In de wereld

In de wereld

Wie is de klassenvijand?
Berlijn – Ook autonomen vieren vakantie. Het afgelopen weekeinde brandde in Berlijn volgens de politie slechts één bus uit en werden er wat verfbommen gegooid. Zelfs de private beveiligingsman en zijn waakhond voor het woningcomplex aan de Reichenberger Strasse in Kreuzberg hebben het rustig. Voor de verandering zitten alle ruiten er nog in van de Carlofts. De appartementen waar de auto veilig naast de woonkamer geparkeerd wordt, zijn met een vraagprijs van tussen de half en anderhalf miljoen euro een van de symbolen van de ‘yuppificering’ van alternatieve wijken. Alleen op de eerste verdieping zitten wat barsten en spetters rode verf. Ook de spandoeken bij de overburen, die de nieuwe bewoners allerminst welkom heetten, zijn weg.
De rust is uitzonderlijk. Het aantal uitgebrande auto’s nadert dit jaar de tweehonderd, een absoluut record. Vooral dure merken als Mercedes, BMW en Jaguar moeten het ontgelden. De daders, gezocht in linkse kringen, kiezen daarnaast steeds vaker ook andere doelen uit, zoals luxe appartementencomplexen. Zij protesteren tegen de verdringing van lage inkomens uit de binnenstad. De belangstelling van yuppen voor tot voor kort arme, gekleurde wijken als Kreuzberg, in Nederland bewust nagestreefd door politici van VVD tot SP, heeft forse huurverhogingen tot gevolg. Met als resultaat dat lage inkomensgroepen óf moeten verhuizen naar de banlieues, óf tot de helft van hun inkomen kwijt zijn aan woonlasten. Niet voor niets sprak al in de jaren negentig een Berlijnse bestuurder over stadsontwikkeling als ‘goed georganiseerde verdrijving’.
Nu pogen linkse activisten het omgekeerde te bewerkstelligen. Hun pogingen de hoge inkomens weg te jagen blijven niet zonder resultaat – de eigenaar van de elf Carlofts in Kreuzberg gaf tegenover de Tageszeitung toe dat enkele kopers zich teruggetrokken hebben. De politie zegt machteloos te staan tegenover de vernielingen. Tot woede van de christen-democratische CDU in Berlijn, die spreekt van een ‘capitulatie voor de rode terreur’. Zo duidelijk liggen de fronten niet altijd. Waarom wil een Porsche-eigenaar eigenlijk in het linkse Kreuzberg wonen? ‘Ik wil het geweld van de autonomen niet goedpraten’, zei een toekomstige bewoonster van een luxe appartement. ‘Maar ergens hoort dat ook bij Kreuzberg, daardoor leeft deze wijk.’
Niet alleen de nieuwe, naar authenticiteit smachtende, ‘groene’ burgerij is de weg kwijt. Oud-krakers en andere activisten laten gemeenschappelijk wooncomplexen bouwen in hun geliefde wijk – en worden prompt bedreigd. Een eco-huis in aanbouw werd vorige maand getroffen door een brandaanslag. Aan een ander omstreden project blijken zelfs leden deel te nemen van Für eine linke Strömung, een van de best georganiseerde en meest inhoudelijke autonome actiegroepen. Is dat dan de klassenvijand? De radicaalste tegenstanders zal het worst wezen. Zij spreken minachtend over ‘de dubbele moraal van zichzelf links voelende, nieuwe middengroepen’.
KOEN HAEGENS

Oorlog der jandoedels
Londen – De ambtenaren op het Britse ministerie van Defensie hebben niet te klagen. Het departement is voor 746 miljoen pond opgeknapt. Zittend op comfortabel Herman Millar-meubilair houden ze zich onder meer bezig met de privatisering van militaire opleidingen en het aanschaffen van ondeugdelijke computersystemen, terwijl er vele miljoenen worden gespendeerd aan geheel verzorgde zakenreisjes. Een leger van 229 communicatiemedewerkers mag het beleid verkopen. Dat laatste is een hachelijke taak nu er in de eerste drie weken van juli negentien Britse militairen zijn gestorven in de Afghaanse Helmand-provincie, waarbij het in de meeste gevallen ging om slachtoffers van bermbommen. Dat brengt het totaal op 188.
Na elke rouwprocessie in Wootton Bassett – een tussen een legerbasis en militair ziekenhuis gelegen stadje – klinkt er vanuit het leger steeds openlijker kritiek op de regering, die deze oorlog op een zo goedkope manier lijkt te willen voeren. De onlangs afgetreden staatssecretaris voor Midden-Oostenpolitiek, Lord Malloch-Brown, voegde zich bij de critici. Het voornaamste probleem is het gebrek aan mankracht en helikopters om troepen snel te verplaatsen, noodzakelijk wegens de guerrillatactieken van de Taliban. Momenteel rijden de Britten rond in ‘Snatch’ Land Rovers die bedoeld waren voor Noord-Ierland of de vredesmissies van de jaren negentig. In zijn boek Ministry of Defeat beweert Richard North dat vijftig van de 188 Britse slachtoffers nog hadden geleefd wanneer ze betere voertuigen hadden gehad, en geen afdankertjes van de Amerikanen.
Generaal Sir Richard Dannatt vloog zelfs in een Amerikaanse Black Hawk over Afghanistan omdat er geen Britse chopper voorhanden was. Een Labour-minister noemde de legerleider vervolgens een ‘total cunt’ die aan het solliciteren was naar een ministerschap binnen de aanstaande Conservatieve regering.
Politiek spel of niet, het valt niet te ontkennen dat Gordon Brown weinig interesse toont in defensiepolitiek, wat in het voorjaar reeds bleek tijdens de rel omtrent de pensioenen voor de Gurkha-huurlingen, waarbij de regering na een protestcampagne onder leiding van de actrice Joanna Lumley terugkrabbelde. Voor de premier is het leger toch vooral de militaire tak van de Tories. De enige bewindslieden die lager in de pikorde van zijn kabinet staan, zijn die voor de Olympische Spelen en Wales.
Dat dédain uit zich ook in de keuze van ministers. In de afgelopen jaren zaten er jandoedels als Geoff Hoon en Des Browne terwijl nu Bob Ainsworth minister van Defensie is, een oud-vakbondsman die praat alsof hij een vieze sok voor zijn gezicht heeft hangen. Net als in de meeste andere westerse landen is defensie in het Verenigd Koninkrijk een geliefd bezuinigingsdoelwit. Sinds 2001 is het helikopterbudget zelfs gehalveerd. Het beschikbare geld gaat vervolgens niet naar pantservoertuigen en helikopters, maar naar prestigeobjecten als de Trident-onderzeeër, de Eurofighter en de Joint Strike Fighter. Zolang zulke politiek getinte keuzes worden gemaakt, komen er lijkkisten terug. Het enige materieel waar geen tekort aan is.
PATRICK VAN IJZENDOORN

Niet bij mijn dochter
Mboumba – Men noemt ze trots, conservatief en een tikje arrogant: de Halpulaar van Fouta Toro, een regio in het noorden van Senegal. Al meer dan duizend jaar is dit hun leefgebied. Hier dolf de vermaarde jihadist El Hadj Omar Tall na enkele grandioze veldslagen in 1857 het onderspit tegen het Franse militaire genie Louis Faidherbe, waarmee de kolonisatie van de Senegalese binnenlanden begon. Ook in de duizend jaar daarvoor moet het op de dorre vlaktes van Fouta een opwindend schouwspel zijn geweest van op paarden en kamelen tegen elkaar strijdende volkeren, uit op de macht in de Afrikaanse keizer- en koninkrijken. Voetnoot bij deze geschiedenis: tijdens dit millennium werd generatie na generatie de overgang van meisje naar vrouw gemarkeerd door het verwijderen van de clitoris, soms iets meer. Dat sprak vanzelf.
Dat de Fransen tijdens de koloniale tijd de Halpulaar hun autonomie lieten behouden kan verklaren waarom zo veel tradities die bij andere volken zijn verdwenen bij hen zijn gebleven. De huidige regering waagt zich maar zelden in het gebied, ook niet om de wet te handhaven. Al sinds eind jaren negentig is vrouwenbesnijdenis in Senegal verboden, maar in Fouta wordt het nog op grote schaal gepraktiseerd. Clandestien, met alle gevolgen van dien.
Abou Thiam, zanger van de Halpurese band Ngaari Laaw, doet wat de regering nalaat en verzet zich tegen deze traditie. Hij organiseert muziekfestivals in het gebied en zingt over gevoelige thema’s als aids, condooms en vrouwenbesnijdenis. ‘Je merkt al dat de mentaliteit begint te veranderen, steeds minder jonge moeders willen hun dochter laten besnijden. Het is nu belangrijk om verder te gaan met de bewustmaking dat de Halpulaar best hun identiteit kunnen behouden als ze stoppen met het verminken van hun dochters.’
Hoewel het gebruik nog op grote schaal voorkomt, lijkt Abou het gelijk aan zijn zijde te hebben. In Mboumba, een traditioneel dorpje in Fouta Toro, antwoordt iedere jongere (m/v) die naar vrouwenbesnijdenis wordt gevraagd: ‘Ik zou het zelf nooit bij mijn dochter doen.’ Maar niemand zegt dit zo openlijk als Abou Thiam en niemand durft het tegen zijn ouders te zeggen. Er is sprake van een stille revolutie.
Deze revolutie vindt plaats ruim binnen de kaders van de islam, een godsdienst die vaak wordt gebruikt om vrouwenbesnijdenis te rechtvaardigen, maar even vaak om die te bestrijden. Racine Dia, imam van Mboumba, is op zijn hoede als hem naar zijn mening wordt gevraagd. ‘Laat mij geloven wat ik geloof, dan laat ik jou geloven wat jij gelooft’, antwoordt hij cryptisch. ‘Ik vind vrouwenbesnijdenis maar niks. Het is toch bizar om in de genitaliën van een vrouw te snijden? Ik zou het nooit laten doen bij mijn dochters.’
TOM DE BOER

Feesten met M6
Rabat – Deze donderdag viert Marokko het feit dat Mohammed VI precies tien jaar koning is. Overigens wordt dit Troonfeest ieder jaar op 30 juli gevierd, en dit jaar zal dat niet anders zijn. ‘Negen jaar, tien jaar, elf jaar, voor ons maakt dat geen verschil’, zei een naaste medewerker van de koning onlangs tegen een krant, ‘want Mohammed VI is geen minister of president die aan een bepaalde termijn gebonden is.’ Met andere woorden: Mohammed VI is de koning, en voor een koning zijn maar twee data echt belangrijk: de dag dat hij de troon bestijgt, en de dag dat hij sterft.
Maar de media houden van ronde getallen en niets verhindert hen wel degelijk stil te staan – veel uitgebreider dan in vorige jaren – bij dit jubileum. Het grootste onafhankelijke, Franstalige weekblad TelQuel doet dat zelfs in vijf episoden en behandelt iedere week een ander aspect van het koningschap van Mohammed VI. Aan de beurt zijn al geweest Le roi cool, over het privé-leven van deze ‘coole’ maar ook enigmatische koning; Le chef absolu, bij wie alle politieke macht ligt – ‘M6’ regeert via een handvol loyale technocraten, de politieke partijen doen er nauwelijks nog toe; Le businessman, via royal holdings vertegenwoordigd in zo’n beetje alle sectoren: energie, huizenmarkt, constructiematerialen, bankwezen, telecom, landbouw en veeteelt, distributie van voedingsmiddelen (supermarkten). Het hele scala aan koninklijke bedrijven zou een beurswaarde hebben van zestien miljard euro, en daarmee goed zijn voor dertig procent van het totale kapitaal van de beurs van Casablanca. En in Le premier imam beschrijft TelQuel hoe M6 sinds de aanslagen in Casablanca in 2003, waarbij twaalf jihadisten zichzelf opbliezen en ruim veertig doden vielen, greep probeert te krijgen op het religieuze leven in Marokko, iets wat ook aardig lijkt te lukken. Volgende week zal het blad komen met een soort conclusie, de laatste aflevering, aangekondigd als Et pour finir…
Ben benieuwd – maar één conclusie kan de lezer alvast trekken: deze koning zit na tien jaar strak in het zadel. Niets lijkt hem te bedreigen. Hij is populair bij het volk, heeft de politiek aan de leiband, zit beter dan ooit in de slappe was, wat wil hij nog meer? De media veroorloven zich – deze vijf TelQuel-afleveringen bewijzen het opnieuw – een in de Arabische wereld ongekende vrijheid, maar hebben niettemin geleerd respectueus van toon te blijven. Kan de financiële crisis hem dan wellicht schaden? Die begint Marokko nu ook te voelen, en de overgrote meerderheid van het volk komt al moeilijk rond, dus hier ligt een gevaar, maar wat de precieze effecten zullen zijn moet worden afgewacht. Vooralsnog heeft M6 alle reden voor een bescheiden feest deze donderdag.
KEES BEEKMANS

Nu spinnen ook de Chinezen
Peking – Altijd fijn natuurlijk als de vijand zich belachelijk maakt. In haar ijver om het legeringrijpen in Xinjiang te veroordelen beriep de verbannen Oeigoeren-leider Rabiya Kadeer zich op een foto die bij nader inzien helemaal niets te maken had met die rassenonlusten. Foutje van Reuters, bleek al gauw. Die plukte de foto slordig van Twitter zonder de bron al te precies te checken. Alles bij elkaar was de foto niet meer dan een paar uur in circulatie, maar daarmee was de schade al aangericht. Voor talloze Chinese nationalisten klinkend bewijs dat de westerse pers (met natuurlijk Kadeer in de spits) maling heeft aan het geweld tegen de Han-bevolking van Xinjiang en het leed van de Oeigoeren bewust uitvergroot. Zelfs als daar leugen en bedrog voor aan te pas moeten komen.
Dat is voor Peking een veelbelovend eerste resultaat van de nieuwe mediastrategie waarmee sinds vorig jaar wordt geëxperimenteerd en die in Xinjiang in praktijk werd gebracht. Vanouds wist Peking in tijden van crisis niets anders te verzinnen dan media het werken botweg onmogelijk te maken in de ijdele hoop de pr-schade te beperken. Een naïeve pavlovreactie waarmee de overheid tot tevredenheid van haar vele critici nooit iets anders deed dan de eigen glazen ingooien. Zo mochten tijdens de rellen vorig jaar in Tibet journalisten het gebied niet in. Tegelijkertijd werd de wereld simpelweg geacht te geloven dat toen niet meer dan negentien mensen omkwamen. Dat geloofde natuurlijk geen hond. En daar is Peking nu ook achter. Vandaar dat buitenlandse journalisten afgelopen maand plotseling werkelijk opvallende medewerking kregen in de vorm van persreisjes naar Urumqi, een perscentrum en goedkope hotels. Als gevolg van de complexe situatie ter plekke werd tot tevredenheid van Peking over het algemeen relatief genuanceerd gerapporteerd en werd het officiële dodental nauwelijks aangevochten.
En zoals al blijkt uit de Reuters-blunder zijn ook de onontkoombare fouten van buitenlandse media door Peking uitstekend te spinnen tot eigen voordeel. Een foto met een verkeerd onderschrift, wat feitelijke vergissingen hier en daar, een simplificerend stukje dat de rassenrellen vergelijkt met de studentenopstand van 1989: allemaal hoog-octaan-brandstof voor de nationalistische bloggers en de staatspers.
‘De nieuwe media-aanpak van Peking betekent ook dat de meer ongelukkige uitingen van buitenlandse commentatoren, verbannen activisten en mensenrechtengroepen hun steentje bijdragen om de publieke mening in eigen land naar Pekings smaak bij te sturen’, zegt Rebecca MacKinnon, voormalig CNN-correspondent in Peking en nu assistent-mediaprofessor aan de Universiteit van Hongkong. ‘Bij de Olympische fakkeltocht in Parijs vorig jaar probeerde een Tibet-demonstrant een Chinese gehandicapte atlete de fakkel te ontfutselen. De Chinese bevolking was woedend. Dat maakte Peking duidelijk dat buitenlandse acties soms goed te gebruiken zijn om het volk achter zich te krijgen.’
ANNE MEIJDAM

Een raadselachtige arrestatie
Damascus – Eind juni pakte de Syrische politie Salah ed-Din Kaftaro op. De 53-jarige Kaftaro is de baas van het Sheikh Ahmad Kaftaro Instituut, dat ook bekendstaat als het Abu Nur Instituut, en de zoon van Ahmad Kaftaro, wijlen de grootmoefti van Syrië. Het Abu Nur Instituut is de grootste en meest invloedrijke islamitische school in Syrië, en Salah ed-Din Kaftaro een van de meest invloedrijke moslimleiders. Geen extremist, wel een gematigde criticus van het regime.
Zes weken nadat vorig jaar september een autobom was afgegaan in Damascus, waarbij zeventien doden vielen, zond de Syrische televisie bekentenissen van de vermeende daders uit. Een van hen bleek een student te zijn aan het Fatah al-Islami Instituut, een andere religieuze onderwijsinstelling in Damascus. Het ministerie van Religieuze Zaken is toen eens goed gaan kijken naar dit soort islamitische privé-scholen, en schrok zich rot: een aantal soennitische scholen doceerde dat sjiieten ketters waren, en andersom, de financiering kwam soms uit dubieuze bronnen, en het bleek dat niemand de visumaanvragen van buitenlandse studenten goed screende. Een inschrijving bij zo’n school was daardoor een makkelijke manier voor buitenlandse militante moslims om een visum voor Syrië te krijgen, op doorreis naar de heilige oorlog in Irak. Dat is iets wat Syrië in het huidige klimaat van détente met de Amerikanen en pro-westerse Arabische landen absoluut niet kan gebruiken. Daarbij is de islamitische oppositie de grootste bedreiging voor het regime, dat seculariteit hoog in het vaandel heeft staan en bepaald niet zit te wachten op Pakistaanse taferelen in de vorm van duistere islamitische scholen.
Naar aanleiding van het onderzoek besloot de overheid om het systeem drastisch om te gooien, en alle 32 privé-instituten onder de paraplu van het ministerie van Religieuze Zaken te brengen. Zo bepaalt de regering wie er lesgeeft, wat er wordt gedoceerd, en wie de studenten zijn. Kaftaro klaagde, en werd opgepakt.
Dit is een theorie. Maar naarmate de zaak vordert, hoort men ook andere geruchten. Kaftaro was corrupt, wordt er gefluisterd, en stak geld van de stichting die Abu Nur betaalde, en waarvan hij ook bestuurder was, in eigen zak. De nieuwe minister van Religieuze Zaken schijnt de strijd tegen corruptie in Syrië zeer serieus te nemen en Kaftaro al langer op de korrel te hebben gehad.
Nee, Kaftaro is het slachtoffer geworden van een shakespeareaanse familievete, is theorie nummer 3. Zijn broer Mohammed had hun vader willen opvolgen na diens dood in 2004. Salah Kaftaro won de strijd, en zijn broer heeft hem nu een hak gezet via de Syrische overheid. Het feit dat Mohammed Kaftaro een maand eerder dan zijn broer werd opgepakt en nu weer vrij rondloopt, geeft op z’n minst te denken.
Hoe het ook zij, er broeit iets in het belangrijkste islamitisch instituut van Syrië. Kaftaro’s zaak dient waarschijnlijk in augustus. Zijn arrestatie lijkt een combinatie van corruptie, een familievete, en de strijd die de Syrische overheid voert tegen binnenlands islamisme. Maar wie weet wat er allemaal nog boven water komt.
REMCO ANDERSEN