Het Internationaal Film Festival Rotterdam (2)

In de troost van tijd 2046 van Wong Kar-wai

Onmogelijk mooie mensen die naar elkaar staren in een onmogelijk mooie setting, minuten lang op de maat van de cha-cha-cha, met rook die naar het plafond dwarrelt; Tony Leung met een dun snorretje, cool als Clark Gable, schalks lachend; de fantastische Faye Wong, die vol erotiek en onschuld aan hem vraagt hoe je een kungfuroman schrijft (een kungfuroman!); Gong Li, wereldwijs en met lippen mysterieus besmeurd met lipstick; de eenzame achterbank van een taxi, in korrelig zwart-wit, met de gezichtsuitdrukking van de man die er zit, die weet dat zijn leven voorbij is, dat de zoete zin een bittere waarheid bevat: «Alle herinneringen zijn sporen van tranen.»

Tegen het einde van 2046, de nieuwe film van de Hongkongse regisseur Wong Kar-wai, verschijnt de zin op het zwarte scherm. Dat idee van tijd in de vorm van tranen die wegvloeien, raakt de kern van het werk. 2046 is een film over tijd. En het is een werk waarin de regisseur een melancholieke wereld creëert waarin beelden een sensuele tekstuur hebben, zodat scènes zich inbranden op het netvlies van de kijker. Dat is niet erg. 2046 is een film waarvan je wenst dat hij nooit ophoudt. En misschien houdt hij ook nooit op, want hij is al zo lang geleden begonnen, in 1925 als het ware, op het moment dat Jay Gatsby in F. Scott Fitzgeralds roman The Great Gatsby zegt: «Het verleden niet herhalen? Nou, natuurlijk kan dat!»

Wat een idee: het verleden overdoen. Hoe maakbaar is het leven eigenlijk? Een moderne versie van Gatsby is de journalist Chow (Tony Leung), hoofdpersonage in Wong Kar-wai’s In the Mood for Love (2000), die nu terugkeert in 2046. Net als Gatsby, die probeert de liefde te hervinden die ooit bestond tussen hem en Daisy, denkt Chow dat hij kan spelen met de potente mix van tijd en liefde. Chow gokt dat hij verloren herinneringen kan terughalen door erover te fantaseren.

De film zelf is een spel met tijd en een confrontatie met het creatieve proces. Het scheppen van het werk was voor Wong Kar-wai niet gemakkelijk. De film zou aanvankelijk puur sciencefiction zijn. Uiteindelijk blijkt dit deel van het verhaal slechts metaforische betekenis te hebben. In de roman die Chow schrijft, is 2046 een plaats in de toekomst waar niets ooit verandert. En dat is de rode draad: Wong Kar-wai is met al zijn films gewikkeld in een strijd tegen tijd. 2046 is een soort vervolg op het nostalgische In the Mood for Love, waarin dezelfde Chow verliefd raakt op de gehuwde Su Li-zhen (Maggie Cheung). Chow keert terug in 2046, maar weinig in het verhaal lijkt direct te verwijzen naar zijn afgebroken relatie met Su Li-zhen. Hij is nog steeds een schrijver, maar nu kent zijn leven geforceerde frivoliteit. Hij heeft diverse relaties, met onder anderen Gong Li, en met een prostituee, Bai Ling (Ziyi Zhang), die hem een kans op verlossing biedt, een kans om de verloren liefde te herwinnen en zo zijn ziel te redden.

Het is alsof Wong Kar-wai zich zijn leven lang heeft voorbereid op deze ene film, die handelt over zo veel dingen, over melancholie en verlies, passie en ingetogenheid en de doodsheid van artistieke leegte. Die thematiek komt ook aan de orde in eerder werk, van het verrukkelijke As Tears Go By (1988), het magistrale Days of Being Wild (1991) en het kungfu-epos Ashes of Time (1994), tot het latere werk: het frenetieke Chungking Express (1994), het wonderschone Fallen Angels (1995) en In the Mood for Love, het mooiste liefdesverhaal sinds Shakespeare.

Dit oeuvre bewijst dat het nu de tijd is van Wong Kar-wai, zoals het vroeger de tijd was van Welles, Godard of Hitchcock. Net als alle grote meesters heeft Wong Kar-wai ook iets dubieus: zijn obsessie met het verleden en de rol die film als verhalend medium zou kunnen spelen in het tot leven wekken van de geschiedenis. Je zou kunnen zeggen dat het bepaald niet progressief is als de regisseur en zijn hoofdpersonage zich wentelen in het soelaas dat tijd biedt in de vorm van herinnering. Maar er is iets anders aan de hand, iets donkerders, iets wat begint en eindigt bij Jay Gatsby, per slot van rekening een tragische figuur, een slachtoffer van het proces dat de verteller aan het eind van Fitzgeralds roman omschrijft: «So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past.» Welbeschouwd gaat het hier om een gevaarlijke realiteit: de mens is gedoemd zich het verleden te herinneren. Dat is de echte horror van het leven. En hierin ligt de betekenis van de doodsheid in de ogen van Chow op de achterbank van een taxi in zwart-wit, een auto die hem als de bootjes van Fitzgerald terugbrengt naar het verleden, de tijd die niet meer bestaat, toen hij verliefd was op Su Li-zhen maar haar niet kon hebben. Wat heeft hij nu? Een onmogelijk mooi leven in de troost van tijd.