Interview Christoph Buchwald

«In Duitsland heerst meer een vechtmentaliteit»

Christoph Buchwald geniet in Duitsland grote bekendheid; hier kent men hem vooral in literaire kringen. Vanaf 1 november neemt hij het roer over van Andrée van Es, directeur van de Amsterdamse Balie. «Misschien is het wel goed dat ik niet zo heel veel weet van Nederland.»

«Nederland is op een bepaalde manier veel liberaler. Er wordt veel meer geëxperimenteerd. Tegelijk zie je de andere, minder fraaie kant daarvan, zoals de gebeurtenissen in Volendam en Enschede hebben aangetoond. Voor Duitsers waren die gebeurtenissen echt onvoorstelbaar. Ze kwamen over als erg slordig en nonchalant. Eenzelfde verbazing gold de opvolging van Kok. De eerste vraag die opkomt: kan dat zo, als iemand zegt dat hij opstapt? Waar zijn de kiezers?»

Het is duidelijk dat de uit Duitsland afkomstige uitgever Christoph Buchwald, die de nieuwe directeur van De Balie in Amsterdam wordt, zijn politieke achtergrond meeneemt naar zijn kleine buurland. In zijn beleid — waarover hij wel ideeën heeft, maar zich nog op de vlakte houdt — zal hij zeker met een internationale blik naar Nederland gaan kijken. Zijn magere politieke ervaring vormt daarbij volgens hem geen enkele belemmering.

Buchwald: «Wat ik deed als uitgever, komt op hetzelfde neer. Als literatuur deugt, heeft dat te maken met de grotere kwesties van de maatschappij en de tijd waarin de schrijver leeft. De vraag hoe een mens reageert op de veranderende samenleving is voor De Balie eenzelfde onderzoeksveld als voor schrijvers. Voor mij zijn literatuur en politiek debat als broer en zus. Onderwerpen als biotechnologie, waaraan in ons land Peter Sloterdijk iets probeert toe te voegen, globalisering en nieuwe media beschouw ik als de grote thema’s van nu. Nadenken over verstand, emotie en lichaam tegelijk, dat vind ik wezenlijk. De Balie moet binnen dit dynamische proces een aanjagende functie blijven vervullen.»

Buchwald typeert zichzelf het liefst als iemand die wordt gedreven door een grote nieuwsgierigheid naar andere visies. «Als het tapijt van zekerheden door een boek of een mening van iemand onderuit wordt getrokken, vind ik dat mooi. Ik houd niet van de event-cultuur. Ik probeer een onderwerp te presenteren door er op verschillende manieren tegenaan te kijken. Als je het bijvoorbeeld over geweld gaat hebben, zou ik een architect uitnodigen die vertelt hoe in buitenwijken de manier van bouwen mensen nietig kan maken. Je moet in De Balie verrassing forceren. Ik houd van heldere ideeën, het ego kunnen we dan weglaten.»

Tot verbazing van velen werd de 49-jarige Duitser gekozen als de opvolger van Andrée van Es, die besloot terug te treden om zich te richten op «meer inhoudelijke zaken». Persoonlijke omstandigheden zouden daarbij de doorslag hebben gegeven en niet, zoals onvermijdelijk wordt gesuggereerd door buitenstaanders, omdat ze te weinig betrokken zou zijn geweest.

Ook voor Buchwald zelf is zijn benoeming een verrassing. «Maar het past bij deze tijd om over de grenzen te kijken», zegt hij voorzichtig in perfect Nederlands. Heel veel meer wil hij er niet over kwijt. «Dat lijkt me nu niet het moment. Ik heb er veel zin in. Eerst ga ik maar eens rustig meedoen. Ik zal een beetje huiswerk moeten maken over Nederland. Bescheidenheid lijkt me beter dan meteen een grote mond opzetten hoe ik het allemaal zou willen doen.»

Het Amsterdamse debatcafé kent hij –weliswaar niet van binnenuit, maar met Nederland heeft hij al lang een warme relatie. «De liefde heeft mij naar Nederland gelokt. Acht jaar geleden ontmoette ik mijn echtgenote toen ik bij Hanser Verlag werkte en zij ons de rechten van schrijfster Margriet de Moor verkocht. Sindsdien pendelde ik op en neer naar Amsterdam, eerst vanuit München, later vanuit Frankfurt. Dat is nu gelukkig afgelopen.»

De Duitse uitgever treedt in de voetsporen van illustere voorgangers als Felix Rottenberg en Chris Keulemans. Voor hem zijn het onbekenden, net als Andrée van Es. Hun visies beschouwt hij als een gegeven waar hij verder niet te lang bij wil stilstaan. De multiculturele samenleving, lange tijd een van de pijlers van het Balie-beleid, zal hij zeker als thema willen voortzetten. «Het wordt steeds belangrijker. Het geeft door de verschillende invloeden een andere visie op de samen leving, en dat is verrijkend. Tegelijk levert het veel problemen op wat betreft opvoeding en klassenverschillen. Als je hiermee aan de slag gaat, is het van groot belang om daar zonder enige ideologie naar te kijken. Reflecteren vanuit een nauw denkkader werkt belemmerend. De chaotische wereld om ons heen willen we graag vastleggen in systemen, maar daar heb ik nooit van gehouden. Je moet alle gedachten durven toelaten, anders leg je jezelf morele beperkingen op. Ik kijk liever tegen de dingen aan als een soort antropoloog door eerst in kaart te brengen welke gedachten er leven en daarna pas een oordeel te vellen.»

«Als de ziel dit doet», Buchwald klikt met de hakken en zet zijn hand strak als een bevel van een militair aan zijn rechterslaap, «dat is vreselijk, het werkt bewustzijnvernauwend, heel eng.» Hij lacht mild en vertelt over zijn eigen afkomst binnen het naoorlogse sterk gepolitiseerde Duitsland. Hij behoort zelf net niet tot de generatie van ‘68, ook al voelt hij zich er wel mee verbonden. Maar nooit heeft hij zich op enige wijze willen binden aan de grote ideologieën die dwars door zijn land liepen.

Opgegroeid in Hannover («een van de saaiste steden van Duitsland») als zoon van een Italiaanse moeder en een vader die als bioloog het Eerste Ecologisch Instituut aan de universiteit van Hannover oprichtte, en als kleinzoon van een vermaarde uitgever van Insel Verlag, trok hij na zijn eindexamen gymnasium naar Berlijn om kunstgeschiedenis en experimentele compositie te gaan studeren. Daar had hij, zoals hij het zelf noemt, drie levens: als muzikant van de zogeheten Lawaaifractie («we hebben nog opgetreden in het voorprogramma van de Kinks), als lid van het maoïstisch georiënteerde Vietnam-comité («dat was allemaal heel strikt en gedisciplineerd georganiseerd, maar ik heb geen spijt. Ik ben er trots op») en als lief hebber van literatuur. Ondertussen bekostigde hij zijn studie met het componeren van filmmuziek en door als postbode te werken.

«Van huis uit heb ik een intellectuele achtergrond. Mijn grootvader, die contacten had met de grote schrijvers van zijn tijd, zoals Rainer Maria Rilke, bracht mij de liefde voor boeken bij. Ik dacht als kind: dat wil ik ook, boeken uitgeven. Mijn vader heeft mij vooral bewustzijn voor het milieu meegegeven. Daar wil ik overigens zeker iets mee gaan doen binnen De Balie, gelet ook op de roll back-politiek die nu gaande is vanuit Amerika onder president Bush. Je kunt laten zien hoe in het verleden daar tegenaan is gekeken, zoals de Club van Rome dat deed in de jaren zestig. Wat hebben ze toen niet gezien waarvan we nu iets kunnen leren? We zitten in een tijd waarin het geheugen wegzakt door de versnelling van de ontwikkelingen. Soms kunnen traditionele opvattingen veel moderner zijn dan nu het geval is. Een connectie leggen met wat er verloren is gegaan, is daarom juist in deze tijd heel interessant. Waarom zijn bepaalde tradities weggevallen? En waarom is Bildungsburgertum — mensen met een brede universele kennis — als klasse verdwenen? Dat ligt nu in de postmoderne maatschappij anders. Het is meer een mix, bijvoorbeeld een ingenieur die squasht, van Beethoven houdt en reist.»

Buchwalds jongensdroom kwam uit; hij werd na zijn studie een beroemd uitgever. Vanuit Hanser Verlag nam hij de stap naar het toen zieltogende Luchterhand Verlag in München waar hij een belangrijke bijdrage leverde aan de opmars van de Nederlandse auteurs in het Duitse taalgebied door het uitgeven van de boeken van onder meer Harry Mulisch, Margriet de Moor, Marcel Möring en Anna Enquist.

In 1997 trad hij bij Suhrkamp Verlag aan als kroonprins van de directeur-eigenaar Siegfried Unseld die formeel geen directeur meer was maar zich toch bleef bemoeien met de inhoud van het boekenfonds. Uiteindelijk besloot Buchwald op te stappen omdat twee kapiteins op een schip niet werkzaam bleek te zijn.

De autoritaire Unseld, die schrijvers binnenhaalde als Adorno, Walser, Frisch, Habermas, Enzensberger en Handke, was er niet de man naar om de macht te delen en verjonging aan de top toe te laten.

«Dat is niet typisch Duits», oordeelt Buchwald nuchter, «nee, het is eerder iets voor die oudere generatie. Dezelfde kritiek hoor je nu weer van de huidige jongeren, die vinden dat de '68-generatie de deur dichthoudt voor vernieuwing. Zij zeggen dat die vijftigers die nu de macht hebben, altijd alles beter weten. Logischerwijs komt daar een tegenbeweging uit voort. Maar je ziet in de geschiedenis dat je altijd dit soort bewegingen nodig hebt.»

Buchwald timmerde naast zijn directeurschap aan de weg als uitgever van het toonaangevende Jahrbuch der Lyrik en als medeorganisator van de Opern Biennale in München. Allengs raakte hij ook steeds bekender als tv-persoonlijkheid in praatprogramma’s over politiek en cultuur. Binnen die debatten profileerde hij zich als een hoffelijke, erudiete spreker die zoekt naar nuance. Wel vindt hij scherp debatteren — zo typerend voor Duitsland — prachtig. «Het zorgt ervoor dat mensen gedwongen worden precies en sterk door inhoud beargumenteerd te formuleren. Wel moet het te allen tijde gepaard gaan met respect voor andermans mening. Autoriteit dwing je uitsluitend af door wat je doet en zegt. Niet door hard te slaan.»

De verschillen tussen de Duitse en Nederlandse debatcultuur beziet hij met belangstelling. «In Duitsland heerst meer een vechtmentaliteit, terwijl in Nederland de neiging tot consensus bestaat. Vanuit onze traditie is de stem van de intellectuelen belangrijker in het maatschappelijk debat dan in Nederland. Wij zijn gevormd door een protestantse traditie met hoge morele ethische opvattingen over de wereld om ons heen, tezamen met de filosofische traditie. Dat levert de drang op naar die reine Idee. Wij gaan niet met elkaar een kopje koffie drinken om samen tot iets te komen. Het gaat om de helderheid.»