week 7

In de wereld

Wankelende reputatie (x2)
Parijs – Een boek van de onderzoeksjournalist Pierre Péan staat in Frankrijk garant voor een geschonden reputatie. Zo onthulde hij in Une jeunesse française (1993) het Vichy-verleden van toenmalig president Mitterrand en in TF1, un pouvoir (1997) bood hij een ontluisterend kijkje in de coulissen van Frankrijks grootste televisiezender. Le Monde is nog steeds niet helemaal hersteld van de dreunen die Péan in 2003 uitdeelde met La face cachée du Monde, waarin hij de methoden van dit prestigieuze dagblad tegen het licht houdt.
Met zijn nieuwste boek, Le monde selon K. (De wereld volgens K.) heeft Péan echter niet alleen de reputatie van zijn onderzoeksobject maar ook die van hemzelf aan het wankelen gebracht. Dat onderzoeksobject is niemand minder dan Bernard Kouchner, oprichter van Artsen zonder Grenzen en als huidige minister van Buitenlandse Zaken het vlaggenschip van Sarkozy’s ouverture – de opname van linkse prominenten in een rechtse regering.
Péan laat zien dat Kouchner tussen 2002 en 2007 als ‘zorgconsultant’ miljoenen verdiende met het opstellen van rapporten voor bedrijven van vrienden. Daarbij waren de opdrachtgevers herhaaldelijk genadeloze Afrikaanse dictators. Aangezien sommige rekeningen pas werden betaald nadat Kouchner de betreffende landen als minister van BuZa (vanaf 2007) had bezocht, is dit volgens Péan een aanwijzing voor belangenverstrengeling.
Kouchner heeft die beschuldiging inmiddels verre van zich geworpen en benadrukte ‘niets illegaals’ te hebben gedaan. Dat bestrijdt Péan overigens niet. Péan zegt te hebben willen laten zien dat het beeld van Kouchner als ‘witte ridder’ die ten strijde trekt tegen het onrecht in de wereld zich slecht verhoudt met de werkelijkheid. Dat is hem gelukt: Franse kranten stelden met leedvermaak vast dat de rapporten van de ‘French doctor’ tienduizend euro per pagina kostten.
Maar daarbij liet Péan het niet. Volgens hem wordt Kouchner namelijk gedreven door een haat jegens ‘de Franse onafhankelijkheid, die hij veracht uit naam van een Angelsakisch kosmopolitisme’. Kouchners joodse afkomst indachtig was dat volgens critici een brug te ver. Het woord ‘kosmopolitisme’ heeft in Frankrijk immers niet louter positieve connotaties. Voor nationalistisch rechts was het tijdens de jaren dertig en veertig een codewoord voor de joodse samenzwering – voor het Anti-France van ‘ontwortelde’ bankiers en plutocraten.
Waarom gebruikte hij juist dit woord, terwijl hij als kenner van de periode de bijbetekenis kon weten, wilde Daniel Schneidermann, presentator van het inmiddels naar internet verbannen mediaprogramma Arrêt sur Images, van Péan weten. Veel verder dan wat onbeholpen gehakkel kwam hij niet. Hij bedoelde ‘universalisme’ en ja, als hij het opnieuw zou schrijven, zou hij het woord weglaten. Schneidermann nam er geen genoegen mee: ‘Bij een schrijver van uw kaliber maakt een dergelijke uitglijder me sprakeloos.’ Péan: ‘En dat is volgens u veelzeggend?’ Schneidermann: ‘Geen idee, ik kan niet in uw hoofd kijken.’ Toen vond Péan het welletjes en beende de studio uit, een verbouwereerde Schneidermann én zijn reputatie achterlatend.
MARIJN KRUK

Afro-urban mode
Johannesburg – Traditionele Afrikaanse kleding zie je eigenlijk nooit in Zuid-Afrika. Daar hebben de bijna vier eeuwen van kolonialisme en apartheid wel voor gezorgd; de primitieve neger moest zijn tradities verruilen voor de superieure westelijke cultuur. En dus tooit de nieuwe zwarte bourgeoisie zich nu in West-Afrikaanse gewaden als ze naar een gala-evenement of parlementsopening moet. Zelfs Nelson Mandela’s beroemde kleurrijke overhemden waren ontworpen door een kleermaker uit Ivoorkust.
Maar die eeuwenlange onderdrukking van inheemse klederdracht heeft er, zeker na 1994, wel toe geleid dat er een authentieke zwarte, Zuid-Afrikaanse stijl op gang is gekomen. Die heeft zijn wortels evenwel niet in traditionele ontwerpen, maar in de unieke townshipkledij die zich tijdens de apartheid heeft ontwikkeld. In de film Tsotsi was daar al een en ander van te zien: een curieuze mengeling van ruig en chic, van tweedehands en goede stof, sterk geënt op de coole gangsterlook die in de jaren vijftig uit Amerika was komen overwaaien. Tsotsi is het alom gebruikte woord voor townshipgangster, maar volgens het woordenboek komt het van het inheemse woord tsotsa, wat ‘je kleden in een overdreven stijl’ betekent.
Veel van die nieuwe urban mode komt uit Soweto, de reusachtige township ten zuidwesten van Johannesburg. Soweto is de barometer van alles wat hip en funky is. De township herbergt ontelbare subculturen. Bepaalde petjes of sportschoenen bepalen of je van hiphop of van kwaito (township house) houdt. Zo hip is Soweto inmiddels dat je in de shopping malls in de buitenwijken T-shirts aantreft met daarop alleen het woord ‘Soweto’.
Daarnaast zijn Zuid-Afrikaanse modeontwerpers zich gaan specialiseren in retro-mode, waarvoor ze de afbeeldingen gebruiken van ouderwetse ‘typisch zwarte’ merken, zoals Zambuk (balsem), Lion (lucifers) en, met een knipoog naar Warhol, Koo (soep). Zelfs de supertruttige bloemetjesmotieven die nog altijd de basis vormen voor de schorten en jurken van ‘de meid’ worden nu voor sexy ontwerpen gebruikt.
Voor veel jongeren heeft dat niet zozeer te maken met een hang naar retro als wel met het oprakelen van een verleden dat onder het puin van de Soweto Opstand van 1976 was bedolven. ‘Het is een verlangen om een rijk verleden te herontdekken’, vertelt de 31-jarige Grace Khunou, die opgroeide in Soweto. ‘Het verbeeldt datgene wat onze ouders niet voor ons konden bewaren. Soms voelt het alsof er een hele generatie is weggevallen.’
Deze week krijgt de hele wereld de kans om die typisch Zuid-Afrikaanse ‘urban fashion’ te bewonderen, als het modehuis Stoned Cherrie uit Johannesburg zijn mannequins over een New Yorkse catwalk zal laten paraderen voor de show Arise/This Day: African Fashion Collective 2009. Stoned Cherrie-oprichtster Nkhensani Nkosi beloofde ‘afro-urban esthetiek, Zuid-Afrikaanse straatcultuur, het bejubelen van Afrikaanse iconen en heel veel trots’.
FRED DE VRIES

Wir waren Papst
Berlijn – ‘Paparatzi!’ klonk het in koor, toen kardinaal Joseph Ratzinger in 2005 tot paus gekozen werd. De euforie was groot in zijn thuisland – en niet alleen onder katholieke Duitsers. Eindelijk hadden onze oosterburen weer een idool waarmee ze zich internationaal konden presenteren.
‘Wir sind Papst!’ kopte Bild in chocoladeletters op de voorpagina na de benoeming door het Vaticaan. De makers van het blad waren zo trots dat meteen alle Duitsers tot paus werden benoemd. Want werd de voorganger van Benedictus XVI, Johannes Paulus II, niet in de hele wereld vanwege zijn positieve rol vereerd?
Nu, na de opgeheven excommunicatie van bisschop Richard Williamson van de aartsconservatieve Pius-broederschap, die de holocaust ontkent en ‘eerst historische bewijzen wil zien’, lijkt het pontificaat van Benedictus XVI door zijn fatale beslissing in eigen land definitief beschadigd. Niet alleen bij katholieke bisschoppen en eenvoudige kerkgangers, ook bij CDU-kanselier Angela Merkel, die Gods afgezant op aarde publiekelijk tot de orde riep, bij SPD-voorzitter Franz Müntefering, die van een ‘zware, historische fout’ repte, en bij de joodse centrale raad, die het regelmatig overleg met de katholieken in de ijskast zette.
Het is voor de Duitsers extra pijnlijk dat een landgenoot Williamson weer in genade opnam. Maar het valt de mensen tussen Aken en Zittau vooral zwaar dat de Britse bisschop juist in Duitsland, in een klooster bij Regensburg, de massamoord op de Europese joden in twijfel heeft getrokken. En dat is strafbaar. In de Bondrepubliek kun je daarvoor tot vijf jaar celstraf krijgen. De aanklacht tegen Williamson wordt voorbereid.
Belangrijke bladen als de Süddeutsche Zeitung, Der Spiegel en zelfs Bild hebben zich onmiddellijk van de paus afgekeerd. In de krant uit München neemt commentator Heribert Prantl het op voor Merkel, een protestantse domineesdochter, omdat de rehabilitatie door de paus een politieke en geen religieuze daad zou zijn. In het weekblad uit Hamburg schrijft Henryk M. Broder, een Duitse jood van Poolse afkomst, dat paus ‘Benedetto’ zijn status van popster definitief heeft geruïneerd. En de tabloid uit Berlijn dreigt: ‘Als de paus zijn fout niet corrigeert en zich niet verontschuldigt, mag hij Gods kracht niet gebruiken.’
Auteur van deze laatste woorden is Matthias Döpfner, hoogste baas bij de uitgeverij van Bild, Axel Springer. Het lijkt merkwaardig dat Döpfner hoogstpersoonlijk in de pen klom, omdat Europa’s grootste roddelblad dolgraag bij de Duitse paus op audiëntie komt en samen met de curie de lucratieve ‘Volksbijbel’ uitgeeft – zowel zakelijk als strategisch een succesvol project. Boze tongen hebben een verklaring voor Döpfners actie. De gepromoveerde muziekwetenschapper is in een villawijk van Potsdam de buurman van Friede Springer, ooit het kindermeisje van wijlen Axel Springer, die na het uitkopen van de kinderen diens media-imperium heeft overgenomen. En sinds de oprichting van de uitgeverij in 1954 geldt het verbod van kritiek op Israël – en daar moet zelfs de paus nu aan geloven.
ROB SAVELBERG

Vriend van Syrië
Damascus – Donderdagmiddag, half een. Op het marktplein voor de Umayyaden moskee is het gezellig druk. Tapijthandelaren lokken toeristen hun winkels in en Syrische vrouwen drentelen langs de vlees- en groenteverkopers. Plotseling komt er een vijftigtal jongemannen in pak uit een zijstraat. Ze verspreiden zich snel en positioneren zich op strategische plekken rond het plein, handen losjes langs hun open colberts. De meeste toeristen hebben niets in de gaten. Sommige Syriërs nemen nieuwsgierig plaats op de stoepen rond het plein. Hier gaat iets gebeuren.
Half twee. ‘De president komt!’ Het gerucht verspreidt zich door de menigte. ‘Voor wie is er anders zo veel beveiliging?’ Een tweede groep mannen komt aan. Eenvoudige mannen van middelbare leeftijd, studenten, gewone mensen. Bij een van hen zie je nog net de loop van een pistool onder zijn bomberjack vandaan komen. Dan maakt een beveiligingsman een eind aan de spanning. De president komt niet. Het is Michel Aoun, ‘vriend van Syrië’.
Vriend van Syrië. Dat is niet altijd zo geweest. Michel Aoun stond vanaf 1984 aan het hoofd van het Libanese leger en tussen 1988 en 1990 – de laatste jaren van de burgeroorlog – leidde hij één van twee concurrerende regeringen in Libanon. In 1989 lanceerde hij met aan hem loyale legerelementen een ‘bevrijdingsoorlog’ tegen de Syrische militaire aanwezigheid. Hij verloor en een jaar later vluchtte hij naar Frankrijk.
Na de moord op de Libanese president Rafiq Hariri in 2005 werd Syrië onder internationale druk gedwongen om Libanon te verlaten. Aoun keerde terug en maakte van zijn Free Patriotic Movement een serieuze politieke partij. De partij, seculier in naam maar met een grotendeels christelijke achterban, leidt samen met Hezbollah de pro-Syrische oppositie in het Libanese parlement, dat wordt gedomineerd door een pro-westerse regeringscoalitie.
Syrië probeert zijn internationale isolement te doorbreken. Door welwillendheid te tonen in de vorm van indirecte vredesonderhandelingen met Israël probeert het een plek op het internationale toneel te veroveren. Normalisering van de verhoudingen met Libanon is onderdeel van de strategie. Er zijn plannen voor ambassades in beide landen en verschillende Libanese hoogwaardigheidsbekleders waren recentelijk te gast in Damascus.
Dat neemt niet weg dat Damascus naar Libanon kijkt als onderdeel van zijn invloedssfeer. Voor die invloed is een goede band met Aoun van belang: de steun van zijn partij is essentieel als de pro-Syrische oppositie een kans wil maken op een meerderheid bij de Libanese parlementsverkiezingen dit jaar. En dus is Aoun nu een ‘vriend van Syrië’, en is zijn gezondheid een prioriteit van de regering. Bij zijn bezoek laten de autoriteiten dan ook niets aan het toeval over: waar de Britse minister van Buitenlandse Zaken twee weken geleden rustig de BBC te woord stond voor de hoofdingang van de moskee wordt Aoun na zijn bezoek vlug van de poort naar een gepantserde BMW geleid. Op de achtergrond zwaaien drie mannen in stilte de Libanese vlag.
REMCO ANDERSEN
Shoot the messenger!
Londen – Gordon Brown had de rol graag willen vervullen, maar Robert Peston is de ster van de recessie geworden. Als geen ander weet BBC’s chef economie, met zijn bakkebaarden en trage dictie, het financiële nieuws sexy te maken. Hij wist als eerste te melden dat Northern Rock implodeerde en dat Lloyds TSB samenging met HBOS. De eerste primeur zorgde voor lange rijen voor de wildwestbank, de tweede voor een sterke koersval.
De 48-jarige Oxonian Peston, zoon van een Labour-politicus, was een van de vijf journalisten die zich afgelopen week voor hun verslaggeving moesten verantwoorden tegenover een Kamercommissie van Financiën. Al weken zijn de commissieleden op zoek naar de ware schuldigen van de crisis. Eerder al ondervroegen ze onder anderen hedgefondsmanagers en ambtenaren, binnenkort komen de bankiers langs. Overigens denkt de premier zelf dat alle ellende uit de Verenigde Staten komt, maar het is onwaarschijnlijk dat boosdoeners als Clinton, Bush en Greenspan ter verantwoording worden geroepen.
De boodschappers van het nieuws werd gevraagd of het niet beter was om, in het belang van de samenleving, slecht nieuws verborgen te houden om het op een beter moment bekend te maken. Het leek erop dat de Kamerleden de handelwijze van Jo Moore voor ogen hadden, de speciale regeringsadviseur die direct na de aanslagen van 11 september opperde dat dit het geschikte moment was om slecht nieuws te begraven. Was het wel verstandig, vroeg commissievoorzitter John McFall aan Peston, om rijen spaarders van Northern Rock te filmen? En waarom wordt er niet vaker goed nieuws gebracht?
Een ander commissielid viste naar de bronnen van Peston. Dat deed de Serious Fraud Office afgelopen najaar ook al, zonder succes. Een mogelijk lek is John Kingman, de ex-collega van Peston bij de Financial Times, die bij het ministerie van Financiën thans verantwoordelijk is voor het overheidsaandeel in de half genationaliseerde banken. Eerder leidde Kingman het directoraat Finance, Regulation and Industry, waar hij direct het woord ‘regulation’ schrapte. Bovendien staat Peston op goede voet met Brown, over wie hij het boek Brown’s Britain schreef.
Eensgezind vertelden de journalisten dat het banksysteem verrot was en dat ze daarvoor, zo ze het hard konden maken, hebben gewaarschuwd. Simon Jenkins van The Guardian counterde: ‘Wat hebben jullie al die tijd gedaan?’ Dat was een gevoelig punt, want de meeste Kamerleden, zeker die van de regeringsfractie, speelden mooi weer. Toen de Liberaal Democraten begin april 2008 bijvoorbeeld waarschuwden voor een aanstaande recessie werden ze door de Labour-Kamerleden Eagle en Mudie voor gek verklaard. Eagle diende als junior-minister op Financiën en Mudie zat in… een Kamercommissie voor datzelfde departement.
PATRICK VAN IJZENDOORN