de Eerste Wereldoorlog, eindigend ver na de bevrijding) als in plaats (met aandacht voor internationale vergelijkingen en transnationale ontwikkelingen). Bovendien zou het instituut niet meer direct onder de overheid moeten vallen; het instituut werd daarom een onderdeel van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, de naam veranderde in Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod).

De opmerkelijkste en ingrijpendste verandering was het aanvaarden van een regeringsopdracht die niets met de Tweede Wereldoorlog te maken had. Het instituut stemde in 1996 in met het verzoek van premier Kok om onderzoek uit te voeren naar de gebeurtenissen voor, tijdens en na de val van de Bosnische moslimenclave Srebrenica in 1995. Net als in de begintijd van het instituut gingen er dus historici aan de slag om de historische werkelijkheid te achterhalen van een ontwrichtende gebeurtenis die nog maar heel kort geleden had plaatsgevonden.

Dat het instituut deze opdracht kreeg, was in belangrijke mate te danken aan de energieke nieuwe directeur van het instituut, professor Hans Blom. Hij was ook degene die de leiding had over dit nieuwe onderzoeksproject. Anders dan in de tijd van Loe de Jong was hij niet degene die het hele project schreef; dat liet hij over aan een groep van onderzoekers die het instituut speciaal voor deze opdracht had aangetrokken. Maar verder bestonden er wel degelijk overeenkomsten met de werkwijze die De Jong bij het schrijven van Het Koninkrijk had gehanteerd.

Net als De Jong gaven Bloms Srebrenica-onderzoekers uitgebreide reconstructies van de gebeurtenissen, zonder veel woorden te verspillen aan theoretische kwesties of historiografische debatten. Ook hadden zij met De Jong gemeen dat ze zich baseerden op zowel ambtelijke documenten (veelal afkomstig van het daderregime) als oral history (vaak interviews met oorlogsgetroffenen en inlichtingenmensen). En het Srebrenica-onderzoek was al even consensus-driven als Het Koninkrijk; het was vanaf het begin de bedoeling dat alle onderzoekers zich in de conclusies zouden kunnen vinden. Dat leidde niet alleen tot veel conflicten binnen het onderzoeksteam, maar ook tot een eindtekst waar, wat betreft de rol van ‘Nederland’, de scherpe randjes af waren geslepen. ‘Het rapport is niet vergoelijkend’, aldus Pieter Lagrou, ‘maar het onthoudt er zich systematisch van een aantal conclusies te expliciteren over het morele en intellectuele gehalte van de Nederlandse blauwhelmen.’ Dat had overigens ook te maken met de geschiedopvatting van Blom, die vindt dat het niet de taak van de historicus is om moreel te oordelen.

Aan de ‘onderhandelingstafel’ van het Niod-dekolonisatieonderzoek wordt ook nadrukkelijk plaats ingeruimd voor het Indonesische perspectief

Pas op 10 april 2002, meer dan vijf jaar na de opdrachtverlening, presenteerde Blom het Niod-rapport, dat bestond uit zo’n zesduizend pagina’s. De politieke gevolgen waren spectaculair: het rapport bevestigde de Nederlandse betrokkenheid bij de reeks rampzalige gebeurtenissen op de Balkan, vrijwel meteen na de presentatie trad het tweede paarse kabinet af. Vooral deze politieke consequentie leidde ertoe dat een fundamentele discussie over de historische analyse van het drama naar de achtergrond verdween.

Toch pakte het rapport voor het Niod uiteindelijk niet slecht uit; het bevestigde de degelijke uitstraling van het instituut. Het nieuwe elan werd versterkt door andere grote onderzoeksprojecten, zoals dat over de terugkeer en opvang van oorlogsslachtoffers direct na de Tweede Wereldoorlog. En was het Srebrenica-onderzoek aanvankelijk nog bedoeld als eenmalig uitstapje buiten het eigenlijke onderzoeksgebied, vanaf 2010 ging het Niod zich structureel bezighouden met andere perioden van massaal geweld dan alleen de Tweede Wereldoorlog. Het Niod fuseerde namelijk met het negen jaar eerder opgerichte Centrum voor Holocaust en Genocidestudies, dat onderzoek uitvoerde naar onder meer de massamoorden in Armenië, de voormalige Sovjet-Unie en Rwanda.

De fusie en de thematische verbreding hadden onder andere tot gevolg dat de verbinding tussen het onderzoek en de collecties van het instituut zwakker werd; een groeiend aantal onderzoekers haalde hun bronnen niet meer uit het Niod-archief. Was dit niet het moment om de collectie en de onderzoeksafdeling van het Niod van elkaar te scheiden? Het bestuur van de knaw vond van wel en kwam in 2013 – in de nasleep van de economische crisis – met een verregaand plan om de Niod-collectie onder te brengen bij een archiefinstelling en de onderzoeksafdeling bij een nieuw te vormen humanities cluster, waarvan ook onderzoekers van andere knaw-instituten deel uit zouden maken.

Voor de derde keer in zijn bestaan werd het instituut feitelijk met opheffing bedreigd. Dit leidde tot veel verontwaardiging in de (sociale) media, en de toenmalige directeur, Marjan Schwegman, verzette zich hevig tegen het plan. Ze slaagde erin om het instituut als zodanig te behouden, maar moest daarvoor wel een hoge prijs betalen: in tegenstelling tot de instituten die wél meebewogen in de richting van de knaw-plannen, liep het Niod miljoenen euro’s mis aan vernieuwingsgelden voor de digitale infrastructuur.

Het Niod bleef bestaan, maar stond er niet florissant voor: de financiële situatie was zwak, interne procedures waren niet op orde en een reeks beeldbepalende onderzoekers van de babyboom-generatie was afgezwaaid. ‘Ik moest echt puinruimen’, zegt huidig directeur Frank van Vree. Hij stond voor de taak om het Niod nieuw bestaansrecht te geven.

Net als Blom in de jaren negentig lukte het Van Vree om het instituut te verbinden aan een grootschalig onderzoek naar een van de meest duistere episodes uit de Nederlandse geschiedenis. In 2017 startte het Niod, samen met het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land-, en Volkenkunde (kitlv) en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (nimh) een onderzoeksprogramma dat antwoord moet geven op vragen naar de aard, omvang, oorzaken en impact van het Nederlandse geweld tijdens de oorlog in en tegen Indonesië tussen 1945 en 1949.

Lang had de regering volgehouden dat van ‘systematische wreedheid’ van het Nederlandse leger geen sprake was geweest – niet voor niets was indertijd de druk op De Jong opgevoerd om in plaats van ‘oorlogsmisdrijven’ de term ‘geweldsexcessen’ te gebruiken –, maar promotieonderzoek van de Zwitsers-Nederlandse historicus Rémy Limpach had aangetoond dat Nederlandse militairen wel degelijk structureel grensoverschrijdend geweld hadden gebruikt. Nu was blijkbaar de tijd gekomen om als land ook wat dit heikele onderwerp betreft in de spiegel te kijken.

Sinds de start van het dekolonisatieonderzoek zijn opnieuw veel ogen gericht op het Niod. Zou ook dit onderzoeksproject worden uitgevoerd volgens wat Pieter Lagrou de ‘Niod-huisstijl’ noemt? In elk geval zal, net als bij Het Koninkrijk en het Srebrenica-rapport, het totale aantal pagina’s niet gering zijn: er werken, nog los van een dozijn onderzoekers in Indonesië, meer dan 25 onderzoekers aan acht deelstudies, die elk weer verschillende publicaties zullen voortbrengen. En ter afsluiting zal ook dit onderzoeksprogramma zijn eigen ‘Hoofdwerk’ kennen, in de vorm van een voor een breed publiek geschreven studie waarin alle onderzoeksresultaten samenkomen.

Niet verwonderlijk is juist over dit publieksboek al veel te doen geweest: aanvankelijk zou het geschreven worden door Gert Oostindie, directeur van het kitlv, ook al is hij van huis uit geen Indonesië-expert. Een groepje kritische activisten en wetenschappers liet van zich horen, en inmiddels blijkt de opzet iets veranderd. ‘De samenvattende studie zal een co-authored werk worden, met Oostindie als eerste auteur’, zegt Van Vree.

Het lijkt een recept voor conflicten, zeker aangezien aan de ‘onderhandelingstafel’ ook nadrukkelijk plaats wordt ingeruimd voor het Indonesische perspectief; een van de hoofddoelen is om het bestaande, monolithische beeld van de oorlog in Indonesië ter discussie te stellen. Maar Van Vree maakt zich vooralsnog geen zorgen over eventuele onoverkomelijke meningsverschillen. ‘Daar zijn we nog helemaal niet mee bezig’, zegt hij. ‘We hebben zelfs nog geen procedure bedacht hoe we daarmee zouden moeten omgaan. Het is wel een spannend proces, want onderzoekers hebben verschillende opvattingen. Maar er is een duidelijke wil om dit project tot een goed einde te brengen.’

De meervoudige aanpak van het dekolonisatieonderzoek lijkt de veranderende werkwijze van historici te weerspiegelen. ‘De tijd ligt achter ons dat je één studie over een dergelijk groot onderwerp zou willen schrijven’, zegt Van Vree. ‘Dat doet geen recht aan de complexiteit ervan.’ In september 2021 zullen de belangrijkste delen van het dekolonisatieonderzoek verschijnen, met inbegrip van het publieksboek.

Maar het Niod houdt zich niet alleen bezig met het dekolonisatieonderzoek. Het is op veel meer fronten actief, waarbij Van Vree nadrukkelijk probeert om het bijzondere karakter van het instituut te behouden: het Niod wil een wetenschappelijk expertisecentrum zijn dat zich niet opsluit in de ivoren toren, maar geworteld is in de maatschappij en de duizenden vragen beantwoordt van studenten, familieonderzoekers of (amateur)historici die zich jaarlijks bij hem melden.

Om dit streven te laten slagen zal moeten worden afgerekend met de vooroordelen die dateren uit de tijd van Loe de Jong. Zoals zijn biograaf Boudewijn Smits schrijft werd De Jong zelfs al tot de gevestigde orde gerekend voordat hij zijn televisieserie De bezetting had voltooid. Nog altijd heeft het Niod critici die het instituut vooral elitair, randstedelijk en duur vinden. Verder probeert het Niod niet alleen academische studies, maar ook wetenschappelijk verantwoorde en tegelijkertijd aansprekende Nederlandstalige publieksboeken te publiceren. Met name dat laatste is een lastige uitdaging, zeker aangezien in de academische wereld vooral peer-reviewed artikelen in internationale vakbladen meetellen. Tekenend is dat momenteel relatief weinig Niod-onderzoekers aan boeken werken die een breed publiek kunnen bereiken – en dat terwijl de etalages van de boekwinkels vol liggen met (literaire) non-fictie en bestsellers over de Tweede Wereldoorlog.

Wat het Niod mee heeft, is dat Nederland sinds een aantal jaren is beland in een nieuwe fase van morele erkenning en rechtsherstel, waarin overheden en instanties opnieuw in de spiegel van de geschiedenis kijken. Ze nemen de verantwoordelijkheid op zich voor de bureaucratische manier waarop ze in het verleden zijn omgegaan met ‘ontrechte’ oorlogsgetroffenen.

Om dit rechtsherstel alsnog op een zorgvuldige wijze uit te voeren, komt het Niod goed van pas. Zo heeft het instituut al onderzoek verricht naar de erfpachtkwestie in Amsterdam, nam het onlangs de opdracht aan om de rol van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in oorlogstijd te onderzoeken en loopt er een door de gemeente Amsterdam uitgevaardigd vooronderzoek naar de rol van het ambtelijke apparaat tijdens de bezetting. Ook lijkt het instituut een rol te kunnen spelen bij de uitvoering van het advies van de Commissie Tegemoetkoming Slachtoffers NS, waarin nadrukkelijk een onderzoek naar de ‘transporten tijdens de oorlog’ werd aanbevolen – feitelijk een verdieping van het onderzoek van professor Rüter uit 1960. ‘Dit soort onderzoek kan bij uitstek wetenschappelijk vernieuwend zijn én een maatschappelijke rol vervullen’, zegt Frank van Vree.

Wel brengt juist deze dubbelfunctie ook problemen met zich mee. Bij oorlogskwesties spelen emoties nog altijd een grote rol, mogelijke misstanden worden in de media onmiddellijk uitvergroot en de behoefte om moreel te oordelen blijft sterk aanwezig. Maar het Niod is juist terughoudender geworden met morele en politieke uitspraken, zeker in vergelijking met de tijden van Loe de Jong. ‘Als je als onderzoeker probeert het verleden te begrijpen en het stellen van vragen prefereert boven al te gesimplificeerde waarheden, stuit dat nogal eens op weerstand’, zegt Niod-onderzoeker Hinke Piersma. Misschien is het een verklaring voor het feit dat onderzoekers en voorlichters van het instituut nog maar zelden aan tafel zitten bij talkshows en actualiteitenprogramma’s.

Er is nog een laatste uitdaging voor het Niod. Als het instituut een modern expertisecentrum wil zijn, zal het aan de hoogste digitale standaarden moeten voldoen. ‘Anders zal het instituut geleidelijk aan betekenis verliezen en zal het eindigen als een centrum met een hoog antiquarisch gehalte’, zegt Van Vree. In dit opzicht zijn er onlangs grote vorderingen geboekt: zowel de dagboeken- als de oorlogsbrievencollectie wordt gedigitaliseerd en online toegankelijk gemaakt.

Met dit ‘eenvoudige, dagelijkse materiaal’ uit de oorlogstijd (de dagboeken en de oorlogsbrieven) zijn we weer terug bij de toespraak van Bolkestein uit 1944 – en bij de reden waarom het instituut op 8 mei 1945 is opgericht: om een ingrijpende, ontwrichtende crisisperiode te documenteren en te onderzoeken. 75 jaar later is er op dat vlak nog steeds veel werk te doen, en ondanks het aanvankelijk tijdelijke karakter is het instituut inmiddels sterk verankerd in de Nederlandse maatschappij en wetenschap. Bovendien: steeds als het economisch tij tegenzat, wist het instituut zijn toekomst op onnavolgbare wijze veilig te stellen. Maar in de nieuwe, zich nu voltrekkende crisisperiode zal het Niod elk argument voor zijn bestaansrecht nog hard nodig hebben.