Het werk van Alexis de Tocqueville

In de verkeerde voetsporen

De «gewone politicus» Frits Bolkestein heeft het niet zo op met intellectuelen. Hij gaat hun kwalijke invloed door de eeuwen heen optekenen in een boek. Hij zou er goed aan doen eerst even Alexis de Tocqueville te lezen

Frits Bolkestein is van plan een boek te schrijven over de verderfelijke invloed van intellectuelen — vooral linkse — door de eeuwen heen. Het moet na zijn afscheid als eurocommissaris gebeuren. In een recent interview maakte hij opnieuw gewag van wat inmiddels al Het Boek van Frits is gaan heten. De zelfverklaarde «gewone politicus» Bolkestein («Ik ben geen intellectueel») mag bij het schrijven beslist niet L’ancien régime et la révolution (1856) van de politiek filosoof en politicus Alexis de Tocqueville overslaan. Vorige maand verscheen bij uitgeverij Agora een selectie in Nederlandse vertaling onder de titel Democratie: wezen en oorsprong.

Tocqueville (1805-1859) geeft in L’ancien régime een scherpzinnige analyse van de krachten die uiteindelijk uitmondden in de Franse Revolutie. En passant beschrijft hij het inmiddels al te vaak doorlopen proces waarbij onschuldige en goedbedoelde ideeën radicaliseren, massale aanhang verwerven en ten slotte de meest moorddadige regimes legitimeren. Politici en intellectuelen, zo is de les, moeten zich daarbij nog eens goed achter de oren krabben.

Tocqueville publiceerde het eerste boek van L’ancien régime et la révolution (het tweede bleef onvoltooid) na een lange en veelzijdige carrière in de Franse politiek. Hij was afgevaardigde tijdens de Julimonarchie, lid van de Constituante van 1848 en korte tijd minister van Buitenlandse Zaken tijdens de onfortuinlijke Tweede Republiek (1848-1852). Zijn politieke loopbaan eindigde abrupt met de machtsgreep van Louis Napoleon Bonaparte in 1852. Verdreven uit het openbare leven en geconfronteerd met de serie revoluties en coups d’état die de eerste helft van de negentiende eeuw kenmerkte, kon Tocqueville niet anders dan concluderen dat zijn levenslange ideaal van ordelijke vrijheid in Frankrijk onuitvoerbaar was.

Om te onderzoeken hoe die vrijheid te combineren viel met de moderne gelijkheid was hij eerder naar Amerika gereisd. Daar over schreef hij het boek De la démocratie en Amérique. Voor L’ancien régime et la révolution maakte Tocqueville opnieuw een reis, dit keer in de tijd, omdat hij ervan overtuigd was dat hij daar de oorzaken van de politieke crisis van zijn tijd kon vinden. In de archieven van Île-de-France en Tours — twee bestuurlijke dis tricten van de oude monarchie — ging hij op zoek naar de geest waarin de instituties uit de prerevolutionaire tijd hadden gefunctioneerd.

Volgens Tocqueville waren er in prerevolutionair Frankrijk twee met elkaar samenhangende tendensen te ontwaren: een die ertoe leidde dat de Fransen steeds meer op elkaar waren gaan lijken; een andere die tot gevolg had dat de politieke macht zich geleidelijk samentrok in één orgaan: de gecentraliseerde staat. Drijvende kracht hierachter bleek de Franse monarchie. Op slinkse wijze had zij de middenklasse in de steden en de adel op het platteland tegen elkaar uitgespeeld. Tegelijk trokken de vertegenwoordigers van de koninklijke bureaucratie meer en meer bestuurstaken naar zich toe met als gevolg dat de moeurs libres — de zeden en gewoonten die aan de basis stonden van de kunst van het onafhankelijk zelfbestuur — geleidelijk uit de samenleving waren verdwenen. Van een volk van staatsburgers was Frankrijk tegen het midden van de achttiende eeuw verworden tot een peuple d’admini strés, een volk van geadministreerden.

Interessant voor Bolkestein wordt het wanneer Tocqueville komt te spreken over de intellectuelen van de achttiende eeuw, de hommes des lettres en hun positie in de samenleving. Het ging hier overigens niet zomaar om een stelletje schrijvers, maar om een generatie uitzonderlijk briljante geesten: philosophes als Helvetius, Condorcet, Diderot, D’Alembert, Voltaire en Rousseau.

Waar hun Duitse collega’s zich voornamelijk bezighielden met vraagstukken van zuivere filosofie waren de achttiende-eeuwse hommes des lettres vooral geïnteresseerd in politieke kwesties. Hun traktaten en pamfletten hadden de oorsprong van de menselijke samenleving tot onderwerp, of de spanning tussen de «natuurlijke» en de «kunstmatige» mens, de vroegste herkomst van burgerrechten en autoriteit, enzovoort.

Geen kleine vragen dus. Zo oefende Rousseau nog eeuwenlang invloed uit met zijn antwoorden op de vraag of er in de burgerlijke orde zoiets als een rechtmatige grondregel van overheidsgezag kan bestaan. Het politieke programma waar dit in uitmondde (Tocqueville muntte hier de term «literaire politiek») was uiterst radicaal: het beoogde het onontwarbare complex van overgeleverde wetten en gewoonten te vervangen door simpele elementaire regels die waren afgeleid van de menselijke rede en het natuurrecht. Tocqueville bestookte grote schrijvers met grote vragen.

Tot zo ver weinig nieuws onder de zon, zal Bolkestein denken. Het ging hier om typische staaltjes intellectuelen-hybris, en Tocquevilles kritische bespreking ervan bevestigt zijn welverdiende plaats in het liberale Pantheon. Tocqueville zou het zoveelste argument leveren voor de stelling dat intellectuelen zich verre moeten houden van een oordeel over politiek. Maar dan heeft Bolkestein buiten de waard gerekend, want Tocqueville, zo blijkt, neemt geen genoegen met het beschrijven van symptomen: hij is op zoek naar een verklaring, naar oorzaken. In een aantal zorgvuldig opgebouwde hoofdstukken maakt hij, in een even compacte als briljante stijl, duidelijk dat het radicaliseren van de hommes des lettres geenszins te wijten was aan intellectuele hoogmoed, maar juist verklaard diende te worden vanuit de opmerkelijke kloof die in de Franse samenleving was gegroeid tussen het bedrijven van politiek en het denken erover.

De centralisatie was hier volgens Tocqueville schuldig aan. Die had de bevolking geleidelijk afgesneden van de macht, een proces dat halverwege de achttiende eeuw was voltooid. Er was de wereld van het openbaar bestuur, inefficiënt, corrupt, door financiële problemen achtervolgd, steeds dieper verstrikt in een woud van overgeleverde rechten en privileges, met de vertegenwoordigers van de koninklijke bureaucratie als de machthebbers. En er was de rest van de bevolking, zonder macht, maar aangevoerd door de denkers die de publieke opinie domineerden. Die denkers misten ten enenmale een reality check, ofwel ervaring met de bestuurspraktijk van de duizend jaar oude monarchie. Zonder enige wereldlijke macht waanden ze zich intellectueel oppermachtig. En terwijl de bestaande sociale en politieke orde hen steeds absurder en onrechtvaardiger toescheen, volhardden de hommes des lettres in hun abstracte speculaties. Niet het denken per se, maar het denken zonder enige wereldlijke macht creëerde een uiteindelijk levensgevaarlijk revolutionair Utopia, waar grote delen van de bevolking in werden meegesleurd.

Wanneer het werkelijk misgaat, in 1789, zegt Tocqueville daarover: «Dat wat een verdienste bij een schrijver is, kan evenzogoed een ondeugd bij een staatsman zijn.» En: «Die zaken die aan de basis staan van grote literatuur, kunnen leiden tot catastrofale revoluties.» Hoe het afliep is bekend: de droom van de tabula rasa mondde uit in de gruwelen van de terreur, gevolgd door de anarchie van Thermidor, de roep om een sterke man en Napoleons despotische staat. In de revoluties die volgden, van 1830 en 1848, plaatsten de Fransen, zo stelde Tocqueville verbitterd vast, «het hoofd van de Vrijheid op het lichaam van een slaaf». Het hoofd zelf was het probleem niet, zo benadrukte Tocqueville; het probleem was het lichaam, de administratieve en politieke structuur waarop alles in Frankrijk uiteindelijk was vastgedraaid.

Natuurlijk raken intellectuelen soms beneveld door hun eigen ideeën. Maar Tocqueville laat in L’ancien régime et la révolution overtuigend zien dat dit eerder een symptoom is van een disfunctioneel politiek systeem dan een direct gevolg van intellectuele hoogmoed. Bovendien hebben intellectuelen niet het alleenrecht op verblinding, zoals de in 1997 overleden historicus François Furet uiteenzette in zijn geruchtmakende boek over het twintigste-eeuwse communisme, Le passé d’une illusion. Het gaat pas serieus mis wanneer eenmaal doorgeradicaliseerde ideeën aanhang verwerven onder grote delen van de bevolking. Dat gebeurt meestal pas, zo is de les die Bolkestein van Tocqueville zou kunnen leren, wanneer de politieke orde hopeloos is vastgelopen en er op grote schaal corruptie plaatsvindt, er sprake is van zware vormen van rechtsongelijkheid, van politieke onderdrukking en economisch wanbeleid.

Wie de zaak zo voorstelt ziet een aantal opmerkelijke historische parallellen. Denk bijvoorbeeld aan het Rusland van Nicolaas I, briljant geanalyseerd door Isaiah Berlin. Na de revolutie van 1848 worden het land en de staat hermetisch afgesloten, wat een enorme radicalisering van de op het Westen georiënteerde liberalen in de hand werkte — thema van Dostojevski’s roman Boze geesten. Uiteindelijk volgde de revolutie van 1917. Of neem meer recent de falende staten van het Midden-Oosten, autocratische en corrupte regimes waar de bevolking crepeert en de frustratie een uitweg zoekt in de religieus geladen haat tegen de ongrijpbare tiran van het consumentisme, lees: de Verenigde Staten.

Het is waar. Het denken brengt een eigen verantwoordelijkheid met zich mee die de intellectueel niet altijd neemt. Politici beleven hun verantwoordelijkheden nadrukkelijker, al was het maar omdat de kiezer ze eraan herinnert. Maar politici en intellectuelen leven niet in gescheiden werelden. Hun bestaan en hun activiteiten zijn complementair. Tocqueville wijst zelf steeds op de Engelse samenleving, die in de afgelopen paar honderd jaar inderdaad geen grote revolutie meer heeft gekend. Zoals zovelen kijkt Tocqueville met een mengeling van bewondering en weerzin naar de denkers van de achttiende eeuw en de mannen die de Franse Revolutie hadden ontketend. Een groot deel van zijn familie had de guillotines van de terreur niet overleefd. In deze wetenschap stelt hij niettemin dat de «zelfverzekerde arrogantie die hen (de mannen die de Revolutie hadden ingeluid) eigen was en die regelmatig leidt tot de meest catastrofale revoluties» nodig was om te voorkomen dat een volk niets anders rest dan onderhorigheid. Het was hun «gepassioneerde idealisme dat hun zelfzuchtigheid beteugelde, hen tot heroïsche daden en altruïstische offers aanzette en hen ongevoelig maakte voor het materiële welzijn dat tegenwoordig zo veel voor ons betekent».

Ja, geachte eurocommissaris, dat schrijft die grote liberaal echt. In een essay in Vrij Nederland wenst Bolkestein de intellectuelen politieke, ofwel praktische wijsheid. Toch valt in naam van Tocqueville te hopen dat dit niet volledig ten koste gaat van het jeugdige en thousiasme en het naïeve geloof in menselijk kunnen die juist noodzakelijk zijn om de politiek van nieuwe impulsen te blijven voorzien.