In de wereld

In de wereld

Te erg om over te spreken
Peking – Het communistische regime in Peking wordt net zo graag aan de val van de Berlijnse Muur herinnerd als een alcoholist aan zijn delirium tremens. Een nachtmerrie die God betert nooit terugkeert zolang iedereen er maar angstvallig de mond over houdt. Alleen al om die reden hoeven we in de Chinese pers in de komende weken helemaal niets te verwachten over de historische gebeurtenissen van november 1989. En als logisch gevolg is het journalisten daarom dus ook verboden te berichten over het Duitse spektakel Mauersteine, waarin vier bekende Chinese kunstenaars meedoen aan de viering van de twintigste verjaardag. Dat komt voor de directeur van het Goethe Instituut in Peking als een diepe teleurstelling. ‘Duidelijk perscensuur. We vinden dat gewoonweg stom’, zegt Michael Kahn-Ackermann ietwat komisch naïef.
De Chinese bijdragen zijn kunstwerken van Zhang Xiaogang, Xu Bing, Huang Rui en Wang Guangyi, gecreëerd uit vier van in totaal duizend polystyreen kopieën van stukken Berlijnse Muur. Daarvan werden er 970 gedistribueerd onder Duitse kunstenaars en dertig gingen naar landen die hun eigen ervaring met muren hebben. De resultaten werden in de tuin van de Duitse ambassade tentoongesteld. ‘We waren uiterst tevreden dat belangrijke lokale kunstenaars in het project konden worden geïnteresseerd’, zegt Kahn-Ackermann. ‘Elders ter wereld was dat wel anders. Maar dat de regering zo angstig zou reageren, hadden we niet verwacht.’
Die paranoia is voor Peking echter maar al te natuurlijk. Perestroika, het drama op het Plein van de Hemelse Vrede, de val van de Muur, enzovoort. In de storm van twintig jaar geleden leek zeker ook het Chinese regime op ieder moment te zullen bezwijken, daar was behalve de wereld ook Peking diep van overtuigd. Dat het systeem tegen die algemene verwachting in alsnog dat rampjaar doorstond, is voor de huidige generatie leiders goede reden met bang ontzag terug te kijken. Zelfs daarover praten kan dat spook alweer oproepen.
Volgens Jeffrey Wasserstrom in het Amerikaanse blad Foreign Policy hebben de Chinese communisten hun overleven echter waarschijnlijk juist te danken aan die diepgewortelde angst. In de aanloop naar de val van de Muur was de algemene opinie dat de Oost-Europese regimes redelijk stabiel in het zadel zaten. En juist dat werd ze fataal, schrijft Wasserstrom: ‘In essentie; als de wereld had geloofd dat de Muur zou vallen, dan zouden vele gewone burgers in communistische delen van Europa thuis zijn gebleven uit angst dat de regeringen van het IJzeren Gordijn krachtig zouden optreden om hun protesten te onderdrukken. In plaats daarvan gaf het wereldwijde ongeloof in radicale veranderingen de participanten (…) juist moed. Ironisch genoeg was het de geaccepteerde futiliteit van de protesten die de wonderen dat jaar mogelijk maakte.’
Door dat valse gevoel van veiligheid werd en wordt China dus niet gehinderd. Peking ziet iedere vorm van oppositie als levensgevaarlijk en handelt daar ook naar.
ANNE MEIJDAM

Rode kruidenier
New York – De Amerikaanse communistische partij, de Communist Party USA (CPUSA), had de val van de Berlijnse Muur niet nodig om te verschrompelen tot een minuscule groepering zonder enige relevantie in het openbare debat. Daar hadden de Koude Oorlog en in het bijzonder de Second Red Scare (1947-1957) al voor gezorgd, een periode gekenmerkt door fel anticommunistisch sentiment, waarvan de Republikeinse senator Joe McCarthy de verpersoonlijking was.
Zoals Ted Morgan fraai beschrijft in Reds: McCarthyism in Twentieth-Century America (2003), had de CPUSA in die periode te lijden onder een reeks maatregelen van de Truman-regering, waaronder haar verbanning uit de vakbondsbeweging, de gerechtelijke vervolging van haar partijleiders en de verwijdering van ‘subversieve elementen’ uit overheidsorganisaties in het kader van Trumans ‘loyaliteitsprogramma’s’. Tegen de tijd dat McCarthy de ‘Rode kwestie’ begon te exploiteren, in 1950, was de strijd tegen de CPUSA al zo goed als gestreden. Van de tachtigduizend actieve leden in 1944 waren er in 1957 nog een kleine tienduizend over.
Daarna kwamen de Amerikaanse communisten onder invloed van gebeurtenissen als de sovjet-invallen in Hongarije (1956), Tsjechoslowakije (1968) en Afghanistan (1979), de Culturele Revolutie in China (1966-1976) en de massamoorden in Pol Pots Cambodja (1976-1979) in een zo mogelijk nog diepere crisis terecht. Het weerhield de CPUSA er niet van om toch, zonder enige kans op succes, elke vier jaar aan de presidentsverkiezingen deel te nemen. In 1984, vlak nadat de populaire en uitgesproken anticommunistische president Ronald Reagan was herkozen, kondigde CPUSA-kandidaat Gus Hall aan dat de partij voor het laatst aan een nationale verkiezing had meegedaan.
Dat maakt het des te opmerkelijker dat de CPUSA in maart van dit jaar opeens weer in de publieke arena opdook. Want ja, de partij bestaat nog steeds, hoewel ze doorgaans onopgemerkt blijft en nauwelijks nog communistisch kan worden genoemd. Onder de huidige partijleider Sam Webb heeft de CPUSA het niet meer over de revolutie van het proletariaat, maar streeft het naar een ‘vreedzame transitie naar socialisme’ in de Verenigde Staten.
Deze Webb nu hield in Pittsburgh voor een handjevol staalarbeiders een praatje waarin hij verklaarde dat hij in president Barack Obama een bondgenoot ziet in de strijd tegen de exploitatie van de arbeidersklasse. Een weinig relevante gebeurtenis, zou je zeggen, maar een ijverige producent van kabelzender Fox News pikte Webbs woorden op en nodigde hem uit voor een gesprek met talkshowpresentator Glenn Beck.
Dus daar zat opeens Sam Webb, die eruitziet als de kruidenier op de hoek die maar niet met pensioen gaat, tegenover een fulminerende Beck, gadegeslagen door een miljoenenpubliek. ‘Nee, de president is geen communist’, herhaalde de man geduldig, ‘en ook geen socialist.’
De dag daarop verdween Webb, en met hem de CPUSA, weer in de anonimiteit.
MARS VAN GRUNSVEN

De permanente revolutie
Leipzig – Gänsehaut, zeggen de Duitsers. Wij zeggen kippenvel. Dat was er weer in overvloed, afgelopen week, toen de beslissende Montagsdemonstration van 9 oktober 1989 in Leipzig werd herdacht. Beslissend omdat toen de teerling werd geworpen: wordt het een bloedige of een vreedzame revolutie in de DDR? Op alle nationale en regionale, publieke en commerciële zenders werden vrijwel permanent oude en nieuwe docudrama’s en televisiefilms over die dramatische avond uitgezonden.
Het is acht uur ’s avonds, een stoet van zeventigduizend Leipzigers nadert het gebouw van de veiligheidsdienst. Rondom dat gebouw staan achtduizend veiligheidstroepen paraat. Binnen, achter de verduisterde ramen, heerst koortsachtige spanning. De verantwoordelijke officier heeft vanuit Berlijn de strikte instructie gekregen het oproer met alle middelen neer te slaan. Hij vindt dat, gezien de massa’s, een onuitvoerbare opdracht en probeert uit alle macht Berlijn te bellen. Het lukt niet. Op eigen houtje besluit hij de troepen een stap terug te laten doen.
De demonstratie trekt voorbij. Geen spandoeken, hier en daar dragen mensen een kaars. Ze roepen: ‘Keine Gewalt!’ En een nieuwe, nog ongehoorde leus: ‘Wir sind das Volk!’ Met een grote boog keren de demonstranten terug naar waar ze begonnen zijn, bij de Nikolaikerk. Daar vallen ze elkaar in de armen. Gänsehaut.
Vorige week donderdag werd die gedenkwaardige avond herdacht. Met veel mensen die niet tot het volk behoren. Zoals bondspresident Horst Köhler. Een man van distinctie, die toch altijd de juiste woorden vindt. ‘Het was een grote en gelukkige dag in de Duitse geschiedenis. U kunt er voor altijd en eeuwig trots op zijn’, zei hij, meer tegen de honderdduizend mensen op straat die de demonstratie overdeden dan tegen de genodigden in het Leipziger concertgebouw.
Toen kwam Werner Schulz aan het woord, destijds strijder voor burgerrechten, tegenwoordig europarlementariër voor de Groenen. ‘Die Revolution geht weiter’, begon hij. Het klonk als Rudi Dutschke’s ‘Der Kampf geht weiter’ bij het graf van Ulrike Meinhof. Schulz hield ten overstaan van de ‘beroepsdemocraten’ in de zaal een pleidooi voor meer directe democratie. Hij herinnerde Köhler eraan dat die zich ooit had laten ontvallen geen tegenstander van directe presidentsverkiezingen te zijn. En hij riep bondskanselier Angela Merkel op haar verzet tegen referenda op te geven. Merkel glimlachte zuur.
Helemaal onrustig werd het in de zaal toen hij er schande van sprak dat de deelstaat Saksen onlangs de Russische premier Poetin een hoge onderscheiding had gegeven, terwijl die in 1989 als KGB-officier in Dresden was gestationeerd bij een onderdeel ‘dat tot schieten bereid was’. De Saksische minister-president Stanislaw Tillich schoof zenuwachtig heen en weer op zijn stoel, president Köhler was duidelijk geïrriteerd.
Begenadigd redenaar Schulz prentte het de gasten uit Dresden en Berlijn nog eens in: de demonstratie van 9 oktober 1989 was niet voor de eenheid van Duitsland maar voor meer directe democratie. ‘Wij zijn en blijven het volk!’
ANTOINE VERBIJ

De as Londen-Praag
Londen – Het lot van de Britse Conservatieve Partij ligt in Praag. Wanneer Tsjechië de Europese grondwet ratificeert vóór de Britse parlementsverkiezingen, die waarschijnlijk op 6 mei worden gehouden, komt partijleider David Cameron in de problemen. Hij wil het referendum houden dat door Tony Blair ooit is beloofd, maar dat door Gordon Brown werd afgelast om onrust te veroorzaken bij de Conservatieven. Als alle landen hun handtekening hebben gezet, staat Cameron inderdaad als Horatius op de brug. Een volksraadpleging zou dan nog alleen kunnen gaan over lidmaatschap van de Europese Unie, wat hij ondanks interne druk niet kan doen.
Hoezeer het E-woord de Conservatieven parten speelt, bleek op de eerste dag van de partijconferentie. Als een Euro-agnost probeerde Cameron het referendumvraagstuk te vermijden door te stellen dat hij zijn strijdplan pas bekend maakt als ‘Praag’ kleur bekent. Zijn motto is King Lears ‘I will do such things. What they are yet I know not; but they shall be the terrors of the earth.’ Echter, reeds op de eerste ochtend doorbrak Boris Johnson het stilzwijgen door te opperen dat delen van de grondwet hoe dan ook aan de vrijgeboren Britten moeten worden voorgelegd, bijvoorbeeld een eventuele benoeming van Blair. Het vermoeden bestaat dat de ex-premier de Britse compensatie indertijd met het oog op zijn eigen ambities heeft opgegeven.
Aan de andere kant zijn Euro-sceptici niet eens zo ongelukkig met Blair als president omdat dit slechts zal bijdragen aan de Britse afkeer jegens Brussel. Waar de Fransen de Europese Unie beschouwen als een verlengde van hun soevereiniteit, daar zien de Britten het als een inbreuk hierop. Met name binnen de Conservatieve Partij is Europa altijd een splijtzwam geweest. Zo was Thatchers val mede te danken aan onenigheid binnen het kabinet over haar toenemende Euro-scepsis en verzet tegen de Duitse eenwording. Ze had geen idee hoe belangrijk dit voor de Duitsers was. Deze verkeerde inschatting had, zo suggereerde Hugo Young in zijn klassieker This Blessed Plot, ermee te maken dat ze een kind was van de Koude Oorlog en niet van de Tweede Wereldoorlog.
De val van de Muur en opening van het IJzeren Gordijn zou voor de Tories echter onverwachte opties bieden. Thatchers politieke neefje Cameron heeft zijn partij, tot woede van de gaullisten en Merkels christen-democraten, uit de Europese Volkspartij gehaald. In plaats daarvan leiden de Tories nu de Europese Conservatieve en Reformistische Fractie, waar naast de ChristenUnie vooral Oost-Europese partijen in zitten. Het heeft een interessante situatie opgeleverd. Waar de as Parijs-Berlijn een wereldrijk bouwt, zoeken de talrijke Euro-sceptici in de periferie (Londen, Praag, Warschau, Riga, Boedapest, Vilnius) een confederale weg na de ontbinding van twee andere, verschillende wereldrijken: het Britse Empire en de Sovjet-Unie.
PATRICK VAN IJZENDOORN

Voor oudjes, armen en tycoons
Tallinn – Hij is charmant, heeft gevoel voor humor en weet alle (media-)aandacht naar zich toe te trekken. Tegelijk is hij een grillige autoritaire nepotist die in het ene na het andere schandaal verwikkeld raakt. Edgar Savisaar (‘klei-eiland’), burgemeester van Tallinn en oud-minister van Binnenlandse en Economische Zaken, lijkt overal mee weg te komen. Maar volgens collega-politici heeft hij ditmaal de grens van het betamelijke overschreden.
De verwikkelingen van Savisaar en zijn partij zijn illustratief voor linkse, naar Rusland hangende partijen in de hele voormalige Sovjet-Unie. Al sinds de oprichting in 1991, direct nadat Estland opnieuw onafhankelijk werd, is Savisaar de almachtige leider van Keskerakond (Centrumpartij), een links-populistische partij die naar eigen zeggen tegenwicht probeert te bieden aan het hardleerse vrijemarktfetisjisme van de successievelijke rechtse regeringen. De achterban van de partij bestaat uit oudere statenloze Russen die in hun sovjetflats in Tallinns deprimerende buitenwijken en in de berooide provincie Ida-Virumaa een uitzichtloos bestaan leiden, arme plattelanders en andere slachtoffers van de crisis. Plus, opmerkelijk genoeg, zakentycoons. Zij krijgen in ruil voor hun steun, waarmee Keskerakond zijn campagnes betaalt, een streepje voor in door Keskerakond gedomineerde steden als Tallinn en Narva.
Dat zijn partij op lokaal niveau successen boekt, is geen toeval: de talrijke statenloze Russen in Estland mogen niet meedoen aan landelijke verkiezingen, maar wel aan de lokale. Savisaar laat geen middel onbenut om zich van hun stem te verzekeren. Hij stuurt medewerkers op pad om het electoraat van ‘vrijblijvend stemadvies’ te voorzien. Tijdens de Europese verkiezingen in juni konden kiezers in door Keskerakond neergezette tenten via het internet stemmen. Het resultaat was dat Savisaars vrouw Vilja naar Brussel kon afreizen.
Savisaar probeert nu ook de banden met Rusland aan te halen. Eind 2004 tekende Keskerakond een samenwerkingsovereenkomst met Verenigd Rusland, de partij/applausmachine van Vladimir Poetin. Savisaar deed onlangs Moskou aan en betuigde daar zijn steun voor het installeren van een ‘gezamenlijke economie- en geschiedeniscommissie’. Een gelijkschakeling van fascisme en communisme – zeer bon ton in Estland, verfoeid in Rusland – zei hij af te wijzen. Doema-voorzitter Boris Gryzlov noemde Savisaar ‘een vriend’ en ‘Ruslands belangrijkste aanspreekpunt in Estland’.
Savisaars vele opponenten en vijanden thuis in Tallinn spraken nu van regelrecht landverraad, waarop hij gas terugnam. Hij ontkent inmiddels de gewraakte uitspraak te hebben gedaan en voor zo’n commissie te hebben gepleit. Vervelender voor hem is dat een andere veteraan zich ook kandidaat heeft gesteld voor het burgemeesterschap van de hoofdstad: Mart Laar, tweevoudig oud-premier, veelschrijver, Milton Friedman-adept, vriend van de Amerikaanse Republikeinen en volgens velen de machtigste man van Estland.
De Estse gemeenteraadsverkiezingen van komend weekend kunnen dus wel eens spannend worden. Werk aan de winkel voor Savisaars ‘stemadviseurs’ en ’s lands tentverhuurders.
JEROEN BULT

Het communisme is dood. Leve…
Parijs – De meeste Parijse linkeroeverintellectuelen distantieerden zich ruim voor de val van de Muur van het zich daarachter ophoudende regime. Toch kijken de meesten van hen in vertwijfeling terug. Een maand geleden vatte Laurent Joffrin, hoofdredacteur van het linkse dagblad Libération, het heersende sentiment treffend samen toen hij schreef dat het kapitalisme op die bewuste dag zijn ‘beste vijand’ verloor: ‘Twintig jaar later ontwaakt de wereld met een kater. Het ultraliberalisme heeft vrij spel gekregen: het individualisme nam de plaats in van de solidariteit, het consumentisme die van de communistische utopie. Wat hebben wij de afgelopen twintig jaar eigenlijk gedaan?’
Joffrin schreef dat aan de vooravond van de ‘ontmoetingsdagen van Lyon’, een door zijn krant georganiseerde driedaagse conferentie onder de slogan 20 ans après la chute du Mur! Geen van de aanwezige (oud-)politici en intellectuelen, onder wie Wojciech Jaruzelski, Alain Finkielkraut en Adam Michnik, kon een bevredigend antwoord op Joffrins vraag formuleren.
Dan hebben de communisten het in Frankrijk toch een aanzienlijk stuk makkelijker. Niet die van de Parti Communiste Français, uiteraard. Deze op de Sovjet-Unie georiënteerde partij, in haar hoogtijdagen de grootste van het land, moest net als haar Europese zusterpartijen toezien hoe haar achterban na de val van de Muur als sneeuw voor de zon wegsmolt.
Voor de trotskisten van de Nouveau Parti Anticapitaliste (NPA) lag dat anders. Als alle communisten zijn trotskisten uit op de vernietiging van het kapitalisme via een arbeidersrevolutie. Onderscheidend voor het trotskisme is echter de kritiek op de vorm die deze revolutie in de Sovjet-Unie onder Stalins leiding had aangenomen. De val van de Muur en de ineenstorting van de gehate USSR boden de trotskisten daarom een unieke kans, aangezien de communistische idee naarmate de tijd verstreek onherroepelijk van het sovjetdrama ontkoppeld zou raken.
Bij het leiderschap van de NPA drong dat besef overigens pas later door. Wat in 1989 overheerste was de vrees om in de val van de afbrokkelende Muur te worden meegesleept. Maar de NPA verkeert in blakende gezondheid en de communistische idee maakte in Frankrijk de laatste jaren een onmerkelijke revival door. Dat is zeker ook te danken aan de maoïstische filosoof Alain Badiou, wiens dit voorjaar verschenen L’hypothèse communiste inmiddels dertigduizend keer over de toonbank ging.
Voortaan waait de revolutionaire wind dus gewoon weer uit het Westen.
MARIJN KRUK