In donkerrose steden

‘Jongens’, had de professor gezegd. In zijn ene oog nog de laatste rest jenever van gisteren en het andere al voor de helft gevuld met die van vandaag. Het was een aardige man. Zijn blik zweefde naar buiten, richting IJsclubterrein, geraakte daar in een onbedachtzame vrille, die eindigde boven op het hoofd van een eenzame jonge vrouw die daar niet toevallig liep.

Op weg, zoals elke woensdag om deze tijd, naar malthusiaanse bijles. ‘Jongens, wat je ook doet, zelfs als je Berlijns bruin met Pruisisch blauw laat samensmelten, zorg dat daarin altijd een vleugje donkerrose is langsgekomen.’ Zijn blik maakte een trage looping, wipte achterwaarts weer door het raam naar binnen en zette zich als een stervende bromvlieg op mijn met stugge plakkaatverf besmeurd vel tekenpapier. Waarin ondergebracht een weergave van het oude Museumplein, in de tijd dat daar nog een stuk of wat bunkers (of was het slechts een enkele schuilkelder?) stonden. Het uitzicht was niet honderd procent, omdat wij er met onze schetsboekjes in het bijna volledige duister op uit waren gestuurd en mijn nachtblindheid, alhoewel nog niet gediagnostiseerd, al danig manifest was. Wat was er te zien? Vrijwel niets anders dan een behoorlijk zwart gat van 50 x 65 centimeter met een donkerrose stip in het midden. Want je deed wat de meester zei, hoewel je ook wist dat je daarvan geen Picasso werd. Maar desondanks, je wist maar nooit. Zo was donkerrose mijn leven binnen gewipt, om het nooit meer te verlaten. Ik had in mijn dromen op donkerrose stoelen gezeten, donkerrose botsautootjes op hun staart getrapt, in donkerrose steden bedelaars met door donkerrose druiventrossen aan het oog onttrokken gelaat een aalmoes toegeworpen en de verschrikkelijke donkerrose helhond, die altijd op kwam dagen wanneer er te veel verkeerd glutamaat in de capucijners zat, een schop gegeven. Maar nog steeds was ik blijkbaar zo onbedorven dat een donkerrose handdoek gedrenkt in kleur- en levenloos water mij van mijn stuk bracht. Helemaal verloren was ik niet. Maar nieuwe wegen lopen het lekkerst. Dus. Ik aarzelde niet en ook niet lang.