In dienst van de roede

WAT DE LICHAMELIJKE liefde betreft zijn er twee scholen: zij die het orgasme zo veel mogelijk proberen te vermijden, zoals de volgelingen van de taoïstische leer, en zij die zo vaak mogelijk proberen klaar te komen. De eerste school, laten we het de leer van de zelfbeheersing noemen, heeft zijn wortels in het oosten; de tweede, misschien minder een leer dan een gewoonte, is populairder in de christelijke westelijke cultuur.

Er zijn weinig dingen die ons zo bezighouden als het orgasme en de wegen erheen. Een bevredigend afspraakje, zo zullen de meeste mannen moeten toegeven, eindigt met een zaadlozing. In een interview met de voetballer Brian Roy, een jaar of wat geleden, werd de vraag gesteld: wat is lekkerder, een doelpunt of klaarkomen? Zijn antwoord ben ik vergeten, maar het feit dat deze twee dingen met elkaar vergeleken worden, zegt genoeg - de afgelopen maand heeft weer eens aangetoond hoe belangrijk wij doelpunten vinden.
Een liefdesscène in willekeurig welke film is niet compleet zonder een geacteerd hoogtepunt: meestal een in soft focus geschoten, juichend samensmelten van lichamen, of een cumshot in de wat explicietere cinema. Zelfs preutse Hollywoodfilms, waarin seks altijd wordt bedreven met het nachtgoed aan, kunnen niet onder het orgasme uit, zij het dat het daarin enkel wordt gesuggereerd door de verzaligde glimlach en tedere verstrengeling van de hoofdrolspelers na afloop.
Een man die zijn vrouw niet tot een hoogtepunt kan brengen is al eeuwen een geliefd onderwerp van spot in de literatuur, van Chaucer tot Lope de Vega. Wat dat betreft heeft de man het er de afgelopen decennia niet makkelijker op gekregen: wie wel eens een damesblad opslaat weet dat het orgasme inmiddels van plezierig bijproduct van de liefde tot dure plicht is geworden.
Het is dan ook logisch dat grote minnaars vaak een legendarische status krijgen. De in 1725 in Venetië geboren avonturier en levenskunstenaar Giacomo Casanova staat bekend als een kampioen van het orgasme - zijn veroveringen spreken nog altijd tot de verbeelding. De memoires die hij schreef, twaalf delen Histoire de ma vie, hebben hun pikante reputatie grotendeels te danken aan de fikse hoeveelheid erotische avonturen die ze bevatten, en aan de openhartigheid waarmee ze geschreven zijn. Niet alleen verovert Casanova vrijwel iedere vrouw waar hij zijn zinnen op zet, maar ook beschrijft hij meer dan eens hoe het genot hem zo woest in haar greep houdt dat zijn zaad niet toereikend is en hij bloed begint af te scheiden.
ZONDER IETS af te willen doen aan deze sportieve prestaties: wat Casanova interessant maakt zijn niet zijn avonturen tussen de lakens. In de elf delen van de integrale Nederlandse vertaling die nu zijn uitgekomen (het laatste deel volgt in oktober) zijn er genoeg woeste vrijpartijen, maar de beschrijvingen van zijn verliefdheden, de pogingen die hij doet om iemand te veroveren, de theorieën over de liefde die hij al doende debiteert en de afwikkeling van de affaires nemen veel meer plaats in dan de daad zelf - en zijn veel interessanter dan het vrij worstelen voor dames en heren.
Casanova was namelijk niet een dwangmatige verleider, in de zin dat hij iedere vrouw die zijn pad kruiste wilde bezitten. In het boekje Lessen in levenslust, een korte Casanova-biografie, noemt Arnold Heumakers hem een ‘sentimentele’ libertijn, en als zodanig het tegendeel van een andere legendarische verleider, Don Juan. Casanova verlangde niet zozeer vrouwen te veroveren, als wel verliefd op ze te worden. In deel 9 van De geschiedenis van mijn leven bevindt Casanova zich in Londen en verveelt zich omdat er geen vrouw in zijn leven is. 'Ik had geen vrouw nodig om mijn verlangens te bevredigen, maar wilde er een liefhebben, en in degene naar wie mijn belangstelling uitging veel waardevolle kwaliteiten ontdekken die zowel haar schoonheid als haar karakter betroffen.’
Om deze vrouw te vinden laat hij zijn huishoudster een bordje aan de deur bevestigen waarin hij een deel van zijn appartement te huur aanbiedt 'voor alleenstaande jongedame die zowel overdag als ’s avonds geen bezoek zal ontvangen’. Na het voorspelbare bezoek van een aantal 'oude vrouwen die zich voor jong uitgaven, meisjes die niet deugden, snollen, en brutale meiden’ meldt zich een geschikte kandidate. Casanova heeft er niet lang voor nodig: 'Ik bood haar zoetwaren aan, want ik was al van haar onder de indruk, maar zij sloeg alles bescheiden af.’
Deze zin is, in al haar eenvoud, typerend voor Casanova’s aanpak. De ene keer moet hij meer moeite doen om een object voor zijn liefde te vinden, de andere keer stapelen de kandidaten zich op, maar altijd is hij vanaf het eerste moment zeker van zijn zaak: dit is de vrouw waar hij verliefd op zal worden. Nooit twijfelt hij aan de uiteindelijke 'zoete overwinning’. Sterker nog: 'Mijn ontluikende liefde nam toe in kracht als ik vermoedde dat de verovering mij moeite zou kosten. (…) Ik wist dat geen vrouw ter wereld de voortdurende zorgen en attenties kan weerstaan van een man die haar liefde wil winnen.’
DAT HIJ ZO veel succes had met zijn veroveringen was te danken aan een aantal factoren. Casanova was een mooie man, olijfkleurig van huid en, volgens Heumakers, met een voor die tijd uitzonderlijke lengte van bijna een meter tachtig. Zijn buitengewone viriliteit heeft Casanova zelf uitgebreid beschreven - zonder overigens de indruk te wekken dat hij veel overdreef, want een plezierig kenmerk van zijn memoires is de eerlijkheid waarmee hij over zowel zijn triomfen als zijn nederlagen vertelt.
Minstens zo belangrijk was de manier waarop hij zijn minnaressen behandelde. Hij was een hoofse minnaar: het genot en het welzijn van de vrouw in zijn leven waren minstens zo belangrijk als het zijne. 'Het zien van het genot dat ik gaf, vormde altijd viervijfde van het mijne’, zegt hij. De casanovist J. Rives Childs benadrukt in zijn biografie dat Casanova daarnaast ook veel belang schonk aan de 'geestelijke kant’ van een verhouding: hij stelde oprecht belang in hun verhalen en problemen. Verder was hij buitensporig vrijgevig. Een meisje dat voor de maaltijd betaalde was zijn eer te na, hij ging nooit bij een begeerde vrouw op bezoek zonder prijzige cadeaus mee te nemen en hij steunde hun families met geld. In deel 11 van de memoires, Heimwee naar Venetië, zegt hij tegen de tante van zijn minnares: 'Callimena, voor wie ik zoals u weet zeer tedere gevoelens koester, is al aan mijn verlangens tegemoetgekomen. Ik voel mij echter niet volkomen gelukkig omdat ik niet over de middelen beschik haar van een onbezorgde toekomst te verzekeren.’ Hierna biedt hij aan om de opleiding van het meisje te betalen, neemt de schulden van de familie op zich en geeft de tante opdracht op zijn kosten een aantal jurken te laten maken, 'waarin zij zich in gezelschap als gelijke van de andere dames kan vertonen’.
Daarnaast was Casanova ook nooit te beroerd om een andere, gefortuneerde minnaar voor zijn geliefden te zoeken. Dat lijkt misschien een wat extreme vorm van vrijgevigheid, maar het is inherent aan de manier waarop Casanova liefhad. Zolang hij verliefd is op een vrouw, is hij ervan overtuigd dat hij zonder haar niet kan leven, maar als hij de gelegenheid ziet om ze vooruit te helpen in de wereld, door ze mee te geven aan een gefortuneerde medeminnaar of een geïnteresseerde persoon van goede komaf, doet hij met haast onvoorstelbare edelmoedigheid afstand van ze. Heel zelden komt het voor dat hij een huwelijk overweegt, maar hoe ouder hij wordt, hoe meer hij ervan overtuigd raakt dat het huwelijk hem enkel ongelukkig zal maken. 'Zij weet maar al te goed dat het huwelijk een sacrament is dat ik verfoei’, zegt hij tegen de mooie Pauline, minnares 4 in deel 9. Zij vraagt: ’“Waarom?” “Omdat het huwelijk het graf van de liefde is.” Pauline zuchtte terwijl zij haar mooie ogen neersloeg.’
VAAK MOET Casanova al zijn overredingskracht gebruiken om de meisjes ervan te overtuigen dat ze zonder hem beter af zijn, iets wat hem innerlijk verscheurt, omdat hij, ondanks zijn voornemen om afstand van ze te doen, tot het laatst verliefd op ze blijft.
Bij het afscheid van zijn zeventienjarige minnares Marcolina - Casanova’s voorkeur ging meestal uit naar jonge tot zeer jonge meisjes - vraagt zij hem hoe hij het over zijn hart kan verkrijgen om afstand te doen van hun wederzijdse liefde. 'Ze zei keer op keer niet te begrijpen hoe ik mijn eigen beul kon zijn.’ Casanova antwoordt: 'Ik begreep het evenmin. Ik heb in mijn leven talloze dingen gedaan die ik niet wilde doen, iedere keer werd ik ertoe gedreven door een geheimzinnige kracht, waar ik uit grilligheid verkoos geen weerstand aan te bieden.’
Weerstand bieden was sowieso niet Casanova’s sterkste kant. Uit de memoires blijkt dat hij dit niet zag als een zwakheid, maar als een natuurlijke eigenschap van de menselijke geest. 'Zinnelijke verlangens ontstaan door bepaalde behoeften, ze hinderen, ze gaan samen met twijfel, ze kwellen de geest’, zegt hij, en als daaraan niet toegegeven wordt, kan dat afgrijselijke gevolgen hebben voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Misschien besefte Casanova zelf niet eens hoe de jacht op het orgasme hem beïnvloedde, hoe zijn opvattingen van goed en kwaad erdoor gekleurd werden. Nooit bedenkt hij dat iemand die erg opgewonden is en de gelegenheid ziet tot een orgasme, minder scrupules heeft dan iemand die net klaargekomen is. Steeds meent hij volledig in zijn recht te staan. Als iemand hem weigert, reageert hij met grote woede: 'Wat! Je wilt mij tot wanhoop drijven! Besef wel dat je weerstand mij mijn leven kan kosten!’
Dat dit niet enkel geslepen emotionele chantage is, bewijst zijn bijna fatale affaire met de Zwitserse courtisane La Charpillon, die hij in Engeland ontmoet. Casanova raakt zo door dit meisje gefascineerd dat hij haar koste wat kost wil veroveren. Door haar geslepenheid en terughoudendheid raakt hij letterlijk buiten zinnen. Nadat hij met haar corrupte moeder heeft afgesproken dat het meisje zich - voor een afgesproken bedrag - aan hem zal geven, beleeft hij een 'gruwelijke en treurige nacht, waarin ik mij in alle toonaarden tot het monster richtte: vriendelijk, boos, redelijk, verwijtend, dreigend, driftig, wanhopig, smekend en in tranen. (…) Zij verzette zich drie volle uren tegen mij zonder een woord te zeggen, en bleef steeds opgerold liggen, behalve eenmaal om mij een daad te beletten die mij in zekere zin zou hebben gewroken.’
Hoewel hij hierna woedend het huis verlaat, met het voornemen om zich nooit meer te laten beetnemen, laat hij zich even makkelijk weer inpalmen met de belofte dat het nu toch écht zal gebeuren. De daaropvolgende voorspelbare teleurstelling maakt hem ook lichamelijk ziek, en na enkele slapeloze nachten verlaat hij, ziek van gefnuikte lust en gekrenkte trots, zijn huis, met zijn zakken vol lood, vastbesloten zich van een Londense brug te gooien. Gelukkig komt hij onderweg een vriend tegen die onderweg is naar een feestje waar naakte meisjes zullen dansen.
CASANOVA’S overtuigingen zijn een merkwaardig amalgaam van doordachte theorieën en denken vanuit de onderbuik. Net zo makkelijk als hij de Franse Revolutie veroordeelt om haar immorele denkbeelden - hij schreef zijn memoires op latere leeftijd, toen de Franse Revolutie en de ondergang van het Ancièn Regime in volle gang waren - weet hij het Verlichtingsdenken in dienst te stellen van zijn roede. Volgens zijn theorie kan een intelligent iemand alleen maar libertijn zijn, en dat betekent: genieten zonder remmingen, zonder inmenging van staat of godsdienst.
Als hij op latere leeftijd in vuur en vlam raakt voor een schone jongedame, die zijn eigen dochter blijkt te zijn, laat hij zich niet remmen door kleinzielige burgerlijke opvattingen: 'Ik bedekte haar gezichtje met kussen en maakte gebruik van mijn recht als vader om nauwkeurig te bekijken hoe zij overal was gebouwd, en al haar bekoorlijkheden te roemen, die nog erg pril waren. Pauline (de moeder - aj) zag mij haar al deze liefkozingen geven, en zocht er niets kwaads achter. Zij vergiste zich evenwel. Als zij daar niet aanwezig was geweest, zou de bekoorlijke Sophie het vuur hebben moeten doven dat door haar prille charmes in haar pappa was ontbrand.’ De kleine Sophie wordt uiteindelijk gespaard voor de penetratie van haar pappa doordat hij belangstelling opvat voor het dertienjarige vriendinnetje van zijn dochter.
Als Casanova in onze tijd had geleefd had hij ongetwijfeld allang achter de tralies gezeten. Dat is het lot van iedereen die weigert om zich beperkingen te laten opleggen, en doet wat zijn lichaam en geest hem gebieden. Hoe gelukkig dit Casanova ook maakte tijdens zijn leven, uiteindelijk moest ook hij het hoofd buigen. Op zijn oude dag, als bibliothecaris van de graaf van Waldstein in het Tsjechische Dux, verbannen uit zijn geboortestad Venetië, hield hij meer van zijn foxterriër dan van de vrouwen, en verafschuwde en verachtte hij de menselijke soort. Maar hoe hij ook leed onder zijn ouderdom ('Zo was ik toen, maar helaas ben ik nu een ander persoon. Dat komt, zegt men, doordat met de ouderdom de wijsheid komt. Ik begrijp niet hoe men iets kan roemen dat voortvloeit uit een ellendig verschijnsel’) toch werd het vuur in hem nooit geheel gedoofd. Hij schreef twaalf delen van de mooiste memoires die er bestaan, en in een brief aan zijn vriend Opiz sprak hij verlangend: 'Ik zou graag een arm en een been geven als ik morgen wakker zou worden in de mooie leeftijd van vijfentwintig.’ We hoeven er niet aan te twijfelen dat hij, ook op één arm en één been, geen orgasme had hoeven missen.