Tentoonstelling Landschap van verlangen

In een dennenbos verdwaal je niet

Oud-Hollandse landschapschilderijen zijn vaak minder realistisch dan ze lijken. Toch spelen ze soms een rol bij de inrichting van onze omgeving. «Laten we het houden zoals die schilders het voorstelden.»

«Landschap» is een van de weinige woorden die uit het Nederlands in de Engelse taal zijn overgenomen, en dat hebben wij te danken aan de prominente positie van de Nederlandse schilderkunst vanaf de vroege zeventiende eeuw. De markt voor schilderijen in die tijd was zo groot dat schilders zich specialiseerden, in kerkinterieurs, stillevens, elegante feestgezelschappen, boerenkermissen, enzovoort. Onder hen waren mannen als Esaias van der Velde en Jan van Goyen, die vele honderden schilderijtjes produceerden met watertjes, weggetjes, rietoevers, weilanden en duinen, opgefleurd met hier en daar een wandelaar, een veerpont, een kerktoren of een eik. Dat soort schilderijtjes werden «landschapjes» genoemd. Daarmee werd een misverstand geboren. «Landschap» is, zeker in die tijd, eerst een visuele term. Het staat voor een verbeelding, niet een afbeelding, van een stukje van het bewandelbare deel van de aardkorst. Wat de schilder toonde is niet wat hij had gezien.

Natuurlijk had de belangstelling voor de eigen omgeving veel te maken met de ontwikkeling van het zelfbeeld van de Nederlanders, en natuurlijk gingen zeventiende-eeuwse kunstenaars echt naar buiten, met hun schetsboekje, maar wat zij optekenden verhield zich tot hun schilderijen altijd als bloem en eieren tot een hotelcake. De kunstenaar koos en schikte in het atelier zijn materiaal tot er een beeld ontstond dat niet de natuur weergaf, maar er de strijd mee aanging en waar mogelijk overtrof. Ruisdael bezocht de joodse begraafplaats in Ouderkerk en schetste de zerken, maar plaatste die vervolgens in een bergachtige omgeving en zette de ruïne van de Abdij van Egmond erbij, als decor. Cuyp kende koeien uit de omgeving van Dordrecht, maar de hoog oprijzende kliffen langs de rivier en het warme Italiaanse licht zoog hij uit zijn duim. Realistisch was het niet. Alles was gericht op het artistieke resultaat.

Dit misverstand over de mate van realisme in de landschapschilderijen van de zeventiende eeuw zou heel onschuldig zijn als het zich beperkte tot kringen van kunsthistorici, maar de laatste jaren speelt het begrip «Hollands landschap» ook een rol in het veelomvattende proces van herformulering van «Onze Nederlandse Cultuur» en ook, heel letterlijk, in de inrichting van onze omgeving. Daar zijn grote belangen mee gemoeid.

De kunstenaar Willem den Ouden en de schrijver Willem van Toorn ondervonden dat aan den lijve toen ze zich keerden tegen ingrepen in het rivierengebied waar zij beiden wonen. Na de bijna-overstromingen in 1995 wijzigden de verhoudingen daar drastisch. De uiterwaarden werden afgegraven, de klei werd gebruikt voor de kolossale dijkverzwaring en de rivieroevers werden ingericht als «wetlands» of «Donau-oevers», nieuwe natuur waar – als het aan fanatieke Staatsbosbeheerders lag – de mens plaats zou moeten maken voor bever en eland.

Juist door de combinatie van wonen, werken en de onophoudelijke omgang met het water was dat landschap, volgens Den Ouden, «bezield geraakt»: «In het rivierengebied zie je prachtige uiterwaarden die eeuwenlang steeds een beetje van vorm veranderd zijn, die overstroomd zijn, door boeren gebruikt, waar vee in loopt en meidoornbosjes in staan. Dat vind ik heel mooie landschappen, die ook eindeloos vaak door de schilders van de Gouden Eeuw zijn afgebeeld.» Den Ouden betaalde voor zijn strijd voor het behoud van dat «culturele» landschap een flinke prijs. Er werd op zijn huis geschoten en zijn ramen werden ingegooid. Uiteindelijk werd er zelfs iemand tot twee jaar voorwaardelijk veroordeeld.

In de redenatie van Den Ouden beet het misverstand in zijn staart en werd een cirkel redenering: «Dit ‹landschap› is mooi, kijk maar: Cuyp en Ruisdael beeldden het al af; laten we het dus houden zoals die schilders het voorstelden, want dat past het best bij ons.» Die opvatting is evenzeer fictie als het idee van een nieuwe, ongerepte natuur, vol elanden en arenden, die geheel buiten de invloedssfeer van het menselijke ligt.

Wie wil zien waar onze visie op ons landschap werkelijk vandaan komt bezoeke de mooie tentoonstelling van achttiende- en vroeg-negentiende-eeuwse schilderijen en tekeningen, bijeengebracht onder de noemer Landschap van verlangen, in het Teylers Museum te Haarlem. Het zijn werken die je zelden ziet, omdat ze kwetsbaar zijn, en ook omdat schilders als Jacob van Strij, Egbert van Drielst of Pieter Rudolf Kleijn nu eenmaal geen publiekstrekkers zijn. De tentoonstelling laat zien hoe in de achttiende eeuw de ruwheid van het zeventiende-eeuwse landschap van Ruisdael cum suis werd gladgestreken door schilders als Houbraken en Lairesse. Zij propageerden een arcadisch landschap, waarin de pissende koeien van Potter waren vervangen door herderinnetjes, lier spelende halfgoden op schommels, tempeltjes, cipressen; een presentatie van «aangename» onderdelen, volmaakte vormen en heldere contouren waardoor de kijker in hoger sferen kon komen. «Echte» natuur werd nadrukkelijk op een afstand gehouden. Echte natuur was onveilig, vies en eng. Dat een desolaat heidelandschap de gevoelens van een mens positief zou kunnen beroeren was vooralsnog ondenkbaar. Lairesse schreef dat als een schilderij alleen maar bomen toonde, dan «is ’t een wildernis of een onbewoond land, daar de pestilentie regeert, en by gevolg geen huizen getimmerd worden».

Maar toen kwamen de revolutie en de Bataafse Republiek en het nieuwe Koninkrijk, en de Nederlandse kunstenaars bezonnen zich op de nieuwe situatie. Ze schoven het classicisme opzij en herontdekten de onopgesmukte kracht van Potters Jonge stier, en ze herkenden daarin de schoonheid en de poëzie van «het geringe». Kunstenaars als Cats en Van Strij waren gebiologeerd door de eenvoud en de helderheid van het landschap, dat ze herontdekten. Ze tonen het letterlijk als na een flinke regenbui: schoongewassen, opgeruimd, ontdaan van de arcadische flauwekul en niet beladen met hoogdravende emoties, zoals bij Ruisdael.

Adriaan Loosjes bezong in zijn Hollands Arkadia van 1804 de eenvoud en schoonheid van dat landschap. Wat de campagna was voor de Italianen was de polder voor de Nederlander. Sappige weiden en grazende koeien waren voortaan onze trots – en vooral omdat zij volgens Loosjes de verbeelding waren van onze nationale psychologie. Die opvatting heerst nog steeds. Van Loosjes’ idee dat het Hollandse landschap een volmaakte afspiegeling is van onze gelijkmatigheid, onze evenwichtigheid, onze gemoedelijkheid en onze gewoonheid loopt een rechte lijn – via J.C. Bloem en Jac. P. Thijsse – naar Willem den Ouden. Wij zijn niet «Cuyp» of «Ruisdael»; wij zijn «Van Drielst», en «Van Strij».

Waar andere kunstenaars in andere landen vervolgens op zoek gingen naar het «sublieme» bleven de Nederlanders bij die frisse bescheidenheid steken. De romantiek bracht Koekkoek en Schelfhout tot grote werken, maar niet tot hemelbestormende; het hart van de orkaan trok niet over ons land. Waar Hölderlin hunkerde naar het gezelschap van eiken, «ontembare Titanen» – «Ieder van U is een wereld, als sterren des hemels leeft ge, een god gij elk» – bezong de prins der romantische dichters in Nederland, Anthony Staring, de eerbare den. Starings dennen zijn eenvoudig en praktisch; je kunt er molenwieken, scheepsmasten, heipalen en daksparren van maken, zelfs bier van brouwen. In een dennenbos verdwaal je niet:

Dat wild gerank en stekelruig

In andre bosschen tier’ (…)

Gij bant elk hindrend warrelnet

Uit uw gewijden kring;

Gij spaart den voet bezorgden tred;

Het oog verbijstering.

Evenwicht, helderheid, rechtschapenheid: Staring wilde best onder een Hollands dennenbosje begraven worden.

Landschap van verlangen

Teylers Museum, Haarlem, t/m 16 januari.

Citaten Den Ouden uit: Tracy Metz, Nieuwe natuur: Reportages over veranderend landschap