Zomerserie: Vroegere vrienden

In de trein terug

Hoe komen jongens erop om hun leven aan iets artistieks te wijden, is dat iets van hun generatie of juist een uitzondering? En waarom proberen ze hun werk zo puur mogelijk te houden? Op reis naar Wouter, terug in de tijd.

Medium vrienden peek

In 1995 is Bruce Springsteen in een New Yorkse studio voor opnamen van extra nummers voor een Greatest Hits-_album. Hij heeft hiervoor The E Street Band bij elkaar geroepen. Een korte reünie, meer niet. Uit de _liner notes: ‘It was good to see the guys.’ Een korte en laconieke zin, karig voor een gebeurtenis die meer zal hebben betekend dan een paar avonden in de studio met bier en herinneringen. Hij had de band in 1989 ontbonden, na een kleine twintig jaar van bezielende begeleiding op podia van Brynmawr tot Rotterdam. De avond voor de eerste opnamedag werkt Springsteen aan een nummer dat Blood Brothers zal heten, een wat schouderophalend en sentimenteel lied over de invloed van tijd en keuzes op vriendschappen. Het meest onthullend is het couplet over de angst voor het weerzien.

Now I don’t know how I feel, I don’t know how I feel tonight

If I’ve fallen ’neath the wheel, if I’ve lost or I gained sight

I don’t even know why, I don’t know why I made this call

Or if any of this matters any more after all

Mannenromantiek, pathetisch en versleten, maar dit zijn de dingen die ik voel wanneer ik op een donderdag in juni in de trein zit van Amsterdam naar Apeldoorn. Op weg naar een vriend die ik twintig jaar niet heb gezien. Een rit van een uur. In Apeldoorn ging ik naar de middelbare school, een stad die ik sindsdien achteloos noch vrijwillig bezoek. Maar nu wacht Wouter Loderichs daar op me.

Hij had een cd gemaakt, daardoor had ik hem in 2007 weer gevonden. Mijn oude vriend Wouter bleek dus toch muzikant geworden. De laatste keer dat we elkaar spraken was voor de (inmiddels verdwenen) Plato aan de Brinklaan. Het moet regenachtig zijn geweest, ik herinner me dat ik een paraplu bij me droeg. Ik was net begonnen met studeren in Leiden. Een toevallige ontmoeting, het afscheid is me bijgebleven, na de Plato liepen we nog even gelijk op, daarna moesten we allebei ergens anders heen.

Wood heet zijn debuutalbum, geproduceerd en uitgebracht in eigen beheer. Ik bestelde het via internet en kreeg een mail van Wouter terug. E-mail is nuttig voor voorzichtig herstel van contact en de afgelopen zes jaar stuurden we elkaar compacte berichten, probeerden we elkaars verjaardag te onthouden, lieten we weten wanneer we weer iets groots hadden afgerond. Ik heb hem mijn boeken gestuurd, hij mij zijn albums. Maar een ontmoeting, het kwam er niet van.

B4, brugklas nummer 4, september 1987. Er zaten wat meisjes van mijn basisschool in de klas, maar naast meisjes ging je toen niet zitten, dus voor dat eerste uur van die eerste dag koos ik ergens halverwege de rijen een plaats bij het raam. De jongen die naast me kwam zitten was ongeveer even lang als ik, had ook donkere ogen en donkerbruin haar. Hij inspecteerde mijn horloge (de volgende dag droeg ik een ander), mijn te nette broek (meer een pantalon, ook de laatste keer), maar het werd niet ongezellig. Tijdens het volgende uur zaten we weer naast elkaar en dat hele jaar zouden we samen van lokaal naar lokaal schuiven. Het was allemaal niet ingewikkeld, het ging automatisch.

De eerste keer dat ik bij hem thuis kwam, in Ugchelen, waren zijn ouders er niet. Ik vond dat machtig, een leeg huis. We hingen wat rond op straat, we trokken huzarenslaatjes uit een automaat van het plaatselijke ziekenhuis. Het was zonnig, natuurlijk was het zonnig. We hadden het over muziek en meisjes en van alles wat, ik voelde me niet geremd, dat weet ik nog.

Op een dag gingen we naar de Hubo waar Wouter een lange houten staaf aanwees en gedaan kreeg dat we deze gratis in twee gelijke stukken meekregen. We hadden de stokken nodig voor het schijngevecht dat we zouden choreograferen. Een overdaad aan kungfu-films had onze verbeelding aangewakkerd. Serieus en gedreven bedachten we slagen, blocks, manoeuvres en ontsnappingen, dan weer verloor de een zijn wapen, dan de ander. Voor de climax van het gevecht oefenden we lang op een bevredigende flying kick.

Zoals bij elke vriendschap waren er rollen om te verdelen, deelgebieden om in te nemen. Wouter was sociaal en avontuurlijk, ik was geestdriftig en eigengereid. Ik maakte altijd mijn huiswerk, wilde het uit de weg hebben, zodat ik mijn schaarse tijd aan dromen en twijfel kon besteden. Hij schreef mijn huiswerk over, de meer geijkte manier om ruimte te maken in de drukte van een jeugd. We konden samen lachen, bespotten dezelfde mensen. We waren verschillend, maar een natuurlijke match.

We deelden iets donkers en daarmee doel ik niet op zijn Indische vader en mijn Indonesische moeder. We hadden nog geen vocabulaire voor vragen van existentiële aard, voor somberheid, ennui, maar we bleken tolerant en kalm wanneer we tegenover elkaar iets van persoonlijke duisternis onthulden.

Ik wilde een gitaar, net als Elvis. Meer dan een lager-dan-middelmatige gitarist ben ik nooit geworden, maar toen Wouter het instrument op mijn blauwe zitzak ontdekte, woei hij de muziek binnen als een bosbrand. Chicago blues, The Boss – wij moesten ook elektrische gitaren. We jamden samen, zongen er soms bij, cassettebandjes met onze brekende stemmen, we moeten ze allebei nog ergens hebben. Muziek betekende voor Wouter zoveel meer dan de eenduidige vluchtheuvel die het voor mij was. Hij sloot zijn ogen tijdens het spelen, toen al.

We kochten altijd verjaardagscadeaus voor elkaar. Hij was op school niet mijn beste vriend, ook niet mijn intiemste, maar het was een vertrouwde en onvervangbare band. Ik heb van hem geleerd en hij kon me geweldig troosten als ik weer eens rondliep met een gebroken hart.

School klaar, bye bye Wouter. Zo gaat dat.

Jaren niets. Ik luisterde naar z’n cd’s – in 2010 verscheen zijn tweede, The Space without ­Anxiety – en probeerde die de leemtes in zijn biografie te laten vullen. De songs zijn heftig, dat is het beste woord ervoor. Wouter, samen met kompaan Elroy Hasselt, laat geen muzikale hoek ongemoeid, alles beweegt en broeit, steeds springt iets nieuws open, de sfeer is buiten­gewoon roezig. Tekstueel gaat het er al even ongeremd aan toe. Weinig werkelijk concreets, maar de implicaties van liefde en verlies, leven en verval dringen zich op, hier gooit iemand iets open zonder om te kijken. In het titel­nummer van The Space without Anxiety zingt hij de regels: ‘Come on down to suicide coast/ The view will take your breath away’. Meteen daarop opent een citaat van Charles Darwin (de laatste alinea van On the Origin of Species) het volgende nummer. Het is spannende, compromisloze muziek. Nog enkele titels: Easy Monster, Scream Holler, Flatline, Love’s on Waiting Time, Crash Bleed.

Hoe zou Wouter mijn boeken lezen?

Ik kreeg een verzoek om over een generatiegenoot te schrijven en was onmiddellijk gaan speuren naar een kunstenaar van mijn leeftijd wiens interesses en obsessies ik herken vanuit mijn eigen werk (ik was op documentaire­maker Joshua Oppenheimer gekomen, het stuk verblijft in mijn mentale archief). Lang heb ik gedraald om uiteindelijk de persoon te benaderen die me direct te binnen was geschoten.

Ik legde hem de kwestie voor per e-mail. Nadat ik een en ander wat had ingeleid, schreef ik dit: ‘Nu wil ik je vragen of ik je voor dat stuk binnenkort zou mogen interviewen, hoeft niet lang te duren, ik kan naar Apeldoorn komen. De deadline van het stuk is 1 juli, dus als je ergens volgende week even tijd zou hebben, dan zou dat great zijn. Maar mocht je denken, ik heb daar helemaal geen tijd voor of zin in (misschien ben je nu wel op reis/vakantie), no problem, zie maar, denk ’r maar even over na.’ Het zijn voorzichtige zinnen, ik probeerde alles open en makkelijk te houden, maar was al laat in juni en die deadline wilde ik vermeld hebben. Ik hoopte op momentum, op een doorbraak.

Wouter nam z’n tijd om na te denken. Hij antwoordde dat hij vereerd was, maar ook nieuwsgierig naar de strekking van het interview. Dit kreeg hij terug: ‘Het wordt waarschijnlijk zoiets als: hoe komen jongens als jij (en ik) erop om hun leven aan iets artistieks te wijden, is dat iets van onze generatie of is dat juist een uitzondering, en waarom proberen we ons werk zo puur mogelijk te houden? Was het toeval dat we op school vrienden waren? Dat soort dingen, denk ik. Whaddayasay?’

Twee dagen niets. Daarna zijn mail met een voorstel voor een dag.

Mijn moeder deed jaren geleden haar zaterdagse boodschappen in Apeldoorn toen zij toevallig Wouters moeder tegenkwam. Mijn moeder vroeg hoe het met Wouter ging. Zijn moeder antwoordde dat haar zoon ziek was geworden. Manisch depressief.

De trein rijdt het station binnen. Ik zie hem al in de verte staan. Ik probeer kalm te blijven. Ik ga een trap af en weer een trap op en daar staat hij en hij komt me tegemoet met uitgestrekte armen, we omhelzen, grijpen elkaar stevig vast. Daarna gelach, hoofdschudden, nervositeit en ongeloof, een onophoudelijk wederzijds geklop op schouders en armen. We besluiten snel dat alles onnoemlijk vreemd is, maar ook goed. Ik ben blij hem te zien. Hij pakt zijn fiets, we lopen de stad in, beginnen onmiddellijk met praten.

We hebben allebei beduidend langer haar dan toen, net als bij mij glimt bij Wouter het eerste grijs te voorschijn. We lopen en ­praten en wennen aan elkaar. Wouter is thuis in ­Apeldoorn. We slenteren door het centrum en hij groet mensen hier en daar, maakt af en toe een praatje, nog steeds een vlotte, aardige vent, denk ik dan, maar dergelijke gedachten moet ik bedwingen. Herinneringen zijn fictie, waterige dromen gestuurd door persoonlijke belangen. Te veel vroeger zou deze ontmoeting te zwaar kunnen maken. We arriveren bij een terras dat ik vaag herken. Het is tijd geworden voor bier.

Ik merk dat ik me inhoud om niet twintig jaar in een paar uur te proppen en vermoed dat hij hetzelfde ervaart. Maar onophoudelijk ­stellen we elkaar vragen en geven we antwoord. Hij wist na school niet wat hij wilde doen met zijn leven. Vanwege een overweldigende verliefdheid was hij in Amsterdam terecht­gekomen. Hij stond toen ingeschreven bij ­sociaal-culturele ­wetenschappen. Later woonde hij een tijd in Zwolle voor een studie journalistiek. Dat verrast me, en ik vraag hem waarom hij voor ­journalistiek had gekozen. Het kwam door de muziek, zegt hij, hij wilde artikelen voor Oor schrijven.

Ik had wat grote vragen in mijn Moleskine verzameld. Hoe noem je jezelf? Waarom? Burgerlijke stand? Bewust? Waarom? Hoe kijk je naar het verleden? Herinneringen? Dromen? Ik had veel regels onder deze vragen opengelaten, maar zo’n avond zal het niet worden. Wouter merkt dat ik geen aanstalten maak deze ontmoeting ter plekke vast te leggen op papier of schijf. Ik zeg dat deze ontmoeting het stuk is.

We hoeven weinig moeite te doen om een bepaalde mate van vertrouwdheid op te pakken. We kunnen nog steeds samen lachen.

Het gesprek komt op familie en we nemen alles in hoofdlijnen door. Zijn ouders zijn onlangs allebei verhuisd naar een verzorgingstehuis. Zijn moeder heeft moeite gekregen met herkenning en herinnering. Hij vertelt me een ontroerend verhaal over zijn vader die hem ooit eens twee weken lang van een afstand gevolgd heeft over de straten van Apeldoorn, vanwege een psychose dwaalde Wouter toen op blote voeten door de stad. Ik praat over mijn vader die vorig jaar is overleden, laat foto’s zien van mijn vrouw en dochter. Wouter zegt dat hij en zijn vriendin ook aan kinderen denken.

Shop talk, daar doen we ook aan. Waarschijnlijk klinken we enigszins aanstellerig voor de bezette tafels om ons heen, al dat gepraat over muziek en literatuur, en allemaal in een patois vol amerikanismen en geroofde filmtaal.

Maar dat is, naast het informeren naar vrouwen en gezinsleden, wat ons interesseert. Hoe maken we iets, hoe zijn we ergens op gekomen? Uit Wouters vragen blijkt dat hij mijn boeken kent en dat raakt me. Hij noemt namen van romanpersonages en daar word ik altijd ver­legen en vrolijk van. We lachen om de duisternis in elkaars werk en lachen dat we daarom moeten lachen.

Ik vraag wanneer hij gaat toeren. Hij zegt dat hij van optreden houdt, maar nog meer van dingen maken. Even eerder dit jaar beleefde hij een ‘episode’, een hoogconjunctuur in z’n gemoed, en op die golven heeft hij, begeleid door zijn vriendin Nathalie en zijn psychiater, in een maand tijd een complete cd opgenomen.

Het witbier is Guinness geworden, we eten er dikke hamburgers bij. Het gaat goed. We praten als gekken, maar blijven over het algemeen rustig, openhartig, we zijn gedachten en geschiedenis aan het uitwisselen, niet tegen elkaar aan het opbieden.

Wouter spot iemand op straat, een bassist die er even bij komt zitten. Hij heeft me dan al verteld dat hij ernaar uit kijkt om nog eens samen te jammen. Het legendarische Apeldoornse Bluescafé ligt om de hoek. Het is die avond open podium, aan de muur hangen gitaren die iedereen mag gebruiken. He’s gotta be fucking kidding me. Mijn elektrische gitaar (jij had toch die sunburst Strat?) heb ik jaren geleden ingeruild voor een akoestische, mijn vingers hebben de blues al tijden niet meer gevoeld. Ik besluit het niet serieus te nemen, hij probeert me te grazen te nemen, dat kan niet anders. Bovendien, ik heb niet veel tijd meer, de laatste trein vertrekt zo.

De Guinness helpt, de wodka daarna ook. We staan in het Bluescafé en ik kijk naar een gelegenheidsband die zich professioneel door enkele covers werkt. Wanneer ik even later op datzelfde podium een witte Stratocaster omhang, denk ik nog steeds dat ik het niet zal doen. Maar de bassist telt af, ik zie Wouter naar me grijnzen en de muziek begint. In A, godzijdank in A, ik weet nog waar ik moet zijn op de hals van mijn gitaar. Ik ben hopeloos aan het tokkelen, maar ik besef dat Wouter gelijk heeft. Dit is nodig, dit moeten we doen. Zonder dit zou er een gat zijn gebleven in ons gesprek.

Welke nummers we precies hebben mee­gespeeld heb ik niet meegekregen, ik had het te druk met verloren grepen en noten. Maar ik heb op een podium gestaan met een gitaar en Wouter weer met zijn ogen dicht zien spelen.

We vallen elkaar in de armen, benadrukken hoe belangrijk deze ontmoeting was. We doen vage beloften voor een volgende keer, in Amsterdam. Het heeft geen zin iets te forceren, het belangrijkste is gecommuniceerd: we zijn nog steeds vrienden. Ik ren naar mijn trein.

In de lege coupé noteer ik flarden van de avond, maar daar stop ik mee. Met dronken ogen kijk ik naar buiten. Ik weet niet waar ik aan denk.


Voor zijn laatste roman, Ik was Amerika, ontving Gustaaf Peek (1975) zowel de F. Bordewijkprijs als de BNG Nieuwe Literatuurprijs


VROEGERE VRIENDEN

De Groene vroeg vijf schrijvers terug te keren naar hun jongere jaren en te reflecteren op wie hun beste vrienden waren, en hoe ze die uit het oog verloren. In reportage, memoir of essay gaan Gustaaf Peek, P.F. Thomése, Yannick Dangre, Shira Keller en Philip Huff op zoek naar hun vertrouweling van weleer.