In de voetsporen van de onzichtbare man

Michael Thomas
Man gaat neer
Vertaald door Otto Biersma en Paul Bruijn
Anthos, 454 blz., € 22,95

Het Amerikaanse woord hype kent vele betekenissen: truc, rotgeintje, list, drugsverslaafde, injectie, opgeklopte reclamecampagne. De uitgeversactie van Grove Atlantic om een boek – in dit geval het romandebuut Man Gone Down van Michael Thomas (1967) – nadrukkelijk onder de aandacht van recensenten en lezers te brengen lijkt al deze betekenissen bij elkaar te brengen. Ik las het boek, was niet onder de indruk en vond het vreemd dat critici in Amerika en Nederland nauwelijks ingingen op de klassieke roman waarop Man Gone Down zwaar leunt: Invisible Man (1952) van Ralph Ellison. Niet gelezen? Geen literair-historische bagage? Haastig jubelend achter de hype aan?

De Nederlandse titel luidt Man gaat neer. Maar in de roman gaat de 35-jarige hoofdpersoon, een zwarte naamloze ik die aan de grond zit in New York (net als de naamloze ik in Invisible Man), niet echt neer. De neergang is gestopt. Hij, alcoholicus die al jarenlang droogstaat, probeert juist op te krabbelen uit het dal waarin hij maatschappelijk terecht is gekomen. Aan het slot lijkt hij opnieuw te kunnen beginnen als hij zich herenigt met zijn gezin, waarvan hij in augustus van pakweg 2004 een kleine maand is gescheiden. In een paar dagen tijd moet hij – klusser, timmerman, schrijver, docent – veel geld bij elkaar schrapen om de school van zijn kinderen en de aanbetaling van een huurhuis te kunnen betalen en nog wat schulden af te lossen. Dat doet hij dan ook. Maar het graven, schuren, verf afkrabben en keukens en badkamers installeren schiet financieel niet echt op. Door een wonder, dat wil zeggen een toevallig gewonnen weddenschap om veel geld tijdens een golfspel, lukt het wel. Aan het slot van Man Gone Down staat de zwarte man (op bijna elke bladzijde wordt zijn huidkleur vermeld, en ook dat zijn vrouw Claire blank is) aan het begin van een nieuwe carrière.

Het einde ligt in het begin. Dat is niet toevallig een beroemd credo dat Michael Thomas overneemt van T.S. Eliot (Four Quartets). Dat credo spookt al vanaf de eerste bladzijde rond in Invisible Man, waar Ellison een motto van Eliot aan vooraf laat gaan. Thomas’ ploeterende antiheld, die blijft hangen in somber zelfbeklag (‘Er is geen enkele vooruitgang geboekt bij het verkleinen van de kloof tussen blank en zwart, arm en rijk, ingewijde en buitenstaander, beschadigd en gezond’), is als Harvardstudent gestrand in een proefschrift over Eliot, modernisme en metafysica. Man gaat neer heeft vier delen en vier Eliot-motto’s. Thomas’ naamloze ik heeft tijdelijk gratis zijn intrek genomen in een kinderkamer in het Brooklynhuis van de blanke internetbankier en barmhartige Samaritaan Marco. Zijn spullen zijn in de kelder opgeslagen. De naamloze ik van Invisible Man – net als Thomas’ held een ‘sociaal experiment’ en schrijvend aan zijn memoires – zit gratis in een aan blanken verhuurd gebouw. Diens verticale beweging in de roman, een val in een kolenkelder, is tegelijkertijd een intellectuele ontwikkeling: al schrijvend stijgt hij uit boven de hem opgedrongen identiteiten. Misschien is het verschil tussen Invisible Man en Man Gone Down, afgezien van de ontbrekende geestelijke ontwikkeling in Thomas’ roman, wel mythologisch: Ellison concentreert zich op de Griekse Proteusfiguur, de held van de metamorfose. Thomas richt zich meer op Prometheus. Bij beiden speelt de muziek de rol van strohalm: jazz bij Ellison, blues en soul bij Thomas. Maar waar Ellison zwarte helden als Bookter T. Washington en Frederick Douglas in zijn vertelling verweeft, daar beklaagt Thomas’ hoofdpersoon zich over het ontbreken van helden als King, DuBois of Gandhi om zich aan op te kunnen trekken. Hij heeft het merkwaardigerwijs over ‘de ravage van rassenvermenging’ (identiteitsverlies?) te midden van ‘het kabaal van de democratie’, een ‘ravage’ die al zou zijn ingezet bij Noachs zoon Cham.

Naamloos heb ik de antiheld van Thomas’ debuut genoemd. Toch tooit hij zich met twee namen: Big Nig als hij over zijn eigen toestand schrijft, en Ismaël wanneer hij een klusafspraak met de blanke vrouw Helena maakt. Een vriend noemt hem ‘kapitein’, naar de eveneens zelden slapende kapitein Ahab jagend op een monsterlijke albino-potvis, de Leviathan van de oceanen. ‘Zeg maar Ismaël.’ Dat is de openingszin van Herman Melville’s Moby-Dick, or The Whale (1851). En inderdaad, de Ahab van Man gaat neer (waarin ook nog een goudvis doodgaat) heeft een ‘oceaan van herinneringen’ aan zijn moeizaam levende ouders en aan andere monsters van vroeger: alcoholisme, racisme. En natuurlijk laat Ralph Ellison ook een Melville-motto aan Invisible Man voorafgaan, een onvolledig citaat uit het verhaal Benito Cereno (The Piazza Tales, 1856) waarin een kapitein op een slavenschip roept dat iemand is gered maar zich tegelijkertijd afvraagt wie of wat hem heeft overschaduwd. Het antwoord geeft Ellison niet, maar de lezer weet dat het the negro is.

Man gaat neer leunt te zwaar op Ellison en Melville en staat daardoor te weinig op eigen benen. De antiheld vermomt zich niet en ziet geen mogelijkheid tot transformatie. In de aangehaalde vertellingen van Melville en Ellison creëren vermommingen en maskerades juist mogelijkheden, dat wil zeggen maatschappelijke uitbraakpogingen, ontsnapping aan de stadse leeuwenkuil, de fixatie op pigment (waar een nieuwe ‘leider’ als Barack Obama bovenuit wil stijgen). Thuiskomen is het doel in Man Gone Down en Invisible Man. Voor Ralph Ellison stond Proteus zowel voor Amerika als voor de erfenis van de illusie waar iedereen doorheen moet om de werkelijkheid te bereiken. De weg naar huis die we zoeken is een toestand waarin de mens zich thuis voelt ‘in de wereld die liefde wordt genoemd, en die we als democratie omschrijven’. Uitgerekend die twee woorden – liefde en democratie – beheersen het slot van Man Gone Down, als de naamloze antiheld meent thuisgekomen te zijn bij zijn gezin.

Als Man Gone Down over twintig jaar de enige roman van Michael Thomas blijkt te zijn geweest, heeft hij Ralph Ellison ook geïmiteerd in zijn majestueuze zwijgen na diens eerste en enige voltooide roman.