Groeten uit Tsjernobyl!

In de vervreemdingszone

Eerst kwamen de wetenschappers, toen de journalisten, inmiddels ook toeristen. Tsjernobyl is nog steeds niet gemakkelijk bereikbaar, maar wie een paar honderd euro over heeft, kan een bizar uitstapje maken: een daytrip naar Tsjernobyl.

EEN MOBIELE BETAALTERMINAL. Zo heet het ding officieel dat Sergei in het centrum van Kiev uit het handschoenenvakje van zijn dure Audi haalt. Het is zo’n geval dat treinconducteurs bij zich hebben. We staan dwars op de stoep geparkeerd, tussen sneeuwhopen, passerende voetgangers en dure fourwheeldrives. Kiev is een typisch voorbeeld van een doorgedraaide boom town in Oost-Europa waar mensen met een goed idee grof geld kunnen verdienen. Zoals Sergei van Solo East Travel, een reisbureautje dat reizen naar Tsjernobyl verkoopt. ‘Betaal je met creditcard of in euro’s?’ vraagt hij. Aleksander uit Polen doet een beetje moeilijk: hij wil in ponden betalen. ‘Ik ga nog naar Engeland, daarom heb ik vooral ponden mee.’ Sergei belt met zijn kantoor; de Engelse ponden zijn in orde. Daarna stappen we over in een wachtend busje. ‘Hi, I’m Jack’, zegt Jack. Hij komt uit de Verenigde Staten en is eigenlijk voor een workshop in Oekraïne. Verder zijn er nog Ann en Frank uit Rochester. Ze zijn een weekje op vakantie. In februari. In Kiev.
Terwijl we langs ijsvissers op de bevroren Dnjepr rijden en de miljoenenstad achter ons laten, vertelt Aleksander uit Warschau over zijn ervaringen in Kiev tot nu toe. ‘Geweldige stad. Warschau is vergeleken bij Kiev een dorp.’ Aleksander, 25 jaar, studeert journalistiek. Hij heeft een rood gezicht en een drankkegel: afgelopen nacht heeft hij slechts twee uur geslapen. ‘We hadden feest in ons hostel. Fantastische plek.’ Hij is al een week in Kiev. ‘Wizzair heeft een nieuwe verbinding tussen Katowice en Kiev geopend. Ik ben voor vijf euro gevlogen.’ Hij wil naar Tsjernobyl, omdat ‘er enkele plekken op deze aarde zijn waar je geweest moet zijn’. Daar hoort Tsjernobyl zeker bij.
Voorin zit Jack de Amerikaan. In zijn hand houdt hij een felgeel apparaatje, een geigerteller. Jack begint een uitgebreid verhaal over, bèta- en gammastralen. ‘Ik ben benieuwd welke waarden we vandaag bereiken’, zegt Jack.

TWEE UUR LANG scheuren we door een mistig laagland in noordelijke richting. Sneeuwhopen liggen op de akkers. De weg wordt steeds leger naarmate we Tsjernobyl dichter naderen. We zijn niet ver meer van de Wit-Russische grens verwijderd. Acht kilometer voor het begin van ‘de zone’ staat op een witte sneeuwvlakte een bushokje met daarin een Oekraïener. ‘Hi, I’m Dennis’, zegt hij even later. Hij werkt als gids voor ‘Chornobylinterinform’, een staatsorganisatie die de bezoeken aan Tsjernobyl coördineert. Dennis klinkt leuk, maar wat is zijn Oekraïense naam? Hij steekt een peuk op. ‘Just call me Dennis.’
Een slagboom doemt op uit de mist. Links en rechts van de weg verspert een gazen hekwerk de verdere doorgang. Naast de slagboom staat een wachthuisje met daarin soldaten. Ervoor ligt een lege wodkafles in de sneeuw. Rechts van het wachthuisje staat een groot geel bord, met daarop het radioactiviteit-teken en een overzichtskaart. Hier begint de ‘vervreemdingszone’, zoals het gebied met een straal van ongeveer dertig kilometer rond Tsjernobyl officieel heet. Hier ontplofte op 26 april 1986 met een enorme knal reactorblok 4, de grootste milieuramp in de geschiedenis. ‘We zijn nu bij het dorp Dyiatkin’, vertelt Dennis. ‘Vanaf hier mag niemand zonder toestemming de zone in. We rijden nu naar Tsjernobyl.’ Eenmaal voorbij de slagboom rijden we door niemandsland. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt de bezoeker: ik behoor hier niet te zijn. Links en rechts van de weg staan naaldbomen. Ze zien er net zo uit als de naaldbomen twee kilometer terug, aan de andere kant van het hek. Het is stil. Dan rijden we langs een dorp, dat rechts van de weg tussen de bomen verscholen ligt. ‘Dat is Zalissya. Daar woonden vroeger drieduizend mensen’, zegt Dennis. Alle huizen zijn verlaten. Sommige staan op instorten, de meeste worden door bomen overwoekerd. Nog twee kilometer. Voor ons doemt een stad op: Tsjernobyl.
Links van de weg staat in grote Cyrillische letters het magische woord in steen aangegeven. Jack, Alexander, Frank en Ann maken foto’s voor het nageslacht. ‘Zouden ze hier ook Hardrock café Chernobyl-T-shirts verkopen?’ vraagt Jack. Vreemd genoeg is het stadje, dat op ongeveer tien kilometer van de geëxplodeerde reactor ligt, niet geheel verlaten. ‘Er wonen ongeveer vierduizend mensen in Tsjernobyl’, vertelt Dennis. ‘Ze werken in verschillende bedrijven. Alles wat ze nodig hebben komt van buiten de zone. Alleen hun brood bakken ze hier zelf. De inwoners zijn hier van maandag tot en met donderdag. Dan gaan ze weer terug. Velen wonen in Kiev. Kinderen mogen hier niet wonen.’
Tsjernobyl heeft iets postapocalyptisch. Naast leegstaande, in elkaar zakkende huizen zijn her en der sporen van leven te zien. Aan de gevel van het voormalige postkantoor blinkt een digitaal informatiebord, dat constant de radioactieve straling meet. ‘Als de straling te hoog wordt, gaat er een alarm af’, volgens Dennis. ‘De laatste keer gebeurde dat in 2003.’ Vlakbij staat een standbeeld van Lenin. Aleksander maakt aanstalten het standbeeld te fotograferen. ‘Nee’, zegt Dennis. ‘Dat is verboden.’ Aleksander begrijpt het niet: ‘In Kiev staan ook beelden van Lenin en die mag je fotograferen.’ ‘Hier niet’, zegt Dennis. ‘De geheime dienst heeft haar kantoor achter het standbeeld.’

VOOR HET INFORMATIECENTRUM van Chornobylinterinform staat een vrachtwagen. Mannen in camouflagepakken dragen grote stukken vlees vanaf de laadklep het gebouw binnen. ‘Niet fotograferen’, zegt Dennis. Binnen hangt een Oost-Europese rodekoollucht. Op de bovenverdieping, in een ontvangstruimte met vergeelde vitrage, ouderwetse bioscoop-klapstoeltjes en zware gietijzeren radiatoren, moet iedere bezoeker een formulier tekenen. ‘Oekraïne is niet aansprakelijk in geval van verslechtering van uw gezondheid na een bezoek aan Tsjernobyl’, staat er op het blad.
Aan de muur hangen tientallen foto’s van de ramp in Tsjernobyl. Op een van de afbeeldingen staat een enorm rendier. Op een andere foto is een eindeloze rij vrachtwagens, helikopters, ziekenauto’s en bussen te zien. Het is het zogenaamd transportkerkhof. Meer dan tweeduizend voertuigen die bij de evacuatie van ‘de zone’ kort na de catastrofe en bij de blus- en opruimactiviteiten werden benut, staan op een veld buiten Tsjernobyl weg te roesten. Sinds enkele jaren mag niemand er meer naartoe, omdat de voertuigen een te hoge straling hebben. Om bezoekers niet helemaal teleur te stellen, zijn enkele voertuigen op een veldje achter het informatiebureau tentoongesteld. Een bizar uitziende tank staat naast een oude vrachtwagen. ‘Is dat een op kolen gestookte tank?’ vraagt Jack. ‘Nee, het is een amfibievoertuig’, zo verklaart Dennis de eigenaardige, ruim drie meter hoge pijp op de tank. ‘Kom niet te dichtbij, ze stralen nogal.’ Jack haalt zijn geigerteller te voorschijn. Licht piepend schiet het metertje omhoog. Dennis, onze gids, heeft ook een geigerteller, een grijze. Geeft die hetzelfde aan? ‘Weet ik niet. Ik moet nog batterijen kopen.’
We rijden langs een aftands, leegstaand flatblok. Of toch niet? Binnen is een winkeltje, volgens Dennis. ‘We stoppen hier even. Wie wil, kan iets te eten kopen. Water. Of sigaretten.’ Binnen verkoopt Jelina Powsonawskaya alles wat de gemiddelde Tsjernobyler zoal nodig heeft: tandpasta, aardappelen, bieten, snickers en bier. Is de verkoopster niet bang voor de verhoogde straling? ‘Nee, dat is ze niet’, zegt Dennis. Ik adviseer hem om eerst even de verkoopster te vragen, voordat hij antwoord geeft. Dennis had het echter goed geraden. ‘We worden twee keer per jaar medisch gecontroleerd. En we wonen hier ook niet het hele jaar, doordeweeks alleen van maandag tot en met donderdag.’ In de zone komen heel veel wilde beesten voor, wordt er wel eens op gejaagd? ‘Nee, dat is verboden, daarvoor ga je vier jaar de gevangenis in’, vertelt Dennis. De verkoopster ziet het anders: ‘Ja hoor, we jagen wel eens. En we vissen.’ Volgens geruchten zwemmen er zeewolven van twee meter in de rivieren rond Tsjernobyl. De verkoopster bevestigt dat er veel wild is: ‘’s Nachts lopen hier gigantische wilde varkens tussen de flatgebouwen. We voeren ze met brood.’
Even voorbij het monument voor de gevallen brandweerlieden van Tsjernobyl staat de tweede controlepost met slagboom. Nu wordt het echt menens. We rijden de tien-kilometerzone binnen, het gebied dat het zwaarst getroffen werd door de nucleaire explosie in 1986. In hoog tempo rijden we over de besneeuwde weg die ons naar het reactorcomplex leidt. Rechts van de weg verschijnen twee blokken in aanbouw. ‘Dat zijn reactoren 5 en 6’, zegt Dennis. ‘Ze waren bijna klaar toen reactor 4 de lucht in vloog. Oorspronkelijk was het de bedoeling hier twaalf reactoren te bouwen.’ Langs de weg ligt een bevroren, kunstmatig aangelegd koelwatermeer, dat niet met de rivieren in de buurt in verbinding staat. Dan verschijnt in de verte een tweede, gigantisch complex. Het zijn reactor 3 en de beruchte reactor 4. ‘Vanaf hier kunnen jullie foto’s nemen’, zegt Dennis. ‘Verderop mag het niet meer. Nationale veiligheidsvoorschriften.’ Aleksander sputtert tegen. ‘Vanaf hier is toch niets te zien! Wat heb ik hier nou aan!’ Jack legt zijn geigerteller in de sneeuw. ‘Doe dat maar niet’, zegt Dennis. ‘De meeste straling zit in de bovenste grondlaag. Alles raakt bestraald.’ De meter van Jacks geigerteller schiet omhoog.

DAN GAAT HET VERDER naar het reactorblok. We rijden om het gigantische complex van kantoorgebouwen, pijpleidingen, koelwatersystemen en gascentrales heen. Elke menselijke maat is hier verdwenen. De meeste gebouwen zijn verlaten, hoewel elke dag drieduizend arbeiders aan het reactorcomplex werken. De sarcofaag uit beton die op de geëxplodeerde koepel is gebouwd, vormt steeds scheurtjes en moet gereconstrueerd worden.
Aan de achterkant van reactor 4 staat een monument voor de slachtoffers van Tsjernobyl. ‘To those who protected the world from nuclear disaster’, is de eigenaardige tekst die in het grijze graniet is gegraveerd. Dichter dan tot op tweehonderd meter komen we niet bij de reactor. Dat is maar goed ook, want met elke stap in de richting van de geëxplodeerde reactor piept de geigerteller verder omhoog. 5,78, 6,18, tot meer dan 11. ‘Dit is twee keer je maximale dagelijkse dosis aan straling’, zegt Jack. Frank haalt een oranje balletje uit zijn jaszak. Op het moment dat hij erin knijpt, verandert het balletje van kleur en wordt het gifgroen. ‘Aaarghh! Dit is wat er hier met je gebeurt’, zegt hij tegen zijn vriendin. Aleksander pakt zijn camera. ‘Vooruit dan’, zegt Dennis. ‘Alleen foto’s in die richting.’
Onder een enorm afdak zijn arbeiders op steigers bezig de sarcofaag te verstevigen. ‘Ze hebben speciale pakken aan’, zegt Dennis. ‘Afhankelijk van de straling mogen ze twee tot vijf minuten boven werken. Daarna moeten ze meteen weer weg.’ Het is de bedoeling om reactorblok 4 van een compleet nieuwe sarcofaag te voorzien. Om de stralingsgevaren voor de arbeiders zo veel mogelijk te beperken, wordt de nieuwe betonnen kap enkele honderden meters van zijn eindbestemming gebouwd. Wanneer hij klaar is, wordt hij naar zijn eigenlijke locatie gerold.

VANAF DE REACTOR gaat het verder richting Pripjat. In de verte doemt het rode bos op. Dat heet zo, omdat de bomen in de jaren na de ramp rood uitsloegen door de radioactieve straling. Ze zijn allemaal compleet onder de aarde gebulldozerd. Inmiddels staan er nieuwe bomen, sommige lijken opnieuw rood uit te slaan. De straling is hier onverminderd hoog. Jack houdt zijn geigerteller tegen het raam van ons voorbijschietende busje. Piep, piep, piep.
Pripjat, een socialistische modelstad, werd in 1970 gebouwd. Op het moment van de kernexplosie woonden hier 45.000 mensen. Bij de ingang van de spookstad duwt een soldaat een slagboom omhoog. Langs de verlaten Leninprospekt staan flatgebouwen van zes verdiepingen hoog. We rijden naar het centrale plein van de stad. In de sneeuw zijn wolvensporen te zien. Achter het plein staat een vervallen botsautobaan. De autotootjes zijn verroest, maar staan op de baan alsof de bestuurders zojuist weggerend zijn. Honderd meter verderop staat een geel reuzenrad. ‘Nooit gebruikt’, vertelt Dennis. ‘Het was allemaal opgebouwd voor het 1 mei-feest in 1986, vijf dagen na de explosie.’
Dennis loopt een eindje verder en begint in de sneeuw te wroeten. ‘Ik wil jullie iets laten zien.’ Onder de sneeuw verschijnt donkergroen mos. Hij legt zijn geigerteller op het mos. De meter schiet krakend en piepend omhoog. ‘De planten nemen veel radioactiviteit op. Daarom moet je die niet eten.’
Op het centrale plein is de ingang van het voormalige stadshotel volledig verdwenen. In wat ooit de hotellobby was, liggen gastenboeken op het puin op de grond. Nog een paar jaar en deze boeken zijn in de vochtigheid vergaan. Sneeuw is naar binnen gewaaid. Het trappenhuis is bezaaid met glas. Op de achtste verdieping zijn de ramen verdwenen. Op het balkon groeit een boompje tussen de tegels. Het uitzicht is ademberovend. Flat na flat staat in de sneeuw te vervallen. Aan de grijze horizon verdwijnen tienduizenden vierkante kilometers radioactief bestraald bos en voormalig akkerland in de mist. Ergens in de verte wonen een paar ouden van dagen die zich niets van het terugkeerverbod naar de vervreemdingszone hebben aangetrokken en in de wildernis in hun vervallen huisjes zijn getrokken, afgesloten van de rest van de wereld.
Het voormalige cultuurhuis, in de diepte naast het hotel, staat leeg. Achter het hotel is het gele reuzenrad te zien. Jack is ook boven aangekomen. Hij verbreekt de spookachtige stilte. ‘Het lijkt wel of hier een kernbom is ontploft.’


DE KERNRAMP VAN TSJERNOBYL
In de nacht van 26 april 1986 explodeert kernreactorblok 4 in Tsjernobyl. Minstens veertien ton radioactief uranium komt vrij, ongeveer vierhonderd keer de hoeveelheid van de bommen die op Hiroshima werden geworpen. Een gigantische nucleaire wolk waait in noordwestelijke richting over Wit-Rusland en komt twee dagen later in Zweden aan, waar de verhoogde radioactiviteit geregistreerd wordt. Nadat de Sovjet-Unie heeft toegegeven dat er een ramp heeft plaatsgevonden, ontruimen de autoriteiten de regio rond de centrale. Binnen tien dagen moeten 135.000 mensen hun woningen voor eeuwig verlaten. Als direct gevolg van de explosie komen twee mensen om het leven. Van de reddingswerkers sterven er 29. Volgens een onderzoek van de Groene Fractie in het Europees Parlement sterven vermoedelijk dertig- tot zestigduizend mensen aan kanker als gevolg van de ramp. Na de explosie wordt de brandende reactor dichtgegooid met zand, klei en lood. Vervolgens wordt een overkapping gebouwd, die echter instabiel is en constant scheuren vertoont. Momenteel bouwt een Franse firma een nieuwe sarcofaag. Het bouwwerk, dat meer dan een miljard euro kost, moet in 2012 over de oude overkapping heen geplaatst worden.