In de wereld

In de wereld

De bruine envelop
Nairobi – Kenia is in de ban van de bruine envelop van Kofi Annan. In de envelop zit een lijst met mensen die verdacht worden van het aanstichten van de verkiezingsrellen in Kenia in 2007. Onlangs gaf Annan de envelop aan het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag. Onder Keniaanse leiders brak paniek uit. Want welke namen zitten er in de envelop?
Zowel de huidige president Kibaki als oppositieleider Raila Odinga claimde eind december 2007 de verkiezingsoverwinning. Die politieke impasse leidde in januari en februari 2008 tot veel geweld. Ongeveer dertienhonderd mensen kwamen om het leven en zeker 350.000 mensen raakten ontheemd. Uiteindelijk werd oud-VN-secretaris-generaal Kofi Annan gevraagd als chief mediator. Die stemde toe, op voorwaarde dat er een tribunaal zou worden gevormd dat de verantwoordelijken voor het geweld zou berechten.
Een eerste voorstel daartoe van Kibaki en premier Odinga – nu beiden aan de macht in de Grote Coalitie Regering – werd in februari dit jaar weggestemd door het parlement. Veel Keniaanse parlementariërs geloven niet dat een lokaal tribunaal de belangrijkste verdachten tot verantwoording kan roepen. In het verleden won de politieke immuniteit het in Kenia maar al te vaak van de eerlijke rechtspraak.
Onlangs voerde Annan de druk op Kenia op door eind augustus als deadline te stellen voor het lokale tribunaal. Hierbij bleek de envelop met de namenlijst een zeer effectief machtsmiddel. Niemand kan er omheen. Het was namelijk president Kibaki zelf die opdracht gaf tot een onafhankelijk onderzoek. Alleen had hij er misschien niet op gerekend dat onderzoeksleider Philip Waki het eindrapport – inclusief een lijst met verdachten – rechtstreeks aan Annan zou geven.
Begin juli stuurde Kenia een delegatie naar Den Haag om te onderhandelen met ICC-hoofdaanklager Luis Moreno-Ocampo. Uit dit gesprek kwam een compromis. De regering krijgt nog één jaar om het tribunaal zelf te regelen. Wel moet Kenia regelmatig aan het ICC rapporteren over de voortgang. Maar wellicht belangrijker: de Keniaanse regering belooft om rechtspraak door het ICC te accepteren als het parlement het lokale tribunaal weer wegstemt. ‘Immuniteit is geen optie’, aldus de getekende overeenkomst van 3 juli.
Het ICC zal in dat geval zeker niet alleen kijken naar de pleger van het geweld maar ook naar zijn of haar leidinggevende. Hierdoor zal de spanning in Kenia zeker toenemen. Het is niet ondenkbaar dat zowel Kibaki als Odinga zal worden ondervraagd over hun rol in het verkiezingsgeweld. Saillant detail is dat president Kibaki op de dag van het compromis instemde met het besluit van de Afrikaanse Unie om niet mee te werken aan pogingen van het ICC om de Soedanese president al-Bashir te vervolgen. Vervolging van de president is volgens de AU niet in het belang van ‘de stabiliteit’ in de regio.
Annan besloot daarop om de druk nog maar eens op te voeren, onder het motto justice delayed is justice denied. Toen de Keniaanse delegatie in Nairobi landde, stond de nationale pers klaar om te vertellen dat de beruchte envelop inmiddels op het bureau van Ocampo lag. Die zei in een verklaring dat het ICC Kenia nog steeds de kans geeft om zelf een tribunaal op te zetten. Maar de envelop blijft in Den Haag. Just in case.
JEROEN VISSER

Piraten in Hamburg
Berlijn – Ze hebben de wind flink in de zeilen. Sinds de oprichting in 2006 waren er niet eerder zo veel leden komen opdagen op het partijcongres van de Piratenpartei. ‘Vorige keer zaten we nog met vijftien man rond de tafel’, zegt een van hen, ‘hier in Hamburg zijn we nu met z’n driehonderden.’ Van wie naar schatting 85 procent mannelijk, 75 procent onder de dertig, 65 procent met een zwart T-shirt, 55 procent met een laptop en 45 procent met een paardenstaart.
Op veel T-shirts prijkt het frisse, oranje logo van de Piratenpartei. Andere dragen opschriften als ‘Wie bewaakt de bewakers?’, ‘Alt+F4’ en ‘Zensursula’. Dat ‘Zensursula’ verwijst naar de grote succesactie van de Piratenpartei. Toen minister voor Gezinszaken Ursula von der Leyen in juni met een wetsvoorstel kwam om kinderpornosites te censureren, startte de partij een handtekeningenactie. Op de website van het Duitse parlement voor burgerpetities ondersteunden meer dan driehonderdduizend mensen het protest. Nog nooit kreeg een internetpetitie zo veel bijval. Het mocht niet baten. De wet werd aangenomen.
Ten tijde van de actie steeg het aantal aanmeldingen bij de Piratenpartei enorm. In enkele weken tijd verdubbelde het aantal leden tot circa drieduizend. Kort daarvoor was het aantal leden ook al sterk gestegen. Dat was te danken aan het opmerkelijke succes van de partij bij de Europese verkiezingen. De partij haalde, zonder campagne te hebben gevoerd, 0,9 procent van de stemmen. Niet zo veel als de zusterpartij in Zweden, die met 7,1 procent zelfs een zetel in het Europees Parlement haalde, maar al met al toch zo’n 230.000 kiezers.
Het is benauwd warm tijdens het weekend van 4 en 5 juli in het Bürgerhaus in Wilhelmsburg, een arme probleemwijk van Hamburg. Maar de sfeer is euforisch. Zonder blikken of blozen zegt voorzitter Jens Seipenbusch dat de partij bij de Bondsdagverkiezingen in september vijf procent wil halen, de drempel om zetels te krijgen. De partij doet er op haar congres alles aan om een echte partij te lijken. Men debatteert zelfs over de financiële crisis en een sociaal programma.
Maar de hardcore van het programma blijft de vrijheid van het internet en de verdediging van het recht op informationele zelfbepaling. Hardcore is ook de opheffing van het auteursrecht. Dat is immers waarmee de piraten begonnen: vrije uitwisseling van muziek, beeld en tekst op het internet. Maar bij een groot deel van de congresgangers daagt toch dat de scheppers van al dat schoons ook ergens van moeten leven. Na heftige discussie besluit de partij tot de radicale herziening van het auteursrecht in plaats van de opheffing ervan.
Het grootste retorische succes behaalde het omstreden lid Jörg Tauss, Bondsdaglid voor de SPD maar uit de fractie gestapt vanwege Von der Leyens kinderpornowet. Of beter gezegd: uit de fractie geduwd, omdat tegen hem een strafzaak loopt vanwege het bezit van kinderporno. Dat was voor research, beweert hij, maar hij geeft toe daarbij fouten te hebben gemaakt. Hij was veruit de beste redenaar op het congres. De enige stropdasdrager werd toegejuicht als een popster. ‘Zolang hij niet is veroordeeld, geldt hij als onschuldig’, zegt voorzitter Seipenbusch. ‘Maar een functie in de partij hebben we hem niet gegeven.’
ANTOINE VERBIJ

Een machtige medestander
Damascus – Syrische mensenrechtenactivisten vielen de afgelopen weken van de ene verbazing in de andere. Anderhalve maand geleden ontstond tumult rondom een voorstel om de ‘persoonlijke statuswet’ aan te passen. Deze wet bepaalt de positie van mannen, vrouwen en kinderen in het familierecht, en verdeelt rechten en plichten rondom scheidingen, huwelijken en erfenissen. De huidige versie stamt uit 1953, en voorvechters van vrouwenrechten voeren sinds 2005 campagne om de wet naar moderne maatstaven aan te passen.
De inhoud van de conceptwet zoals die onlangs uit het kantoor van de premier te voorschijn kwam, deed Syrische mensenrechtenactivisten steigeren: het wetsvoorstel had alle kenmerken van een creatie uit fundamentalistisch-islamitische hoek en grote delen ervan zouden van toepassing zijn op de Syrische bevolking als geheel – dus ook op de sjiieten (waaronder de Druzen) en de verscheidene orthodox-christelijke gemeenschappen, die in het huidige systeem hun eigen familierechtbanken hebben.
Het voorstel vereist dat vrouwen toestemming moeten hebben van hun echtgenoot of, indien ongetrouwd, van hun broer of vader om te reizen of buitenshuis te werken, zet de deur open voor lijfstraffen na overspel en verlaagt de huwbare leeftijd voor jongens en meisjes naar respectievelijk vijftien en dertien jaar.
Niemand begrijpt hoe een dergelijk wetsvoorstel zijn weg naar het Syrische parlement heeft kunnen vinden: het grootste deel van de Syriërs is weliswaar moslim, maar de staatsinrichting is hier streng seculier. De Baath-partij – die vrijheid, eenheid en socialisme als kernwaarden heeft – is almachtig en heeft in het verleden bittere strijd geleverd met de islamitische oppositie. De identiteit van de commissieleden die de wet hebben opgesteld is geheim, waardoor het gissen blijft naar de precieze toedracht.
Mensen- en vrouwenrechtenactivisten kwamen tegen het voorstel in actie, met voorop Bassam Al Kadi, directeur van de Syrian Women Observatory, een organisatie die zich inzet voor vrouwenrechten. Op zijn website ging hij tekeer tegen de eerste minister en beschuldigde hem van deelname aan een samenzwering ‘om de Syrische grondwet af te schaffen, Syrische vrouwen tot slavernij te dwingen, en verkrachting van vrouwen en kinderen te legaliseren’. In Syrië zijn mensen wel eens voor minder opgepakt.
Maar er gebeurde niets. ‘Geen bezoekje van de veiligheidsdienst, geen uitnodiging voor een kop koffie op het bureau, niets’, zegt Bassam verbaasd. Sterker nog, volgens de activist heeft geen enkele uitgesproken tegenstander van het voorstel enige hinder van overheidswege ondervonden. De verbazing was compleet toen vorige week het kantoor van de premier plotseling in een persbericht aangaf ‘vorm en inhoud van het voorstel af te wijzen’ en het onderwerp terug te sturen naar het ministerie van Justitie, dat vervolgens met een nieuw voorstel moet komen.
Dit is uniek. Iemand heeft het kantoor van de eerste minister teruggefloten. ‘Het kan niet anders dan dat dit komt van een niveau hoger dan de premier’, zegt Bassam. ‘Kringen rond de president dus.’ De actievoerders lijken nu eens gewonnen te hebben, met dank aan hun machtige medestander.
REMCO ANDERSEN
Lesje menswaardigheid
São Paulo – Op de dag dat het Italiaanse parlement illegale immigratie tot misdaad bestempelde, kondigde Brazilië een amnestie af voor zijn illegale immigranten. Iedereen die tot 1 februari 2009 het land is binnengekomen, mag blijven. Een bonnetje van de drogist voldoet om je verblijf in Brazilië te bewijzen.
‘Terwijl de rijke wereld de schuld bij de armen legt, laten wij een staaltje van humanisme zien’, zei president Luiz Inácio Lula da Silva. De vorige wetgeving voor buitenlanders was nog uit de tijd van de militaire dictatuur (1964-1985) voor wie buitenlanders vooral gevaar betekenden.
Volgens secretaris van Justitie Romeu Tuma jr. is de grootste zorg van de Braziliaanse regering om de behandeling van buitenlanders te vermenselijken. Wie in mensen handelt, moet gestraft worden, maar de slachtoffers moeten amnestie krijgen: ‘Wie slachtoffer is en in een kelder overleeft van één bord eten per dag terwijl hij twintig uur per dag moet naaien kan morgen de deur opendoen en naar buiten lopen.’
De meeste illegale immigranten in Brazilië komen uit Bolivia, Peru, Paraguay en China. Zij komen vooral in illegale naaiateliers terecht, waar ze overgeleverd zijn aan een moderne vorm van slavernij. De grootste groepen legale immigranten komen uit Portugal (270.000 mensen), Japan (90.000) en Italië (70.000). Een stad als São Paulo bestaat voor een flink deel uit deze immigranten en hun nazaten.
De schatting is dat er zo’n vijftigduizend illegale immigranten gaan profiteren van de amnestie, net als tijdens eerdere amnestieën in 1988 en 1998. Volgens secretaris van Justitie Tuma kan het zelfs om tweehonderdduizend mensen gaan. Zij kunnen het komend half jaar een beroep doen op een verblijfsvergunning van twee jaar. Daarna kan de immigrant een verzoek om een permanent visum indienen. De boete die op illegaliteit rust, wordt kwijtgescholden. Voor 35 euro krijgt de immigrant zijn pas.
Dat is een stuk milder dan in Italië, waar illegale immigranten vervolgd worden en torenhoge boetes krijgen opgelegd. Of in vergelijking met Nederland, waar nieuwkomers gedwongen worden een inburgeringscursus te volgen. Maar het is makkelijk praten voor Brazilië, dat zelf zo’n vier miljoen mensen buiten de deur heeft wonen. Rosita Milesi van het Instituut Migratie en Mensenrechten onderstreept dat ‘iedere beslissing die een andere kant op had gewezen een onacceptabele contradictie zou zijn geweest, gezien de miljoenen Brazilianen die emigreren en vechten voor hun waardigheid’.
STIJNTJE BLANKENDAAL

Schrijfverbod
Londen – Engeland is een quangocratie. Het land telt momenteel zo’n achthonderd quasi-autonomous non-governmental organisations. Er loopt zelfs een ‘Quango Queen’ rond in de persoon van Dame Suzi Leather, een Labour-apparatsjik die al meer van deze semi-overheidsinstellingen leidde. Ze maken veel belastinggeld op, zo’n vijftig miljard euro per jaar, maar voor de rest kunnen de Defence Procurement Agency, de Milk Development Council, de Construction Industry Training Board en soortgelijke verschijnselen weinig kwaad.
Dat laatste kan niet worden gezegd van de door de regering in te stellen Independent Parliamentary Standards Authority, welke moet controleren of Kamerleden geen feestpruiken, ‘magic mops’ en Glühwein meer gaan declareren. Echter, de ‘onafhankelijke’ deskundigen zullen in de gaten gaan houden of de 651 Kamerleden geen bijbaantjes meer gaan vervullen. Dat laatste heeft voor opschudding gezorgd. Het mag dan terecht zijn dat Kamerleden geen commissariaten en adviseurschappen meer aanvaarden, maar waarom zouden ze geen boer, loodgieter of universitair docent mogen zijn? Zeker als ze, zoals ex-Kamerlid en Times-columinst Matthew Parris voorstelde, de helft van hun bijverdiensten aan een goed doel schenken, hoeft dat geen probleem te zijn.
Als de quangocraten hun taak overijverig gaan toepassen, allerminst ondenkbaar, dreigt er een einde te komen aan de literaire traditie binnen de Britse politiek. In tegenstelling tot hun Nederlandse collega’s houden Engelse politici van het geschreven woord. Zo schreven onder anderen Jeffrey Archer, Ann Widdecombe en Iain Duncan Smith spannende romans. De Conservatieve woordvoerder van Buitenlandse Zaken William Hague schreef kloeke biografieën over antislavernijstrijder William Wilberforce en William Pitt de Jongere, de jongste premier uit de Britse geschiedenis. Boris Johnson hield het bij boeken over auto’s, opvoeding en de Romeinen, plus een komische roman.
Een geliefd genre vormen de dagboeken. Winston Churchill won een Nobelprijs voor de zijne, terwijl die van Alan Clark, Tony Benn en Enoch Powell in de afgelopen decennia bestsellers werden. Een veelgelezen dagboekschrijver was Woodrow Wyatt, die bedreven was in het vertellen van anekdotes, bijvoorbeeld over een ontmoeting van prins Bernard in 1991 met de toenmalige minister van Financiën Norman Lamont. De hardhorende prins-gemaal had diens naam verkeerd verstaan en dacht dat hij met Tour de France-winnaar Greg Lemond stond te praten. ‘When Prince Bernard discovered who he really was, he said “Just another politician” and completely lost interest in Norman’, noteerde de in 1997 overleden Labour-politicus.
Tijdens een parlementair debat over de nieuwe quango uitte Denis MacShane zijn zorgen. Dit vlot schrijvende Labour-Kamerlid vreest dat er een raad van ongekozen bemoeials komt, gemodelleerd naar de bewakers in Plato’s Republiek, die in de gaten gaat houden of hij geen artikelen of boeken schrijft in zijn vrije tijd: ‘Als Kamerleden geen boeken kunnen schrijven, hoe kunnen ze dan nog wetten schrijven?’
PATRICK VAN IJZENDOORN

Oppassen met Hannibal
Rabat – Het Franse weekblad Courrier International lag half juli niet in de Marokkaanse kiosk, terwijl het daar gewoonlijk toch verkrijgbaar is. Het zou door de autoriteiten zijn geweerd omdat het een artikel bevatte dat Mohammed VI omschreef als een van de rijkste koningen ter aarde. Dat artikel was gebaseerd op de meest recente royal-miljardairslijst van het Amerikaanse zakenblad Forbes, waarop de Marokkaanse monarch de zevende plaats innam, met een geschat vermogen van tweeënhalf miljard dollar.
In dezelfde week werd de distributie van de Franse krant Le Monde enkele uren tegengehouden – wellicht de tijd die nodig was om het speciale dossier over koning Mohammed VI te lezen, dat de krant die dag (16 juli) bevatte. Later die avond lag Le Monde alsnog in de kiosk.
Dat het link is om over Mohammed VI te schrijven weet nu ook het Marokkaanse tijdschrift Economie & Entreprises. Dat werd afgelopen maand veroordeeld omdat het had geschreven dat meubelzaak Primarios zijn spullen schandalig duur – voor tienmaal de kostprijs – verkocht aan het beroemde Hotel Mamounia in Marrakesj, dat onlangs is gerenoveerd en nu opnieuw wordt ingericht. Het kreeg een krankzinnig hoge boete opgelegd, ruim een half miljoen euro, waaronder het blad mogelijk bezwijkt. Primarios is onderdeel van een koninklijke holding, een van de vele bedrijven van Mohammed VI, die het de laatste jaren overigens uitstekend doen. Maar dat bleek al uit de hoge Forbes-positie.
Dat de Marokkaanse bladen niet alleen moeten oppassen met hun eigen koning maar ook met Moeammar al-Kadafi is nieuw voor ze. Drie Arabischtalige kranten kregen deze maand forse boetes opgelegd omdat ze zich het misnoegen van de Libische ‘gids van de revolutie’ op de hals hadden gehaald, onder meer door over diens zoon Hannibal te schrijven, een man die maar niet wil deugen en zich in Europa geregeld misdraagt. Ook signaleerden de kranten de opvallende afwezigheid van democratie te Libië. Er is minder nodig om Kadafi tot razernij te drijven. Via zijn ambassadeur drong hij bij de Marokkaanse minister van Buitenlandse Zaken aan op een proces wegens laster, dat er ook kwam. De kranten moeten nu alledrie een boete van tienduizend euro betalen, wegens belediging van een staatshoofd, plus een schadevergoeding van honderdduizend euro.
KEES BEEKMANS