In de stoofpot…

Dieren spreken niet, meent de bioloog Maarten ‘t Hart. Maar Rudy Kousbroek vindt het een hele troost dat wij dieren kunnen uitrusten met menselijke gedragingen en gevoelens. De film 'Babe’ bewijst zijn gelijk
LANG, LANG GELEDEN leefden de mensen in vuile en donkere holen. De mannen waagden zich soms naar buiten voor de jacht en de vrouwen plukten schichtig wat bessen. Voor de rest was het binnenblijven geblazen. Daar kwam verandering in door twee ontdekkingen: de verbouwing van gewassen en de domesticatie van dieren. De mensen beschouwden de dieren als wandelende provisie- en kleerkasten. Dat bleven ze tienduizend jaar doen.

Zo luidt de officiële geschiedschrijving die erg lijkt op de Genesis van het varkensverhaal in de film Babe, waar de vertellersstem begint met: ‘Er was eens een tijd dat varkens slecht werden behandeld, behalve door andere varkens. Zij leefden in duistere en vuile ruimten…’ Het verhaal is zo langzamerhand bekend: Het biggetje Babe wordt van zijn moeder gescheiden als die naar de slachtbank wordt geleid ('Dag mam’). Hij belandt op de kermis en wordt daar door boer Hogget gewonnen, die hem meeneemt naar de boerderij. Daar komt hij onder de hoede van de herdershond Fly, die net een nest heeft geworpen. Hij maakt er kennis met de eend Ferdinand, die voor haan speelt, met de wijze koe, met de nuffige schapen, met de valse kat. Voor de kerst wordt hij opgemeten maar nog te licht bevonden voor de braadpan. Hij beleeft avonturen met schapendieven en tenslotte wordt hij door de boer getraind voor de jaarlijkse schapenwedstrijd die hij wint - waarmee het varkentje gepromoveerd is tot de beste schaapherdershond van het jaar.
Wat maakt Babe nu tot zo'n uitzonderlijke film die niet alleen kinderen maar ook volwassenen tot een verhoogde staat van blijdschap en geruststelling brengt? Er zijn meer kinderfilms die een wereldwijde reputatie hebben opgebouwd. Legendarisch is natuurlijk Walt Disneys Bambi, waarin het kleine hertje na de grote bosbrand met wijd uitstaande en wankele pootjes boven op de heuveltop het onvergetelijke, klaaglijke zinnetje slaakt: 'Mother where are you?’ De diepste verlatingsangst van ieder mensenkind is in dat beeld voorgoed vastgelegd.
Maar latere films uit de Disney-studio’s tonen een bedroevende neergang. The Jungle Books bijvoorbeeld, naar de boeken van Rudyard Kipling, zijn verworden tot behangselpapier voor een nieuwbouwwijk in Appelscha, en het laatste produkt van de Disney studio’s, The Beauty and the Beast is vooral interessant voor mensen die geïnteresseerd zijn in de driedimensionale mogelijkheden van de gecomputeriseerde tekenfilm. De laatste film is alom geroemd en geprezen, maar de ware liefhebber van kinderfilms werd teleurgesteld: wat een geilheid op de mogelijkheden van het beeld, wat een verwaarlozing van het in oorsprong prachtige verhaal. Het was vuurwerk waarbij je ah! en oh! kon roepen en daarna was het voorbij en bleef er niets over.
Want het zijn emoties die we willen ervaren bij een kinderfilm, primaire, directe emoties die we vanaf onze vroegste kindertijd met ons meedragen, die we hebben leren vertalen naar meer sophisticated redeneringen, maar die bij grote kunst en literatuur - en in huwelijkse onenigheden - nog wel eens vief de kop op willen steken. Wie het kind in zichzelf niet een leven lang met zich meedraagt en koestert, kan maar beter meteen op de strijkplank gaan liggen.
Het beste wat Babe te bieden heeft is dat het over echte dieren en echte mensen gaat. Sprekende dieren zijn geen onbekend gegeven in de wereldliteratuur en op televisie. Soms laaien er minidiscussies op over de wenselijkheid van sprekende dieren in kinderboeken, zoals een tiental jaar geleden, toen Maarten ’t Hart vond dat dat onzin was - dieren spreken nu eenmaal niet, sprak de bioloog. Maar dat was een eenmansoorlogje, want niemand nam de moeite de wapens op te nemen. Tegen Donald Duck kan niemand op, net zo min als tegen Sesamstraat of tegen de kikker in het sprookje die de prinses vraagt hem te kussen.
Deze voorbeelden zijn echter verdoezelend. Donald is een volwassen driftkop, toevallig in eendekostuum. Bij Sesamstraat zijn het poppen als dieren en sprekende dieren in de kinderliteratuur zijn alleen geloofwaardig als je meegaat in de fantasie van het lezende kind. In The Jungle Books van Rudyard Kipling begint het er iets meer op te lijken. De sprekende wolf Akela, in wier welpennest het mensenjong Mowgli terecht komt, is een geloofwaardige wolf, evenals Balou en Bagheera geloofwaardige beer en panter zijn. Maar nog steeds is het de macht van de literatuur die met ons kan doen en laten wat ze wil.
Met de film Babe is het anders gesteld. Er komt geen tekening aan te pas, alles is puur natuur: het landschap, de mensen, de dieren zelf. Het is ook niet zo, als bij de naturel films over de hond Lassie of het paard Black Beauty, dat de dieren weliswaar hun natuurlijke gedrag vertonen in hun dienstbaarheid aan de mensen, maar dat ze zelf geen bek opentrekken, dat de interpretatie van hun gedrag voor rekening van de mensen komt. Nee, het meest opmerkelijke in Babe is dat de dieren zelf praten, ze hebben monden die praten. Als Babe aan de moederhond Fly vraagt: 'Fly, mag ik je mammie noemen?’ dan gaan de bewegingen van zijn bekje synchroon met de uitgesproken tekst. Als hij met kerstmis aan de stoofpot ontkomen is, voert hij een klein dansje uit onder het zingen van: 'Jingle Bells, Jingle Bells, jingles all the way’ - en dan zie je dat hij dat ook werkelijk zingt. Het is een scène waarbij je hart in je keel springt van vreugde.
(Tussendoor moet worden gezegd dat de Nederlandse nasynchronisatie een klein wonder is: de acteurs die hun stemmen aan de dieren leenden, hebben het karakter van het dier wiens stem ze inspraken zonder aan de eigenheid van het betreffende dier enige afbreuk te doen: als de schapen Babe mekkerend uitlachen, zijn en blijven het schapen. De hoorspeelkern is hiermee voorgoed verleden tijd.)
ECHTE DIEREN met sprekende bekken - dan stuit je op het probleem van lichaam en geest. We kunnen genoegzaam aannemen dat onze hond heel goed begrijpt wat er in zijn omgeving of met zijn baasje aan de hand is. We kunnen liefde koesteren voor het varken, een dier dat lang als vuil en dom is bestempeld en dat in Nederland door Rudy Kousbroek gerehabiliteerd is. Van Kousbroek is zojuist de bundel Varkensliedjes (uitgeverij De Harmonie, met tekeningen van Peter Vos) verschenen, waarin aan het varken en met name aan het wrattenzwijn treurige, menselijke verlangens worden toegedicht. We kunnen streng zijn en zeggen dat dat allemaal projectie is. Juister lijkt me de opmerking van Kousbroek, die in zijn jeugd in Nederlands Indië met een huisvarkentje opgroeide, dat 'het vermogen om het uiterlijk en de gedragingen van dieren te bedekken met betekenissen ontleend aan de mensenwereld een grote bijdrage tot troost en luxe van onze soort (is)’.
Van die luxe hebben de makers van de film Babe uitbundig gebruik gemaakt. De taal - dat wat de mens onderscheidt van het dier, wat het verschil betekent tussen instinct en reflectie, wat in het post-verlichte denken nog steeds als het nauwkeurigste instrument kan worden beschouwd om te oordelen en te beoordelen - die taal is in Babe voorbehouden aan de dieren. De mensen in de film praten niet. De boer Hogget is een zwijgende figuur op de boerderij. Wat we over zijn emoties te weten komen, wordt verteld door de stem van een alwetende verteller: 'Deze man Hogget, die nooit een woord sprak, ontwikkelde een idee dat hij maar niet uit zijn hoofd kon zetten.’
Ook de voortgang van het verhaal wordt door de vertellersstem verwoord, omdat het werkelijke drama zich tussen de dieren onderling afspeelt. De menselijke taal komt ook aan bod in de aankondigingen van de episodes, die als vroeger bij de stomme film, in tekst op het doek verschijnen: 'Varkensvlees is lekker zoet’ als de episode begint dat Babe aan het mes moet worden geregen. Of: 'Misdaad en straf’ als Babe en Ferdinand de wekker die Ferdinand als eend-haan brodeloos maakt onklaar hebben gemaakt. Of: 'Een tragische dag’ als Babe ten onrechte wordt beschuldigd een schaap te hebben doodgebeten.
Maar de echte taal, waarin het verhaal van Babe zich voltrekt, is voorbehouden aan de werkelijk sprekende, echte dieren. In en met die taal leert het hoofdpersonage Babe de drie dingen waar de film uiteindelijk over gaat: initiatie, lot en hiërarchie. Hij wordt van een angstig biggetje tot een verantwoordelijk lid in de dierenwereld van de boerderij. Hij leert wie de baas is en hoe hij nog in zijn dwaze jeugd zit (met zijn vriend Ferdinand). En hij leert hoe een varken weliswaar nooit een herdershond kan worden, maar hoe hij heel eigen kwaliteiten heeft om iets tot stand te brengen.
De enige die het nakijken heeft, is de toeschouwer van de film. Die vraagt zich angstig af of dit allerliefste, naïeve maar ernstige en oprechte varkentje, dit wondertje van nieuwgierigheid, vriendschap en liefde, niet toch eens in de stoofpot zal belanden.