Mevrouw de premier staat bij voorbaat achter

In Den Haag is de man aan de macht

Slechts één vrouw zal als lijsttrekker de komende verkiezingsstrijd in gaan. Dat is geen toeval. Vrouwen zijn op het Binnenhof na bijna een eeuw algemeen kiesrecht nog steeds in het nadeel. Maar hardop klagen is taboe.

Enige tijd geleden gebeurde er op de wandelgang in de Tweede Kamer iets dat kenmerkend is voor de omgang met vrouwen in het parlement. Een groepje mannelijke journalisten en perswoordvoerders stond luid te ginnegappen over de kleding van een vrouwelijke minister die op een groot televisiescherm was te zien toen zij Kamervragen moest beantwoorden. Het groepje mannen vond dat de minister zo idioot slecht was gekleed dat een van hen het een goede grap vond een foto van haar te maken. Lachen! Welkom op het Binnenhof.

Komend jaar wordt in Den Haag gevierd dat het algemeen kiesrecht honderd jaar bestaat. Daar moet bij worden gezegd dat in 1917 alleen alle mannen voor het eerst mochten gaan stemmen, en niet zoals voordien alleen de mannen die ‘kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand bezaten’. Twee jaar later ging het algemeen kiesrecht pas in voor vrouwen.

De eerste vrouw, Suze Groeneweg, deed eveneens pas in 1919 haar intrede in de toen reeds een ruime eeuw uit twee Kamers bestaande Staten-Generaal. Zij werd niet door iedereen van harte welkom geheten, zo blijkt. ‘Een boer uit de omstreken van Rotterdam voerde mij tegemoet: De vrouw mag het kiesrecht niet hebben, omdat de vrouw een rib is van Adam. Precies dezelfde redeneering, die nu – na vijftien jaar – hier wordt neergeschreven door een staatsman. Ik heb toen geantwoord: wij ijveren voor het vrouwenkiesrecht en niet voor het ribbenkiesrecht. U heeft mij dus verslagen, indien u het bewijs kunt leveren, dat die rib van weleer in al die eeuwen niet is uitgegroeid tot een volwasschen mens.’

Na 1919 duurde het nog een kleine veertig jaar voordat Nederland een eerste vrouwelijke minister kreeg: Marga Klompé. Mejuffrouw Klompé welteverstaan, want zij was ongetrouwd. Huwelijk en moederschap werden geacht niet samen te gaan met werken buitenshuis. Eén vrouwelijke minister in een kabinet vonden de mannen bovendien wel voldoende. Het duurde dan ook iets meer dan 26 jaar voordat er voor het eerst twee vrouwelijke ministers in één kabinet zaten. Het was inmiddels 1982.

Ook dat is al weer bijna 35 jaar geleden. In het huidige kabinet zitten vijf vrouwen. Zo’n groot aandeel vrouwen, 38,5 procent, heeft een ministersploeg nog nooit gehad. Maar op een bevolking die uit net iets meer vrouwen dan mannen bestaat, in een land dat zichzelf ziet als vooruitstrevend en geëmancipeerd, is het nog steeds een schamel percentage. En een vrouwelijke minister-president heeft Nederland nog nooit gehad. Het weerwoord daarop van menige man op het Binnenhof: maar we hebben toch twee vrouwelijke Kamervoorzitters. Een omgekeerde situatie zouden de heren zich niet eens voor wíllen stellen.

Hoogleraar vergelijkende politicologie aan de Radboud Universiteit, Monique Leyenaar, laat in haar boek Hare excellentie ook met een andere berekening zien hoe zestig jaar na Klompé een man als minister de norm bleef: in die ruime halve eeuw waren er 33 vrouwen minister tegenover 181 mannen. Van die mannen heeft er nog nooit één ouderschapsverlof aangevraagd, noteert ze. Hoe geëmancipeerd is dat?

Is dit een klaagzang? Voor dit stuk heb ik niet alleen geput uit eigen observaties, het reeds genoemde boek van hoogleraar Leyenaar en onderzoek van twee vrouwelijke onderzoekers aan de Universiteit van Amsterdam, Loes Aaldering en Daphne van der Pas, maar heb ik ook vrouwelijke (ex-)Kamerleden benaderd. Als die laatsten al mee wilden werken, deden de meesten dat alleen als ze anoniem konden blijven. Want ja, anders werden ze weer gezien als van die klaagtrutten.

Aaldering hoopt komend jaar aan de UvA te promoveren op haar onderzoek naar politiek leiderschap, met als onderdeel vrouwelijk politiek leiderschap en hoe de media daarmee omgaan. Samen met Van der Pas bestudeerde ze daarvoor de Nederlandse situatie tussen 2006 en 2012. In die zes jaren waren er vijf vrouwen die een politieke partij leidden, tegenover zestien mannelijke partijleiders.

Als de twee een latere periode zouden hebben gekozen voor hun onderzoek, hadden ze het niet kunnen uitvoeren. Er is inmiddels nog maar één vrouwelijke politiek leider in Den Haag, Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren. Dat is al een aantal jaar zo en zij zal ook als enige vrouwelijke partijleider de komende verkiezingen in gaan. Slechts één vrouw is te weinig om wetenschappelijk een goede vergelijking te maken.

In de onderzochte periode hebben de twee onderzoekers wetenschappelijke ondersteuning gevonden voor hun hypothese dat vrouwelijke politiek leiders in de media op achterstand komen te staan ten opzichte van hun mannelijke collega’s. Ze hebben daarbij niet gekeken naar het aantal keren dat het gaat over de kleding van vrouwelijke politiek leiders of over hun moederschap. Ze hebben uitsluitend uitgezocht hoe vaak media berichten over vijf leiderschapskwaliteiten: vakmanschap, daadkracht, integriteit, communicatieve vaardigheden en consistentie.

Over mannelijke politiek leiders blijkt vaker bericht te worden dan over vrouwelijk politiek leiderschap als het gaat om drie van deze kwaliteiten: vakmanschap, daadkracht en communicatieve vaardigheden. Dat vrouwen ook bij die laatste er bekaaid af komen, hadden de twee onderzoekers niet verwacht. Gewoonlijk worden vrouwen juist gezien als communicatief sterker.

De berichtgeving zelf is voor zowel mannelijke als vrouwelijke politiek leiders ongeveer even vaak positief als negatief. Maar door het hogere aantal keren dat het in de media over de leiderschapskwaliteiten van mannen gaat, zijn vrouwen uiteindelijk toch in het nadeel. Aaldering en Van der Pas trekken uit hun onderzoek de conclusie dat mediagebruikers vaker lezen en horen over mannen in relatie tot leiderschapskwaliteiten, waardoor in de hoofden van mensen leiderschap als zodanig geassocieerd blijft worden met mannen.

Vrouwen binnen de PvdA wisten dat het helemaal niet echt de bedoeling was dat ze de partij zouden gaan leiden

Eerder wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat gunstige berichtgeving over een politiek leider het stemgedrag van de kiezer positief beïnvloedt, en omgekeerd negatieve berichtgeving kiezers afschrikt. Voeg dat bij het onderzoek van Aalders en Van der Pas en je snapt dat de pvda-top helemaal geen vrouwelijke partijleider wilde, ook al werd er formeel gezocht naar een vrouw die het op wilde nemen tegen Diederik Samsom en Lodewijk Asscher. Vier jaar geleden waren er nog Nebahat Albayrak en Lutz Jacobi, maar nu had geen enkele vrouw er zin in deel te nemen aan de leiderschapsstrijd binnen de pvda. Vrouwen binnen de pvda wisten dat het helemaal niet echt de bedoeling was dat ze de partij zouden gaan leiden. Ze zouden de excuustruustegenkandidaat zijn geweest. Nee, bedankt.

De pvda heeft in haar ruim zeventigjarig bestaan ook nog nooit een vrouwelijke leider gehad. cda en vvd, twee andere lang bestaande partijen, overigens ook niet. Toeval of niet, het zijn uitgerekend de partijen die het vaakst regeringsmacht hebben. Macht, ook dat wordt niet met vrouwen geassocieerd.

Tussen 2006 en 2012 leek de vrouwelijke politiek leider, getalsmatig in ieder geval, echter in opmars. Vijf waren er in die jaren, al waren ze dan wel leider van (relatief) kleine partijen. Agnes Kant leidde de SP korte tijd, GroenLinks had achtereenvolgens Femke Halsema en Jolande Sap, de pvdd werd ook toen al geleid door Marianne Thieme, en Rita Verdonk was eerste vrouw bij haar eigen Groep Verdonk nadat ze uit de vvd-fractie was gezet.

Mocht het een wel heel voorzichtig begin zijn geweest, en dan ook nog eens bij partijen die weinig in de melk te brokkelen hebben in Den Haag, er is weinig van over. Is dit toeval of is er meer aan de hand?

Na vele gesprekken durf ik te stellen dat het géén toeval is. Er zijn meerdere oorzaken voor. Ik refereerde al aan de conclusies uit het onderzoek naar vrouwelijk politiek leiderschap en hoe de media daarover berichten. Vrouwen zijn daardoor al in het nadeel. Dat Kant bij de SP en Sap bij GroenLinks slechts korte tijd het politiek leiderschap droegen, maakt vrouwen extra huiverig om hun nek uit te steken, is het vermoeden van een deel van mijn gesprekspartners.

In gesprekken met deze vrouwelijke (ex-)politici wordt verder vaak gerefereerd aan de verharding van het politieke debat. Het op de persoon spelen, het beledigen van bevolkingsgroepen, het pleur-op-taalgebruik, ze voelen zich er niet senang bij en zeggen zichzelf geweld te moeten aandoen als ze daarin mee zouden gaan. Bovendien, zo weten ze, zullen hun mannelijke collega’s en de pers hen dan afstraffen: bah, wat een viswijf. Twitter heeft het er volgens hen voor vrouwen ook niet makkelijker op gemaakt. Daarop is het vaak schelden in het kwadraat. Een gesprekspartner zou het interessant vinden als wetenschappelijk zou worden onderzocht of haar observatie klopt dat vrouwen op Twitter harder worden aangepakt dan mannen.

Wat ook meespeelt is dat de politiek steeds vaker als een wedstrijd wordt beschreven, met alleen winnaars en verliezers. Zo kopte de Volkskrant onlangs in de aanloop naar de komende verkiezingscampagne: Rutte gaat lachend de boksring in. Een treffender beeld voor wat vrouwelijke politici vertelden is er niet. Maar vrouwen boksen toch ook? Dat klopt, maar niet tegen mannen, want daar zullen ze waar het hun fysieke kracht betreft niet van kunnen winnen. Zo onvrouwelijk ook, dat boksen, toch?

Verbinden mag dan een in woorden beleden politieke trend zijn, de oudere garde vrouwelijke politici vindt het opvallend dat haar jongere vrouwelijke collega’s zich niet met elkaar verbinden om massa te maken. Jezelf feministe noemen is uit de tijd bij de generatie vrouwen die nu in het parlement zit.

Dat vrouwen elkaar het licht in de ogen niet zouden gunnen, zoals vaak wordt beweerd, daar hebben mijn gesprekspartners een verklaring voor. Mannen beloven elkaar functies als ze carrière maken. Ze trekken elkaar in de piramide mee omhoog. Ze kunnen dat ook veel gemakkelijker doen dan vrouwen, omdat ze vaker een hoge functie krijgen. Het is een vicieuze cirkel, meer mannen die weer mannen meetrekken. Het geringe aantal invloedrijke functies dat door vrouwen wordt bezet, leidt juist tot concurrentie onder vrouwen.

Kijk eens hoe goed pvda-leider Diederik Samsom zijn maatje van oudsher Jeroen Dijsselbloem beloonde en hoe ook fractiegenoot Martijn van Dam goed terechtkwam. Maar die zijn ook gewoon capabel voor een kabinetspost, zult u zeggen. Was oud-fractievoorzitter Mariëtte Hamer dat dan niet?

Over drie maanden zijn er landelijke verkiezingen. Eén vrouwelijke lijsttrekker is er dus. Bij vier partijen, vvd, cda, d66 en sp, staan er vier vrouwen bij de eerste twaalf. Het lijkt wel afgesproken werk. De pvda heeft al een aantal jaren een lijst met om en om een man en een vrouw, met dus altijd op de eerste plaats een man. Die ‘eerlijke’ verdeling tussen mannen en vrouwen is bij de pvda vooral om naar buiten toe de indruk te wekken dat ze een geëmancipeerde partij is. In de praktijk komt er niet veel van terecht.

Veel vrouwelijke pvda’ers hebben dan ook honend gelachen toen Samsom beloofde dat als hij opnieuw partijleider wordt hij werk gaat maken van ‘mevrouw de premier’. Samsom, de mannen-man, zeggen ze. Het is tekenend voor het Binnenhof. In Den Haag is de man aan de macht.


Beeld: Milo