In de wereld

In de wereld

Schitterende kinderen
Rome - Barbara Berlusconi (25) is de oudste dochter van Veronica Lario, de Woedende Echtgenote die echtscheiding heeft aangevraagd om iets wat nu een niemendalletje lijkt. Het bezoekje van premier Berlusconi in april van dit jaar aan de achttiende verjaardag van Noemi Letizia is inmiddels bijna onschuldig te noemen. Het vuilnisvat dat zich daarna over hem heeft uitgestort heeft Noemi’s verjaardag doen verbleken.
Er huizen twee zielen in de familie Berlusconi. De eerste is die van de eerste leg. Totale solidariteit, wat hij ook doet. Dochter Marina (42) en zoon Piersilvio (39) applaudisseren voor alles van Papá (nee, niet Papi!). Hun onvoorwaardelijke solidariteit heeft Berlusconi beloond met topfuncties binnen de verschillende takken van zijn imperium, dat op een waarde van 6,5 miljard euro wordt geschat. Marina staat aan het hoofd van de machtige uitgeefpoot Mondadori, Piersilvio aan het hoofd van Mediaset, Berlusconi’s commerciële tv-zenders. Beiden hebben een loodzware stem binnen Fininvest, de financiële holding waar alles wordt besloten.
De tweede ziel is die van de tweede leg. Liefdesbaby’s Barbara (25), Eleonora (23) en Luigi (21) hebben geen enkele positie binnen het bedrijf en worden door Berlusconi vertederd ‘splendidi ragazzi’ (‘schitterende kinderen’) genoemd. Zij hebben tot nog toe vooral gediend als visitekaartje voor de ‘familiewaarden’ waar Berlusconi uit kiezersoogpunt erg aan hecht. Maar nu er toch niet meer geposeerd gaat worden met het hele gezin is de positie van de splendidi ragazzi ineens wankel. Voor je het weet word je de dupe van een echtscheiding die niet gezellig gaat worden.
Laat ik daar eens wat aan doen, heeft Barbara Berlusconi gedacht. Gehuld in satijnen nachtponnen van het merk Ferretti poseert ze in de Italiaanse Vanity Fair met haar kinderen, de blonde engel Alessandro en de pasgeboren Edoardo. Om de boodschap van onschuld en kwetsbaarheid er zo stevig mogelijk in te rammen, moest de kleine Alessandro (2) zelfs uit de kleren. Blote billetjes op Mamma’s arm, gebruikt als keiharde afpersing, als je het begeleidende interview leest.
Een ijzeren vuist in een satijnen handschoen. Ja, ze is erg teleurgesteld en nee, ze had dit niet van haar vader verwacht. Ze is door haar moeder altijd opgevoed in het respect voor de familie en de bijbehorende waarden. En ze vindt ook niet dat een politicus een privé-leven als Casanova mag hebben, want je hebt een voorbeeldfunctie.
De eigenlijke boodschap komt aan het eind: ‘Als mijn vader zich een juiste en rechtvaardige man zal tonen, zal er geen ruzie over het geld komen.’ En de tweede sleutelzin luidt: ‘Mijn vader heeft mij altijd gezien als geschikt voor Mondadori.’
Begrepen, Silvio Berlusconi? Splendida ragazza Barbara heeft de voorwaarden gedicteerd voor foto’s-met-de-kleinkinderen van opa Berlusconi, de enige familiewaarde die hem nog rest.
ANNE BRANBERGEN

Overleven in een spookstad
Parijs – Zuchtend leunt de bakkersvrouw in de Rue de la Glacière (13e arrondissement) voorover op de glazen toonbank. Het loopt tegen lunchtijd maar klandizie is er nauwelijks. ‘Vorig jaar sloot ik in juli en toen waren er nog wel een paar klanten’, zegt ze ongevraagd. ‘Maar nu, in augustus, dan is werkelijk iedereen de stad uit.’
Het is een welbekend verschijnsel. In de maand augustus verandert Parijs in een spookstad. De straten zijn leeg en de rolluiken gesloten. President Sarkozy trok eind juli al de deur van het Elysée achter zich dicht om af te reizen naar het buitenhuis van zijn schoonfamilie op Cap Nègre aan de Côte d’Azur. Overigens niet dan nadat hij zijn ministers op het hart gedrukt had dit jaar in Frankrijk vakantie te vieren. Op die manier konden zij mooi het goede voorbeeld geven.
Leuk bedacht, maar nodig was het niet, want uit cijfers van het ministerie van Toerisme was al gebleken dat het overgrote deel van de Fransen ten tijde van crisis het eigen land verkiest boven een bestemming over de grens. De talrijke pretparken en de honderden zomerfestivals doen dit jaar in Frankrijk dan ook goede zaken.
Maar Parijs wordt net als ieder jaar zonder scrupules aan de toeristen overgeleverd. De joodse broodjesverkoper in de Rue des Rosiers (Marais) waar anders altijd lange rijen staan? Met de noorderzon vertrokken. Zelfs de beroemde ijsverkoper Berthillon op het Île de Saint-Louis schrok er niet voor terug om de tent tijdens het toeristenhoogseizoen te sluiten. ‘De andere Parijzenaars gaan toch ook op vakantie? Waarom zou ik dat dan niet doen’, zo vroeg hij zich retorisch af in Le Parisien.
De stadskrant zelf probeerde van de nood een deugd te maken en voert momenteel een campagne onder de slogan ‘De enige Parijzenaar waarop u de hele zomer kunt rekenen’. Een mooie vondst, die er echter aan voorbijgaat dat ook de meeste kiosken gesloten zijn en je, zeker in de hoger gelegen arrondissementen, al gauw twee kilometer moet lopen voor een krant. De enige vaste waarde in augustus vormen de twaalfhonderd Parijse bakkers, of beter: de zeshonderd bakkers, want om ervoor te zorgen dat de achterblijvers niet van brood verstoken blijven, heeft het stadhuis een wet uit de tijd van de Franse Revolutie van stal gehaald, die de helft van de boulangers verplicht om de maand augustus open te zijn.
Straat voor straat bekijken de ambtenaren ieder jaar welke zeshonderd bakkers in juli open moeten blijven en welke in augustus. Op illegale sluiting staat een boete van 33 euro per dag. De bakkersvrouw in de Rue de la Glacière bekent dat ze ernstig overweegt het risico te nemen. Immers: ‘Wie zou er moeten controleren of ik open ben of op vakantie?’
MARIJN KRUK

Augustus-syndroom
Moskou - Augustus heeft geen goede naam in Rusland. In augustus 1991 vond een couppoging tegen Michael Gorbatsjov plaats, waarna de Sovjet-Unie uiteenviel. Sindsdien overkomt Rusland elke maand augustus iets vreselijks. De media sommen eind juli, begin augustus steevast de lijst op van gebeurtenissen van de afgelopen jaren en spreken over een ‘augustus-syndroom’. De suggestie is beurtelings dat de voorzienigheid de Russen het liefst treft wanneer ze niet op hun hoede zijn en dat politici de vakantiemaand gebruiken voor hun snode plannen.
De opsomming klinkt indrukwekkend. In 1992 een oorlog tussen Georgië en Abchazië; in 1994 verloren veel Russen hun spaargeld toen een piramidespel instortte; in 1995 een bankcrisis; in 1996 een vliegtuig verongelukt met 141 mensen aan boord; in 1998 weer een bankcrisis; in 1999 de tweede Tsjetsjeense oorlog; in 2000 een bom in de Moskouse metro en het ongeluk met de onderzeeër Koersk; in 2002 een helikopter met 59 soldaten in Tsjetsjenië neergeschoten en 59 mensen verdronken in een overstroming in Novorossisk; in 2003 een zelfmoordaanslag in Noord-Ossetië met vijftig slachtoffers; in 2004 honderd slachtoffers van Tsjetsjeense terroristen; in 2006 dertien slachtoffers van Tsjetsjenen en weer een vliegtuigcrash met 170 mensen; in 2008 de oorlog tussen Rusland en Georgië.
Tja. Waar zijn 1993, 2001, 2005, 2007 – en dadelijk misschien 2009? Bij nader inzien is de lijst met rampen een zooitje toevalligheden. Bijna de helft van de gebeurtenissen hangt direct samen met de Kaukasus, een explosief stukje aarde waar ook in de rest van het jaar regelmatig mensen en militairen omkomen door gevechten en aanslagen. Het andere deel van de gebeurtenissen bestaat voor de helft uit natuurrampen en technische rampen. Maar het land heeft dan ook nogal veel natuur. En niet alle piloten en ingenieurs hier zijn even voorzichtig. In de afgelopen jaren waren ook september en januari best ongelukkige maanden voor Rusland: instortende mijnen, schuivende gletsjers, afbrandende nachtclubs.
Wat dan overblijft is een met een interval van enige jaren opduikende politieke of financiële crisis. Voorspelbaar, in een land waarin de welvaart extreem ongelijk verdeeld is en het bestuur niet altijd met evenveel overleg te werk gaat. De laatste financiële crisis is van december. De rij recente botsingen met buurlanden is te lang om hier op te sommen. Spreken over een ‘augustus-syndroom’ is een voorbeeld van het obscurantisme dat aantrekkelijk wordt wanneer normale analyse lastig is, wanneer journalisten op z’n best met argwaan tegemoet worden getreden. Dat het fout gaat ligt niet aan de mensen, niet aan het systeem, maar aan iets ongrijpbaars als de tijd van het jaar. Aan de andere kant, als men de traditie nog een jaar of vijftien volhoudt, is er een kans dat aan het lijstje wordt toegevoegd dat op 9 augustus 1999 aantrad als premier van Rusland: Vladimir Poetin.
MENNO HURENKAMP

Brazilië en de Hollandse ziekte
São Paulo - Brazilië kampt met een luxeprobleem. Er dreigt een overschot aan geld sinds de ontdekking van olie en gas in een gebied van achthonderd bij tweehonderd kilometer voor de kust. De exploitatie, die in 2015 begint, zal de oliedollars op grote schaal laten binnenrollen. Daardoor dreigt het spook van de Hollandse ziekte voor Brazilië.
De Hollandse ziekte, Dutch Disease, is een door economen bedachte term uit een tijd toen Nederland, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, te spilziek omging met de inkomsten uit zijn gasvoorraden. De ontdekking van de gasbel bij Slochteren in 1959 had van Nederland een gasexporteur gemaakt, maar de binnenstromende dollars maakten de gulden zo sterk dat de concurrentiepositie van Nederland verzwakte. De export werd getroffen terwijl de collectieve sector uitdijde. Allemaal dingen waar Brazilië nu bang voor is.
De ontdekking, die vorig jaar bekend werd gemaakt, maakt van Brazilië de trotse bezitter van de zevende olievoorraad ter wereld. Tenminste, als de schatting van negentig miljard vaten ruwe olie klopt. Dat er olie en gas te vinden zijn, werd al in de jaren zeventig vermoed, maar de olie lag te diep onder het zand om rendabel te zijn. De eerste bron die werd aangeboord heeft nog 260 miljoen dollar gekost. Nu kost de exploitatie van een bron ‘nog maar’ zestig miljoen dollar. De olie, bij een prijs van vijftig dollar per vat, is daarmee volgens de deskundigen economisch rendabel. Venezuela’s president Hugo Chávez grapte daarop dat Brazilië wel kan toetreden tot de OPEC, de organisatie van olie producerende landen.
Maar wat te doen met al die dollars die dit enorme land straks gaat binnenhalen? Brazilië is weliswaar de negende of tiende economie ter wereld (volgens respectievelijk het IMF en de Wereldbank) maar tegelijkertijd in sociaal-economisch opzicht nog altijd een van de meest ongelijke landen ter wereld. Er vallen dus voldoende goede doelen te bedenken.
Op de eerste plaats heeft de regering van president Luiz Inácio Lula da Silva bekendgemaakt dat tachtig procent van de opbrengst naar het land moet terugvloeien. Daarvoor wordt een apart staatsbedrijf opgericht. Petrobrás, een semi-staatsbedrijf, mag de rest samen met andere oliebedrijven opstrijken. Naar Noors voorbeeld wordt gedacht aan de oprichting van een fonds, dat bijvoorbeeld in het onderwijs gaat investeren, zoals in de salarissen van de onderwijzers, de grootste groep werknemers. Dat fonds kan wel voor dertig jaar rendement gaan opleveren.
Maar ja, dan dreigt dus nog wel die Hollandse ziekte. Daar hebben de Brazilianen wat op bedacht. Ze gaan dollars het land uit lozen. Brazilië gaat investeren in Latijns-Amerika, Afrika en Azië. ‘Want’, zo zegt een rapport opgesteld door de regering, ‘het fonds moet niet alleen onze eeuwige sociale gebreken gaan bestrijden, maar ook eigen markten gaan creëren, waarmee wij de Hollandse ziekte zullen neutraliseren.’
STIJNTJE BLANKENDAAL

Hysterisch publiek
en ontspoorde zangers
Rabat – Ruim twee weken geleden vond in Oujda het jaarlijkse raï-festival plaats, bijgewoond door honderdduizenden mensen. Wie er helaas niet kon optreden was de Algerijnse Cheb Mami, een van de grootste sterren van de raï, omdat hij kort daarvoor door een Franse rechtbank was veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.
Oujda, in het uiterste noordoosten van Marokko, dicht bij de grens met Algerije, wordt ook wel la capitale du raï genoemd – raï is de muzieksoort die vooral Maghrebijnse jongeren waar ook ter wereld erg aanspreekt, en die de misère bezingt van, zeg, een leven als tweederangs burger in de Parijse buitenwijken, of dat van een adolescent in het van corruptie en werkloosheid vergeven Marokko of Algerije, in een spagaat tussen traditie en moderniteit. Raï, ontstaan in de jaren tachtig in de volkswijken van het Algerijnse Oran, op zijn hoogtepunt in de jaren negentig, is protestmuziek, ongeveer zoals rock-’n-roll dat in de jaren zestig was.
En ook dit lijkt bij de raï te horen: zangers die ontsporen. Cheb Mami, zo op het oog een beschaafde kerel, met heel gevoelige liedjes, werd veroordeeld wegens zijn betrokkenheid bij de ontvoering van een Franse fotografe die hij had bezwangerd en die vervolgens in een villa te Algiers, nadat zij was gedrogeerd, een gedwongen curettage moest ondergaan. We schrijven 2005. De curettage mislukte kennelijk want de fotografe heeft nu een driejarige dochter van Mami, de zanger zelf hield zich twee jaar schuil in Algerije. Uiteindelijk, ruim een maand geleden, pakte Cheb Mami vrijwillig het vliegtuig naar Frankrijk, waar hij bij aankomst direct werd gearresteerd.
Andere grote mannen van de raï maakten het minder bont, maar voorbeeldig lijken hun levens evenmin. Icoon Cheb Khaled wordt achtervolgd door het hardnekkige gerucht dat hij zijn vrouw zou slaan en een cocaïneverslaafde zou zijn, en die andere grote Algerijn Rachid Taha zou een alcoholist zijn én een drugsverslaafde. De veel jongere Faudel, niet in Algerije geboren maar een ‘zoon van de immigratie’ afkomstig uit de banlieues van Parijs, wist het bij zijn fans behoorlijk te verbruien door de al te rechtse president Sarkozy te steunen tijdens diens campagne, en geraakte van de weeromstuit in een diepe depressie.
De uitzondering lijkt Bilal te zijn, alweer een Algerijn, die tien jaar als sans papiers in Frankrijk woonde, en die op het festival van Oujda voor een hysterisch publiek de eer te beurt viel het slotconcert te geven. Als Bilal zingt wordt er gehuild, er wordt van alles vernield, en er zijn er die zichzelf mutileren – de reacties, allemaal even uitzinnig, verschillen nogal. Maar de raï-zanger zelf houdt beide benen ondertussen stevig op de grond.
KEES BEEKMANS

Barmy Army
Londen - Doorgewinterde cricketliefhebbers vrezen niet zozeer de Mexicaanse griep als wel de Mexicaanse wave. Zo nu en dan veroorzaken bezoekers van de wedstrijden tussen Engeland en Australië een golfbeweging door op te staan, de handen in de lucht te werpen en te juichen. Dat gebeurt op momenten waarop er voor het ongeoefende cricketoog niets lijkt te gebeuren. Voor mensen die naar het cricket gaan om rustig van de subtiele zomersport te genieten, is deze invasie van voetbalachtig vermaak een bron van grote ergernis. Hoe kun je genieten – en intussen rosé drinken, de krantenpuzzel oplossen en de scorekaart invullen – wanneer er zo nu en dan een plaatselijke regenbui van bier valt of een bloemlezing aan schuttingwoorden wordt gereciteerd?
Het verschijnsel ‘luidruchtige cricketfan’ dateert uit de jaren negentig. Het Engelse team werd in de wintermaanden tijdens de tournees op het Zuidelijk Halfrond achtervolgd door een horde fans die zich de ‘Barmy Army’ noemde. ‘Barmy’ was zelfspot omdat hun team her en der werd afgedroogd. De Australische cricketbond is inmiddels een beschavingsoffensief begonnen. Zo mocht het Engelse cricketlegioen geen trompettist meer meenemen. Volgens de legerleider haalt ‘de afwezigheid van de trompet de lol uit het cricket’. In The Independent wond columnist Dominic Lawson zich op over deze barbaarse redenering: ‘Het is alsof een operaliefhebber zegt dat het niet mogen meenemen van een cricketbal naar Covent Garden de pret wegneemt uit Wagner’s Ring-cyclus.’
Vier jaar geleden kreeg de Barmy Army voet aan de grond in eigen land, toen Engeland verrassend van aartsrivaal Australië won. Om de sfeer te verhogen werd bij aanvang van de wedstrijden het opzwepende, doorgaans verkeerd begrepen Jerusalem van William Blake gezongen, over ‘the green and pleasant land’. Groen mag het cricketveld nog wel zijn, maar plezierig is het er niet meer. Afgezien van de ‘wave’, het gezang en het gezuip, is er de toenemende partijdigheid. Van oudsher applaudisseren cricketliefhebbers voor goede prestaties, ongeacht van wie. Tijdens de ontmoetingen in Birmingham en Leeds werd de Australische aanvoerder, de elegante slagman Ricky Ponting, uitgejoeld, tot plaatsvervangende schaamte van de oudere generatie en verontwaardiging van de Australiërs die zich wél wisten te gedragen.
In The Daily Telegraph ergerde de cultuurbeschouwer Michael Henderson zich kapot aan bezoekers die een mooie coverdrive, googly of vangbal in de gully niet op waarde weten te schatten. Ze zijn vooral geïnteresseerd in zichzelf, iets waar de media toe bijdragen. Zodra de camera inzoomt op als Pink Panther, Gordon Brown of Batman verklede toeschouwers raken ze geheel in extase. Misschien kunnen ze zich beter aanmelden voor het symbool van het hedendaagse exhibitionisme: de vierde plint op Trafalgar Square waar talentloze aandachtzoekers een uur gratis mogen staan, zitten of liggen in het kader van Antony Gormley’s conceptuele ‘kunstwerk’ One and Other.
PATRICK VAN IJZENDOORN