In de wereld

In de wereld

Het uithangbord mort
Berlijn – Hoezo bezorgt kraken alleen maar overlast? Terwijl de Tweede Kamer het bezetten van leegstaande panden heeft verboden, ontdekken politici in Duitsland de economische waarde van het protest – en weet een Nederlandse investeerder er een slaatje uit te slaan.
Deze zomer bezetten meer dan tweehonderd kunstenaars het historische Gängeviertel in het centrum van Hamburg. De Nederlandse eigenaar Hanzevast wil de twaalf huizen deels slopen en een hip buurtje creëren met kantoren, winkels, trendy cafés en dure woningen. Geheel tegen de zin van de krakers. Zij wensen betaalbare woon- en werkruimte. Geen ‘gesegregeerde stad’, met het centrum voor de veelverdieners en toeristen en het plebs in de buitenwijken.
Des te onverwachter was de reactie vanuit de gevestigde orde. In plaats van de mobiele eenheid wachtte de krakers vanaf dag één een warme deken. Duizenden Hamburgers hebben inmiddels de tot ateliers en woningen omgevormde panden bezocht. Van de rechtse boulevardbladen tot de progressieve kwaliteitskranten, van de behoudende CDU tot de Groenen – iedereen vindt het fantastisch.
Zelfs de goeroe van de creatieve stad himself, Richard Florida, heeft zich uitgesproken. Zijn bestseller The Rise of the Creative Class heeft lokale politici en city marketeers over de hele wereld geïnspireerd in te zetten op ‘creativiteit’ als ontwikkelingsstrategie. Volgens Florida zou Hamburg ‘wereldwijd als model kunnen dienen’ als de stad de kunstenaars mee laat beslissen over de ontwikkeling van het bedreigde buurtje.
‘Ergens stoort het me, dat het initiatief geen vijanden heeft’, citeerde het linkse weekblad Jungle World een van de krakers. En inderdaad passen de plannen van de kunstenaars naadloos in het beeld van een creatieve, levendige stad dat Hamburg zo graag wil uitstralen. Beter dan het project dat Hanzevast voor ogen staat. Volgens diverse media probeert het Hamburgse stadsbestuur nu onder de afspraken met de Nederlandse investeerder uit te komen. Er wordt gerept van een afkoopsom van ruim twee miljoen euro. Waarmee het kunstenaarsprotest ook de huiseigenaar geen windeieren heeft gelegd.
De krakende kunstenaars zelf zijn blij met hun eerste overwinning. Maar ze weten ook dat het stadsbestuur niet uit idealisme handelt. ‘Wij moeten voor sfeer zorgen, voor het aura en de hoogwaardige vrijetijdsbesteding, zonder welke een stad tegenwoordig niet meer wereldwijd kan concurreren’, heet het in een door Die Zeit afgedrukt manifest. De ellenlange lijst ondertekenaars past voor de rol als uithangbord van het ‘merk Hamburg’. Of de lokale politiek zich die felle kritiek zal aantrekken, valt te betwijfelen. Het is vast goed voor het eigenzinnige imago van de stad, zo’n lekker links manifest.
KOEN HAEGENS

De baarden en de schrijver
Rabat – Het werk van Mohammed Zafzaf is sinds enkele weken onderwerp van polemiek. In hun huisorgaan Attajdid (De Vernieuwing) vragen de islamisten van de politieke partij PJD zich hardop af of met name Muhawalat Aïch (Een leefpoging) wel geschikt is om op middelbare scholen te worden onderwezen. Deze roman wordt door de baarden immoreel gevonden.
Zafzaf, die in 2001 op 56-jarige leeftijd overleed, wordt in Marokko als een groot schrijver beschouwd. Hij is hier ook geliefd, vermoedelijk omdat hij zo dicht bij de werkelijkheid bleef. Zafzaf wordt vaak vergeleken met die andere realist, Mohammed Choukri. Evenmin als Choukri deinsde Zafzaf ervoor terug de allerarmste milieus te beschrijven, die van sigarettenverkopers en dronkelappen, straatkinderen en hoeren.
Een leefpoging verscheen in 1985 en kwam in 2006 op de nationale boekenlijst terecht als verplichte kost voor eindexamenkandidaten. Dat er nu, drie jaar later, gedoe over is, komt omdat ouders de parlementariërs van de islamistenpartij PJD – de op één na grootste partij van het land – brieven hebben geschreven. Die waren niet aan dovemansoren gericht.
Een leefpoging zou in tegenspraak zijn met de nobele waarden van de islam, die van de maatschappij, et cetera. De islamisten willen het boek overigens niet verbranden maar vinden dat het beter gelezen kan worden door studenten, op de universiteit, scholieren zouden er nog te jong voor zijn. Hiertegenover staan de leraren die van mening zijn dat leerlingen best met hun neus op feiten mogen worden gedrukt die ze al lang kennen – ze leven immers in de Marokkaanse maatschappij.
De discussie beweegt zich inmiddels in de richting van een debat over de ideologie achter het onderwijs tout court – wat moeten scholen leerlingen eigenlijk leren? Twee richtingen tekenen zich af. De ene, die hoogtij voert in het huidige onderwijs, leert leerlingen dat Marokko le plus beau pays du monde is, dat de Marokkaanse democratie haar gelijke in de wereld niet kent, en dat alcohol, sigaretten en leugens verboden zijn. De andere richting, die liever kritische geesten kweekt, zou best met leerlingen in discussie willen over bijvoorbeeld de alomtegenwoordige corruptie en over de even alomtegenwoordige consumptie van alcohol. Ook de hypothese dat hypocrisie en leugens het fundament vormen van het sociale leven in Marokko, familierelaties niet uitgezonderd, achten zij een stevige discussie waard. Voor deze realisten vormen de romans en novellen van Mohammed Zafzaf een prima aanleiding dit soort onderwerpen eindelijk eens op scholen aan te roeren.
KEES BEEKMANS

Hegel, humor en hoge hoeden
Londen – Dada is ontstaan in Edwardiaans Engeland. In 1911 verscheen What a Life! An Autobiography van de aristocraten E.V. Lucas en George Morrow. Het is geschreven met pen, schaar en lijm. Basismateriaal was een catalogus van Whiteley’s, waaruit ze plaatjes knipten van allerlei voorwerpen, variërend van bedden tot asbakken, van hangmatten tot tuinhuisjes. Aan de hand daarvan vertelden ze op droogkomische wijze de levensgeschiedenis van een typische Edwardiaan. ‘The Duke of Pudsey’, zo staat er bijvoorbeeld naast een afbeelding van acht paraplu’s, ‘was also something of a kleptomaniac, and after his death an extraordinary collection of umbrellas which he had removed from the club stand was discovered.’
In sommige huizen lag het boek net als de King James-bijbel aan de ketting nabij de open haard en de Franse surrealist Raymond Queneau zou er laaiend enthousiast over schrijven. Tevens werd het tentoongesteld in het New Yorkse museum voor moderne kunst. Het proto-dadaïstische What a Life! kwam helaas niet ter sprake in The Making of Modern Britain van Andrew Marr, een televisieserie die gebaseerd is op het gelijknamige boek. Sterker, in het openingshoofdstuk over de Edwardians beweerde Marr dat de aristocraten indertijd weinig gevoel voor humor hadden. Terwijl de stugge adel naar de Royal Command Performance ging, zochten de Cockneys hun vertier in de music hall, aldus Marr.
De klassenbewuste BBC-journalist had sowieso weinig goede woorden over voor de gevestigde orde in het tijdperk van Edward, de koning die hoge hoeden populair maakte. De naar hem genoemde periode staat bekend als een ontspannen intermezzo tussen het Victoriaanse tijdperk en de Eerste Wereldoorlog. Er heerste een Ondergang van het Avondland-gevoel, al kan er in de Britse situatie beter worden gesproken over de ondergang van het Rijk waar de Zon Nooit Onder Gaat. Marr noemde het parlement spottend een ‘aristocratic, barnacled club’ en de Conservatieve politicus Joe Chamberlain ‘ligt op de loer in zijn club’ teneinde het werk van de liberale premier David Lloyd George te frustreren, een good guy in Marrs optiek.
Een bescheiden Historikerstreit kon niet uitblijven. Onder de kop A Patronising and Ignorant Piece of History schreef collega-journalist Charles Hilary Moore dat Marr geschiedschrijving gebruikt als een rechtszaak. Marr zou andersdenkenden in het verdachtenbankje plaatsen om ze te veroordelen aan de hand van hedendaagse maatstaven. Volgens Moore heeft Marr te veel partij gekozen door de vakbonden, radicalen en suffragettes als Goed te beschouwen en alles wat Conservatief was als Slecht. Moore kreeg bijval van de theologiehistoricus Sheridan Gilley. Deze attendeerde Marr op de onderbelichte en soms verrassende rol van Engelse Conservatieven bij maatschappelijke vooruitgang. Tegen wil en dank weten ze als geen ander noodzakelijke veranderingen in goede banen te leiden, een situatie die niet past binnen een hegeliaanse analyse.
PATRICK VAN IJZENDOORN
Onder de evenaar
bestaan geen zonden
São Paulo – Brazilianen weten dat alles en iedereen te corrumperen valt. En ze veroordelen het moreel. Maar uit een onderzoek van dagblad Folha de São Paulo blijkt dat iedereen zich wel ergens schuldig aan maakt: van het verkopen van zijn stem bij verkiezingen tot het kopen van illegale cd’s. Daar geef je dan een spreekwoordelijke draai aan: ‘Onder de evenaar bestaan geen zonden.’
Ook niet in de kerk: daar is alles te koop. Want als Brazilianen ergens mee zijn te misleiden, dan is het wel met het geloof. Dat gaat namelijk diep in Brazilië. En er is voor ieder wat wils: van de katholieke kerk tot Afro-Braziliaanse macumba, streng protestantisme tot televisiedominees. Elk belooft de toegang tot het ware geloof en het geluk.
En daar schuilt het gevaar. Want stel, de dominee biedt je uitzicht op zakelijk succes, of het terugwinnen van je weggelopen echtgenoot, ontsnapping aan een alcoholverslaving, of Jezus’ liefde, dan wil je daar best voor betalen. De ‘tiende’, noemen ze dat nog altijd met een ouderwets woord in de evangelische belijdeniskerken. Maar het blijft niet bij een tiende: hoe meer je betaalt, des te meer je mag terugverwachten van Jezus.
Stervoetballer Kaká, voor 65 miljoen euro tot 2015 vastgelegd bij Real Madrid, schenkt die tiende met alle liefde aan de evangelische kerk Igreja Renascer em Cristo. Dat de oprichters van die kerk twee jaar eerder waren veroordeeld in de Verenigde Staten vanwege illegale uitvoer van 56.000 dollar (deels verstopt in een bijbel) doet daarbij niet ter zake. Het is allemaal Gods wil. Volgens Kaká’s vrouw (en pastoor) die binnenkort een dependance van de Renascer-kerk opent in Madrid, kwamen de 65 miljoen euro voor Kaká óók van God.
Dus wie zeurt er nou over de enkele tientjes die ‘monseigneur’ Marcos Rodrigues Fontana aftroggelde van begrafenisgangers op een begraafplaats in São Paulo? Deze man, gewijd in toga met alle katholieke parafernalia, beloofde rouwenden te bidden voor de gestorvene. Hij kon ook de begrafenis leiden of zelfs een huwelijk inzegenen. Vervolgens eiste hij een donatie, in de vorm van kleren of geld (twintig tot tachtig euro), zogenaamd voor een crèche.
Hij werd ontmaskerd nadat meer dan veertig mensen een aanklacht hadden ingediend en het aartsbisdom van São Paulo in actie was gekomen. Het bisdom was vooral verbolgen over het feit dat hij zich als katholiek priester, monseigneur nog wel, had voorgedaan. Fontana verdedigde zich met de argumentatie dat hij niet van de apostolische kerk van Rome was, maar van de ‘verenigde apostolische kerk van Brazilië’. Het werd hem niet vergeven. Fontana had beter een eigen kerk kunnen openen.
STIJNTJE BLANKENDAAL

De sterke arm mort ook
Moskou – Het is een trend. Video’s op YouTube waarin politieagenten een boekje opendoen over corruptie in hun korps. Het begon vorige week met majoor Alexei Dymovksy uit Novorossisk die klaagde over mensen die hij ten onrechte moest arresteren, over papieren die hij moest vervalsen, over smeergeld voor hogere officieren, over dure cadeaus voor commandanten. De twee filmpjes op internet, met een dramatische oproep aan Vladimir Poetin om de politie te zuiveren, kregen alle aandacht van de media.
Het bleef gissen hoe Dymovsky precies op het plan was gekomen om zo afstand van zijn werk te nemen. Zou hij onderdeel zijn van een complot? Ondertussen doken binnen een paar dagen nog enkele filmpjes op YouTube op. Van Grigory Chekalin uit Komi, een voormalige aanklager die onschuldigen achter tralies had gestopt. Van Michael Jevsejef, uit Komi, met soortgelijke klachten. Van Vadim Smirnov uit Moskou, een ontslagen politieman die sprak over de lange werktijden en de valse boetes die hij moest uitschrijven. Ze zeggen wat iedereen weet: de politie in Rusland deugt niet.
Het zijn allemaal mannen tussen de dertig en veertig die al jaren meedraaien. Ze zijn ook allemaal recent in aanvaring gekomen met hun superieuren. Een eenvoudige verklaring voor de hype is wraak op hun bazen. Per slot zegt de Russische regering dat corruptie probleem nummer 1 is, dus wanneer je je met een dramatische oproep tot de premier richt, krijg je de steun van het volk en misschien wel gratie. Maar de filmpjes lijken in stijl allemaal erg op elkaar. Alsof ze geregisseerd worden. Het zou in Rusland niet de eerste keer zijn dat achter schijnbare openheid vooral machtsstrijd schuilt. Maar dan is de vraag: tussen wie?
Een laatste verklaring die de experts bieden is dat deze politieagenten echte mannen zijn. Geen sukkelige dokters die al eeuwen met zich laten sollen. Maar mannen die vinden dat ze rechten hebben, op geld, huizen, auto’s. Omdat ze het land op orde houden. Wanneer ze niet krijgen waar ze recht op hebben, worden ze boos. Normaal een gevaar voor het volk, worden ze dan een gevaar voor de regering. In die optiek zou de door het regime zo gevreesde ‘Oranje Revolutie’ – de opstanden die voor de regeringswisseling zorgden in Oekraïne – niet van het volk komen, maar van de politie. Dat zulke onwaarschijnlijke scenario’s verzonnen worden, zegt veel over de Russische vrees voor onrust. Vermoedelijk zijn het gewoon eerlijke kerels en zal de revolutie wel uitblijven.
MENNO HURENKAMP
Slappe toorn van
de straatvechter
Parijs – Namen en rugnummers zou hij noemen. Charles Pasqua, voormalig pastisverkoper, oprichter van de gaullistische partij RPR (in 2002 opgegaan in de UMP) en oud-minister van Binnenlandse Zaken, had dan ook alle redenen om verbolgen te zijn. Twee weken geleden werd hij veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, waarvan twee voorwaardelijk, en een boete van honderdduizend euro. Dit in verband met ‘Angolagate’: illegale wapenleveranties aan de Angolese regering in 1994.
Pasqua’s toorn treft vooral zijn voormalige vriend en latere rivaal: oud-president Jacques Chirac. Het zou namelijk geen toeval zijn geweest dat juist in 2002, het jaar van Chiracs herverkiezing, serieus werk van de sudderende affaire werd gemaakt. Volgens Pasqua, die in 1995 een rivaal van Chirac steunde en in 2002 overwoog zelf een gooi naar het Elysée te doen, zou het om een wraakoefening gaan. En dan heb je aan Pasqua een slechte. ‘Le terrible monsieur Pasqua’, noemde François Mitterrand hem al. Hij vecht bij voorkeur onder de gordel. Alleen huidig president Nicolas Sarkozy was hem te slim af, tijdens de strijd om het burgemeesterschap van de rijke voorstad Neuilly-sur-Seine.
Op een persconferentie zou Pasqua afgelopen week een boekje opendoen over de betrokkenheid van Chirac bij Angolagate. De belangstelling was groot. In de aanloop naar de persconferentie werd hier en daar gezinspeeld op een ophanden zijnde ‘zelfmoord’ van Pasqua. Zelfmoord? Hoezo dat? Het bleek een verwijzing naar de mysterieuze dood van minister van Arbeid Robert Boulin.
Op 30 oktober 1979 werd diens ontzielde lichaam gevonden in een vijftig centimeter diepe plas in de omgeving van Parijs. De weken daarvoor was Boulin onderwerp geweest van een vileine, maar ongefundeerde hetze in de Franse pers over een vakantiehuis dat Boulin liet bouwen. Zelfmoord, luidde de onmiddellijke conclusie, zelfs al werd hij gevonden met gesloten mond, zonder moddersporen op zijn schoenen en broekspijpen en met gebogen lichaam, alsof hij in een kofferbak gelegen had. Bij een tweede autopsie stelde een arts bloeduitstortingen vast in Boulins hals.
Was de mediahetze een opzetje om een alibi te creëren voor een in scène gezette moord? Boulins weduwe heeft zich altijd sterk gemaakt voor deze theorie. Volgens Franse onderzoeksjournalisten beschikte Boulin over informatie omtrent illegale partijfinanciering van de RPR, nota bene door Saddam Hoessein. De baas van de RPR op dat moment? Charles Pasqua. ‘Zelfmoord’ pleegde Pasqua niet afgelopen week, maar veel steekhoudends had hij ook niet te vertellen. Zelfcensuur, of een aanwijzing dat de tijden in Frankrijk echt veranderd zijn?
MARIJN KRUK