TONEEL

In de zwembadpas door de kindertijd

Kees de jongen/Rennen

140 voorstellingen werden er indertijd (vanaf 19 september 1970) gespeeld in het eerste seizoen van Kees de jongen, vrij naar Theo Thijssen door Gerben Hellinga bewerkt voor Toneelgroep Centrum en geregisseerd door Peter Oosthoek. En het seizoen daarna nog eens ruim veertig. Een toneelhit was het en het is wonderlijk dat het publiek veertig jaar op een tweede versie heeft moeten wachten. Het verhaal over zowat de belangrijkste jongen op de wereld werd door auteur Hellinga prachtig gesplitst in de dromer Kees en de doener Kees. Een tijdloos verhaal over de jonge held in het diepst van zijn gedachten.
Tot ongeveer eind februari speelt De Toneelmakerij hun ‘familieversie’ van Kees de jongen (regie: Liesbeth Coltof) overal in het land. Er zijn wat liederen van Maarten van Roozendaal en Theo Nijland toegevoegd, maar een musical is het niet - tot nu toe is Thijssens kereltje aan die tak van vermaaksindustrie ter jacht ontkomen. Er is een sober decor van grachtenbruggetjes en op het voortoneel staan het bed van Kees’ zieke vader, wat meubeltjes en de schoolklas. In het centrum van de handeling de twee Kezen, door Steyn de Leeuwe en Chiem Vreeken pittig gespeeld in pakjes van zuurtjeskleuren over crisisbruin. De zeven overige toneelspelers nemen een reeks rollen voor hun rekening, met een felgebekte Tamar van den Dop als 'moe’ en een kalm ingeleefde Roel Adam als pa Bakels.
Tweeënhalf uur duurt het, met een pauze, die valt bij de dood van vader. Coltof legt hier in haar secure regie de vinger op een open wond: kinderen worden bij ziekte en dood weggehouden omdat ze die niet aan zouden kunnen, de stille mise-en-scène werkt verstikkend voor de beide Kezen. Het had de voorstelling overigens geen kwaad gedaan als er - met name in dat eerste deel - scherper was gesneden in de ruis en de bijlijnen van het script: we hebben in veertig jaar toneelgeschiedenis wat bijgeleerd over de 'economie’ van het vertellen, de drukte aan subplotjes sleept hier te veel. Het deel na de pauze, waarin wordt toegewerkt naar Kees’ besluit om eerder van school te gaan voor een vaste betrekking, loopt wat dat aangaat een stuk gesmeerder.
En jazeker, de zwembadpas zit er ook in, al zal wel tot in lengte van jaren onhelder blijven hoe die nu precies in elkaar steekt. Wat mij brengt bij een andere voorstelling die alleen al bijzonder is omdat er vrijwel uitsluitend in gelopen en gerend wordt, en omdat ze maar zeer zelden in Nederland te zien is. We bedoelen Rennen van de Kopergietery uit Gent, gemaakt door Gregory Caers en Ives Thuwis met 22 jongens. Begonnen wordt er in het pikkeduister met keiharde elektronica ('Rez’, fluisterde een puber naast me) en als de lichtspots aanschieten zet een groep jongens zich in beweging, een strak loopritme naar voren en weer terug, vice versa, onverschrokken blik op het publiek, de catwalk van de vastberadenheid, gelijke tred, steeds pittiger tempo: kippenvel. Dan staan ze plots op één rij, ritsen in één beweging hun hemden open, eentje schreeuwt en de chaos barst los.
Rennend bepalen ze vanaf nu zelf hun ritme, ze nemen halve lengtes, draaien om hun as - een waanzinnige bende wordt het, maar er zit systeem in. Het spel neemt merkwaardige wendingen, het Vlaamse volkslied klinkt, begeleid door een pesterig obsceen gebaar dat we niet verklappen. En dan barst de explosie van jonge energie in volle omvang los, op muziek van David Bowie, dEUS. Hier past het cliché: dit is niet te beschrijven, dit moet je zien, meemaken. Als het gedaan is, zou je willen dat ze meteen opnieuw beginnen. Maar dat is dan voor die 22 ademloze boys echt een potje te veel gevraagd.

Kees de jongen speelt t/m 21 februari overal in het land. www.toneelmakerij.nl. Rennen door de Kopergietery speelt 9 januari in Enschede, 16 januari in Rotterdam, 20 februari in Breda en 21 februari in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. www.kopergietery.be