Economie

In de war

Als een vakgebied ook goede voornemens kan hebben, dan zou de economie zich moeten voornemen in 2017 weer politieke economie te worden. Een wetenschap die niet alleen gaat over de vraag of beleid werkt, maar ook voor wie het werkt. Alleen zo kunnen we de verwarring het hoofd bieden.

Want 2016 was een jaar van verwarring. Goede ideeën winnen uiteindelijk van slechte ideeën, dachten we. De EU heeft bewezen bijgedragen aan onze welvaartsgroei. Populisme is duidelijk een dommere keuze dan op feiten gebaseerde politiek. Brexit en president Trump konden dus niet bestaan. Beide gebeurden toch. Straks hebben we misschien president Le Pen en winnaar Wilders. Er is iets mis, maar wat?

De verklaringen buitelen over elkaar heen – altijd een teken van verwarring. Een apolitiek, neoliberaal discours maakte ons blind voor de logische verklaring van een profiterende elite en een achterblijvende middenklasse. Wat de PvdA en de Democraten hadden moeten oppakken, werd het handelsmerk van GeenStijl en Breitbart.com. Je kunt dat niet wegzetten als demagogie, of als irrelevant voor Nederland. Want ook hier is het gemiddelde huishoudinkomen in vijftien jaar nauwelijks toegenomen – juist in de jaren van puissante zelfverrijking in de besturende lagen van woningcorporaties, banken, verzekeraars, zorg- en onderwijsinstellingen. Onze politici zaten er niet mee. Het bbp groeide toch? Ze bleven erop hameren dat handel, immigratie en EU zorgen voor toenemende efficiëntie en welvaartsgroei. Ze bleven negeren dat privatisering, deregulering, financiële scheefgroei, lossere arbeidsmarkten en vrij personenverkeer die welvaartsgroei steeds ongelijker verdeelden.

Straks hebben we misschien president Le Pen. Er is iets mis, maar wat?

In een realistische, politieke economie is verdeling net zo belangrijk als efficiëntie. In zo’n analyse wordt erkend dat de maatschappij uit groepen, niet slechts uit individuen bestaat. Dat groepen met ideologieën leven, dat ze sociale context en groepsidentiteit bieden, en dat het verlies daarvan echt iets kost. We ervaren dat nu, maar hebben er geen discours voor. Groepsbelang bestaat. Wat goed was voor banken was niet per se goed voor andere bedrijven, of voor ‘de’ economie – want die bestaat niet, er zijn slechts groepen binnen de economie. We weten het nu, maar wanneer gaan we vragen rond identiteit en verdeling serieus nemen? Keynes maakte een onderscheid tussen financieel en industrieel kapitalisme. Waarom hoor ik daar niets over op Prinsjesdag? Wanneer denken we niet meer over de BV Nederland, maar over Nederlanders?

Dat vraagt van Rutte, Dijsselbloem, Zijlstra, Schultz, Schippers en al die anderen die in de neoliberale jaren negentig studeerden, dat ze hun ideologische ballast lozen. De blinde vlekken in hun wereldbeeld zijn helaas de bepalende factoren in de echte wereld. Ze zijn opgegroeid in de paarse traditie van Wim Kok, die ideologische veren afschudde, en van de voorheen linkse babyboomers die het primaat van de politiek vervingen door het primaat van de economie. Die ideologie van het neoliberalisme werd zo breed gedragen dat ze niet als de nieuwe ideologie herkend werd. Politieke visie werd overbodig, over identiteit werd niet meer nagedacht. De VVD en de PvdA vertegenwoordigden geen groepen meer, en werden uitwisselbaar. Nederlanders werden ongevraagd als Europeanen beschouwd. Zolang de politieke kinderen van Kok niet de moed hebben uit dat frame te stappen, zo lang blijven we voorbij de feiten kijken. Zo lang duurt onze verwarring voort.

Voor veel andere Nederlanders beginnen de puzzelstukjes juist op hun plaats te vallen. Want de verbeelding is weer aan de macht. Niet de verbeelding van jonge linkse intellectuelen voor ze paarse politici werden. Het gaat om vergezichten voor economische achterblijvers en cultureel ontheemden. Voor hen die zich niet meer thuis voelen in hun eigen straat. Die tot hun 45ste op flexcontracten werken en daarna aan de zijlijn belanden. Die enorme schulden opbouwden in de vastgoed-boom. Die niet handig genoeg waren om te profiteren van privatiseringen. Die wel stemden maar geen verschil zagen. Zij hebben iemand gevonden die de woede daarover verwoordt en benoemt wat er mis is met de neoliberale, open democratie. Misschien is dat een steenrijke, racistische demagoog, of een mafkees met een Mozart-kapsel, of een vrouw die een half fascistische partij leidt. Het doet er niet toe. Ze schilderen een visie. Ze hebben verbeelding. En hun verbeelding sluit beter aan bij de werkelijkheid dan de eenzijdige feiten van de neoliberalen. Dat wordt herkend door brede groepen kiezers. Ze waren steeds meer ontheemd, in de war door het neoliberale wereldbeeld dat decennialang als waarheid gold maar toch niet klopte. Nu vinden ze politiek weer vaste bodem onder de voeten, maar op gevaarlijke plekken. Is er een alternatief?