In een tuin in Hiroshima

NAM LE
DE BOOT
Uit het Engels vertaald door Paul Witte
De Bezige Bij, 281 blz., € 18,90

Het beste is om vooroordelen maar meteen te erkennen. De boot, de verhalenbundel van de Vietnamees-Australisch-Amerikaanse debutant Nam Le, begint met het verhaal Liefde en eer en medelijden en trots en mededogen en opofferingsgezindheid waarin op de eerste bladzijden al duidelijk wordt dat het hier gaat over een jonge schrijver die door zijn stugge Vietnamese vader wordt bezocht. Dat is een gevaarlijke opening. Je verwacht een grauw, realistisch verhaal over het leven van (boot)vluchtelingen, waarschijnlijk nog autobiografisch ook. Postkoloniale immigrantenliteratuur waar je meestal niet vrolijker van wordt. Dat snapt Nam Le ook, en in dit verhaal steekt hij meteen op formidabele wijze de draak met die vooroordelen – het is wijsneuzige metafictie die bij zoveel jonge Amerikaanse schrijvers populair is. De ‘Nam’ uit het verhaal kan niet schrijven zolang zijn vader er is. Hoezo niet, zeggen zijn collega-schrijvers. Schrijf eens iets over Vietnam. Levenservaring verkoopt. Etnische literatuur is in. En houd ’ns op met die verhalen over Colombiaanse tienermoordenaars, wezen in Hiroshima en lesbische femmes fatales. Het hoeft de lezer niet te verbazen dat verderop in de bundel verhalen staan over precies deze onderwerpen.
Maar eerst wil hij het verhaal over zijn vader uit de weg hebben. Dus begint hij een verhaal over Amerikanen met M-16’s, helikopters en alles wat je mag verwachten. Zijn vader leest het en lacht minzaam. ‘Er staan foutjes in’, zegt hij. Vertel me dan hoe het echt ging, vraagt de zoon, en voor het eerst in hun stroeve relatie vertelt zijn vader over de oorlog, de martelingen, de heropvoedingskampen, de tijgerkooien, de indoctrinaties. Nam vertelt niet wat zijn vader hem vertelt, alleen dat hij het hem vertelt. Want dit is niet het verhaal over Vietnam dat iedereen wil dat hij schrijft, maar een verhaal over vaders en zonen.
Op de talloze toptienlijstjes die in december in de VS verschenen, leken twee boeken overal op te staan (Unaccustomed Earth van Jhumpa Lahiri en de Engelse vertaling van Roberto Bolaño’s 2666). Een handjevol boeken dook met grote regelmaat op. De boot (fraai vormgegeven door De Bezige Bij, het moet gezegd) hoort tot deze tweede categorie – en terecht.
Nam Le werd geboren in Vietnam, in 1978 en groeide op in Australië. Hij studeerde rechten, werd advocaat, maar verhuisde toch liever naar Iowa om een schrijfcursus te volgen. Dat heeft goed uitgepakt. De kracht van de bundel is Nam Le’s empathie. Instinctief weet hij de link te leggen met de gevoelslevens van zijn uiteenlopende personages: de veertienjarige huurmoordenaar die door zijn baas in de barrio’s van Medellin op het matje wordt geroepen nadat hij geweigerd heeft een moord te plegen; een Amerikaanse vrouw die een vriendin in Teheran opzoekt en zich steeds benauwder voelt in de religieuze omgeving waarin ze terechtkomt. Een van de mooiste verhalen is Hiroshima, over een meisje dat uit de stad is geëvacueerd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Haar dagelijkse routine op haar nieuwe school buiten de stad gaat door. De kinderen spelen spelletjes en maken ruzie over wie de grootste kom met rijst mag. Op de achtergrond jekkert de radio: ‘Verkwisting is de vijand! Liever een glorieuze dood dan de overgave!’ Het lezen van het verhaal is als het zien van een Hollywood-productie in de bioscoop. De Japanse kinderen rennen over het schoolplein. De camera blijft hangen bij wasgoed, wapperend in de wind. De camera maakt in een pan-beweging een panorama van het geheel: het wit van de schooluniformen contrasteert vredig met het groen van de heuvels en het blauw van de hemel. Een enkel vliegtuig scheert door de lucht. ‘Een jongen zegt: het is er maar één. Maar ik zie niets. Iedereen weet dat de laffe Amerikanen alleen bommen gooien als ze met honderden vliegtuigen zijn, in groepen zoals de ganzen.’
Kalm en lucide schrijft Nam Le over het meisje, dat haar ouders mist, haar broer die ergens in een loopgraaf zit, haar zus die in een munitiefabriek werkt. Ze houdt zich vast aan de oorlogsslogans op de radio, die zeggen dat er hoop is, en verlangt naar het moment dat ze weer bij haar vader mag zijn, in zijn tuin in Hiroshima. Hoewel Nam Le’s verhalen zich over de hele wereld afspelen (soms is de geografische spreiding wat vergezocht, geforceerd), in de kern zijn het emotionele familieverhalen. ‘Ik denk er zo over’, zegt Nam in het openingsverhaal Liefde en eer… ‘We vergeven onze ouders elk offer dat ze brengen, zolang ze dat maar niet uit onze naam doen. Voor mijn vader was er geen andere naam; alleen die van mij. (…) Zijn offer was groot en dwong hem tot alles wat hij deed. Daartoe was ik niet in staat.’
Alle personages moeten iets in zichzelf overwinnen, iets waar ze door hun al dan niet letterlijke familie toe gedwongen worden. Of het ze lukt of niet, Nam Le weet de keuzes die ze moeten maken vol mededogen uit te leggen.